In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.
Lieve Pap,
Heb je soms ook wel eens dat je het liefst alle kranten en TV een tijdje overslaat? Nu ik hier in Jeruzalem zit merk ik dat ik een stuk minder nieuws tot mij neem. De NOS-app op mijn telefoon blijft vaker ongeopend en het digitale krantenabonnement wordt steeds minder gebruikt. Ik hoef mij geen zorgen te maken om de troosteloze prestaties van Ajax, noch om de meest recente ontwikkelingen rondom het Concertgebouw. Om in plaats daarvan mijn tijd te besteden aan debatten tussen rabbijnen van een kleine 2.000 jaar geleden voelt als een luxe.
Tegelijkertijd schuurt het, dat verlangen om je af te sluiten van de wereld. Terwijl ik dit schrijf, raast storm Byron over Israël. Straten zijn ondergelopen, mensen zitten vast in hun auto’s. Twee meisjes raakten gewond door een omvallende boom. En dat is nog hier, in omstandigheden die relatief veilig zijn. Het is nauwelijks voorstelbaar hoe het leven er op dit moment uitziet voor ontheemde Palestijnen in Gaza.
Ik heb het gevoel wij als mensen een zekere verantwoordelijkheid dragen om ons te informeren over wat er in de wereld gebeurt. Heb jij dat ook? Vanuit die gedachte heb ik mij opgegeven voor een tour op de Westbank, gericht op de recente escalatie van geweld door Joodse kolonisten tegen de Palestijnse bevolking. Naast het duiden van de actualiteit omvat het programma ontmoetingen met Palestijnse activisten die via geweldloos verzet proberen de bezetting te doorbreken. Die kennis tot mij nemen, voelt als het minste dat ik kan doen.
Tijdens een van de gesprekken op de jesjiewe bespraken we de verschillende verklaringen op een vers uit Spreuken: “Onderwijs het kind naar zijn weg”. Het is een opmerkelijke plek, die jesjiewe, gevuld met mensen uit alle windstreken die hier samenkomen om die eeuwenoude bronnen te bestuderen. Maar wat is het eigenlijk - vroegen wij ons naar aanleiding van de commentaren af – dat je hoopt dat die kennis vervolgens met je doet? Welke transformatie verwacht je dan van jezelf? Wat zou er anders moeten worden?
Educate yourself is een leus die je steeds vaker hoort. Onderwijs jezelf. Over de misstanden in de wereld. Over institutioneel racisme. Over het koloniale verleden. En vervolgens, zo lijkt de impliciete belofte, zal de wereld er beter uitzien. Waarschijnlijk is het niet zo simpel, maar misschien vormt kennis wel een begin. Of in elk geval: het minste dat we kunnen doen.
En dus open ik die NOS-app af en toe weer, al is het maar vluchtig, terwijl ik tegelijkertijd dankbaar ben voor de mogelijkheid me hier iets meer te onttrekken aan de constante stroom van prikkels. Met een soort geleende nostalgie denk ik terug aan een tijd die ik zelf nooit heb meegemaakt: toen jij mijn had en de wereld zich vermoedelijk minder onophoudelijk aan je opdrong. Maar misschien romantiseer ik dat verleden te veel. Ik hoor je al zeggen dat ik het te eenvoudig voorstel. En waarschijnlijk heb je dan gelijk.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 9 januari 2026.
opjehoede
vrijdag 16 januari 2026
vrijdag 5 december 2025
Brief aan Asjer, 28 november 2025
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.
Lieve Asjer,
Wat een mooi verhaal stuurde je! De rosj van jouw jesjiewe die het voor elkaar kreeg om bij de Kotel in gesprek te komen met zo’n schreeuwende nudnik die niets moet hebben van een actieve rol van vrouwen. En dat die twee mannen op voorhand het oordeel van de masjiach accepteren, als die eenmaal gekomen is, ook als die het gelijk van de ander zou bevestigen. Prachtig!
Jouw verhaal gaf me hoop. Had jij dat zelf ook? Hoop die we hard nodig hebben. Ik verzet me altijd tegen negativisme, maar soms word ik toch wat moedeloos. Misschien kun jij me moed inpraten.
IDFA heb ik dit jaar overgeslagen. Met de stupide boycot van Israëlische cineasten (stupide, want écht gericht op de verkeerde mensen) kan ik niet leven. Ik heb ze, zeg maar, terug-geboycot. Dat kostte me moeite, ook omdat ik vind dat we ons niet moeten terugtrekken uit de maatschappij. Die reflex is verklaarbaar door alle vervelende dingen die op ons afkomen. Toch moeten we daarvoor waken.
Maar het wordt ons niet altijd makkelijk gemaakt. Ik heb me, bijvoorbeeld, vreselijk opgewonden over twee artikelen in Het Parool. Tsja, moet ik die krant dan opzeggen? En welke krant zou ik dan wel kunnen lezen?
Eén artikel stond online, vorige maand al. Ene Mark van Assen schreef over de wederopbouw van Gaza. Hij geeft een treurigmakende opsomming van het aantal verwoeste gebouwen, de hoeveelheid puin die moet worden opgeruimd, et cetera. Echt verschrikkelijk. De cijfers haalt hij uit een rapport van Unep (pun not intended), het milieuprogramma van de Verenigde Naties. De genoemde cijfers zijn ongelooflijk hoog … en oncontroleerbaar. Ik gaf Van Assen en Unep graag het voordeel van de twijfel. Tot ik de kop boven het artikel las: “De wederopbouw van Gaza kan 350 jaar duren”. Natúúrlijk, 350 jaar. Waarom geen 3500 jaar? Zouden de Gazanen over 35 jaar misschien al een heel eind zijn? Waarom zo’n belachelijke overdrijving? Het stoort me omdat het bij de argeloze lezer een beeld oproept. Een beeld dat zonder bizarre uitvergroting al erg genoeg is en dat extra kwaad bloed zet bij een argeloze lezer. En ja, dan vraag ik me af: stommiteit of risjes?
Misschien nog wel erger was een Parool-artikel, een paar dagen geleden, van Marcel Wiegman. Nóg erger omdat Wiegman een ervaren journalist is. Hij beschrijft de kritiek van 25 procent van de werknemers van het Concertgebouw op het compromis over het optreden van chazzan Shai Abramson. Abramsons band met de IDF blijft een obstakel. En dan schrijft Wiegman, zonder blikken of blozen: “Op filmpjes is hij in legeruniform te zien, terwijl hij de oorlog in Gaza bezingt.” Waaaattt? Heb je die filmpjes zelf gezien, Wiegman? En is je Hebreeuws zo wonderbaarlijk goed dat je hoorde dat deze chazzan over de oorlog in Gaza zong? En wat zong hij dan precies? Of blijk je gewoon een slechte journalist te zijn en heb je misschien een propagandatekst van een Hamas-persvoorlichter overgenomen?
Asjer, je moeder heeft Wiegman een vriendelijke mail gestuurd en naar zijn bedoeling gevraagd. Zijn reactie kun je raden: stilzwijgen.
Dit soort ophitsende onzin lezen we bijna dagelijks. Het wordt tijd dat er iets drastisch verandert. Ik geloof niet zo in de komst van de masjiach. Dat wil zeggen: ik wacht op de komst van een ‘masjiach-tijd’, niet zozeer op de komst van de masjiach als een persoon. Mocht ik me vergissen, kan hij of zij dan misschien een beetje haast maken?
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 28 november 2025.
Lieve Asjer,
Wat een mooi verhaal stuurde je! De rosj van jouw jesjiewe die het voor elkaar kreeg om bij de Kotel in gesprek te komen met zo’n schreeuwende nudnik die niets moet hebben van een actieve rol van vrouwen. En dat die twee mannen op voorhand het oordeel van de masjiach accepteren, als die eenmaal gekomen is, ook als die het gelijk van de ander zou bevestigen. Prachtig!
Jouw verhaal gaf me hoop. Had jij dat zelf ook? Hoop die we hard nodig hebben. Ik verzet me altijd tegen negativisme, maar soms word ik toch wat moedeloos. Misschien kun jij me moed inpraten.
IDFA heb ik dit jaar overgeslagen. Met de stupide boycot van Israëlische cineasten (stupide, want écht gericht op de verkeerde mensen) kan ik niet leven. Ik heb ze, zeg maar, terug-geboycot. Dat kostte me moeite, ook omdat ik vind dat we ons niet moeten terugtrekken uit de maatschappij. Die reflex is verklaarbaar door alle vervelende dingen die op ons afkomen. Toch moeten we daarvoor waken.
Maar het wordt ons niet altijd makkelijk gemaakt. Ik heb me, bijvoorbeeld, vreselijk opgewonden over twee artikelen in Het Parool. Tsja, moet ik die krant dan opzeggen? En welke krant zou ik dan wel kunnen lezen?
Eén artikel stond online, vorige maand al. Ene Mark van Assen schreef over de wederopbouw van Gaza. Hij geeft een treurigmakende opsomming van het aantal verwoeste gebouwen, de hoeveelheid puin die moet worden opgeruimd, et cetera. Echt verschrikkelijk. De cijfers haalt hij uit een rapport van Unep (pun not intended), het milieuprogramma van de Verenigde Naties. De genoemde cijfers zijn ongelooflijk hoog … en oncontroleerbaar. Ik gaf Van Assen en Unep graag het voordeel van de twijfel. Tot ik de kop boven het artikel las: “De wederopbouw van Gaza kan 350 jaar duren”. Natúúrlijk, 350 jaar. Waarom geen 3500 jaar? Zouden de Gazanen over 35 jaar misschien al een heel eind zijn? Waarom zo’n belachelijke overdrijving? Het stoort me omdat het bij de argeloze lezer een beeld oproept. Een beeld dat zonder bizarre uitvergroting al erg genoeg is en dat extra kwaad bloed zet bij een argeloze lezer. En ja, dan vraag ik me af: stommiteit of risjes?
Misschien nog wel erger was een Parool-artikel, een paar dagen geleden, van Marcel Wiegman. Nóg erger omdat Wiegman een ervaren journalist is. Hij beschrijft de kritiek van 25 procent van de werknemers van het Concertgebouw op het compromis over het optreden van chazzan Shai Abramson. Abramsons band met de IDF blijft een obstakel. En dan schrijft Wiegman, zonder blikken of blozen: “Op filmpjes is hij in legeruniform te zien, terwijl hij de oorlog in Gaza bezingt.” Waaaattt? Heb je die filmpjes zelf gezien, Wiegman? En is je Hebreeuws zo wonderbaarlijk goed dat je hoorde dat deze chazzan over de oorlog in Gaza zong? En wat zong hij dan precies? Of blijk je gewoon een slechte journalist te zijn en heb je misschien een propagandatekst van een Hamas-persvoorlichter overgenomen?
Asjer, je moeder heeft Wiegman een vriendelijke mail gestuurd en naar zijn bedoeling gevraagd. Zijn reactie kun je raden: stilzwijgen.
Dit soort ophitsende onzin lezen we bijna dagelijks. Het wordt tijd dat er iets drastisch verandert. Ik geloof niet zo in de komst van de masjiach. Dat wil zeggen: ik wacht op de komst van een ‘masjiach-tijd’, niet zozeer op de komst van de masjiach als een persoon. Mocht ik me vergissen, kan hij of zij dan misschien een beetje haast maken?
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 28 november 2025.
vrijdag 21 november 2025
Brief van Asjer, 14 november 2025
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.
Lieve Pap,
In de jesjiewe waar ik een tijdje verblijf, is het gebruikelijk om op woensdagochtend sjachariet te davvenen bij de Kotel. De jesjiewe is egalitair, vrouwen hebben net als bij ons in de LJG dezelfde rol in de dienst als mannen. Dit gemengde gezelschap kan, zoals je begrijpt, niet terecht bij de ‘gewone’ Kotel. Wij davvenen in het stukje daarnaast, het relatief nieuwe stuk naast de Kotel waar de progressief-Joodse stromingen een plek hebben.
Niet zelden leidt het feit dat mannen en vrouwen daar samen staan tot een confrontatie met voorbijgangers. Ultraorthodoxe mannen proberen dan de dienst te verstoren. ‘Sjiekse!’ wordt er naar onze vrouwen geroepen. Wat wij doen wordt gezien als een regelrechte aanval op de Joodse traditie. De confrontatie is doorgaans eenzijdig, met dit soort risjesmakers valt niet te praten.
Maar laatst kwam het in zo’n confrontatie toch tot een gesprek. Eén van de verstoorders raakte in gesprek met onze rosj jesjiewe, de rabbijn die aan het hoofd van ons instituut staat. ‘Hoe kan het toch’, vroeg die man, ‘dat jullie dingen doen die lijnrecht tegen de halacha ingaan?’
Onze rosj jesiewe legde uit dat hij vindt dat een egalitaire dienst helemaal niet ingaat tegen de halacha. ‘Sterker nog,’ zei hij, ‘ik meen dat de halacha voorschrijft dat vrouwen deelhebben aan de mitswot. Dat is de manier waarop ik de halacha lees.’ De man tegenover hem leek het even niet te begrijpen. Verwonderd keek hij hem aan en zei: ‘Geloof je echt dat dit de halacha is? Dat mannen en vrouwen samen het gebed kunnen doen?’ ‘Ja,’ antwoordde de rosj jesjiewe.
Er leek iets in de man te veranderen. Het idee dat hij tegenover iemand stond die zich beroept op dezelfde traditie – het feit dat zij in zekere zin dezelfde taal spraken – leek een bijzonder effect te hebben. ‘Maar stel nou dat de masjiach komt,’ zei de man, ‘en die vertelt dat jij het bij het verkeerde eind hebt. Dat egalitaire diensten eigenlijk verboden zijn volgens de halacha. Zou je dan je mening veranderen?’ ‘Als ik het van de masjiach zelf zou horen, dan zou ik dat accepteren,’ antwoordde hij. ‘En jij?’ vroeg hij vervolgens, ‘zou jij er vrede mee hebben als de masjiach komt en verklaart dat de halacha voorschrijft dat vrouwen ook deelhebben aan de mitswot? Zou jij dat accepteren?’ ‘Ja,’ antwoordde de man. ‘Als de masjiach zegt dat ik het bij het verkeerde eind heb, dan kan ik niet anders dan mijn mening bijstellen.’
Even was het stil. Toen zei de man die net nog schreeuwend naar onze groep had staan roepen: ‘Dan zit er eigenlijk niets anders op dan geduld te hebben en te wachten tot de tijd komt waar wij allebei naar uitkijken.’ De man is daarna nooit meer tussen de schreeuwers gezien.
Het is soms, zoals je in je laatste brief schrijft, een kwestie van proberen je in te leven in de ander. Door jouw wisseltruc bijvoorbeeld. Of door te zoeken naar een gedeelde taal, naar een vorm van gemeenschappelijkheid die de kloof tussen twee mensen een klein beetje kan overbruggen. Daar, in het midden, kan je elkaar misschien even de hand schudden. Het besef dat je zelf nog wel eens ongelijk zou kunnen hebben vormt daarin een essentieel onderdeel. Tot die tijd kunnen wij alleen maar wachten op het verlossende antwoord.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 14 november 2025.
Lieve Pap,
In de jesjiewe waar ik een tijdje verblijf, is het gebruikelijk om op woensdagochtend sjachariet te davvenen bij de Kotel. De jesjiewe is egalitair, vrouwen hebben net als bij ons in de LJG dezelfde rol in de dienst als mannen. Dit gemengde gezelschap kan, zoals je begrijpt, niet terecht bij de ‘gewone’ Kotel. Wij davvenen in het stukje daarnaast, het relatief nieuwe stuk naast de Kotel waar de progressief-Joodse stromingen een plek hebben.
Niet zelden leidt het feit dat mannen en vrouwen daar samen staan tot een confrontatie met voorbijgangers. Ultraorthodoxe mannen proberen dan de dienst te verstoren. ‘Sjiekse!’ wordt er naar onze vrouwen geroepen. Wat wij doen wordt gezien als een regelrechte aanval op de Joodse traditie. De confrontatie is doorgaans eenzijdig, met dit soort risjesmakers valt niet te praten.
Maar laatst kwam het in zo’n confrontatie toch tot een gesprek. Eén van de verstoorders raakte in gesprek met onze rosj jesjiewe, de rabbijn die aan het hoofd van ons instituut staat. ‘Hoe kan het toch’, vroeg die man, ‘dat jullie dingen doen die lijnrecht tegen de halacha ingaan?’
Onze rosj jesiewe legde uit dat hij vindt dat een egalitaire dienst helemaal niet ingaat tegen de halacha. ‘Sterker nog,’ zei hij, ‘ik meen dat de halacha voorschrijft dat vrouwen deelhebben aan de mitswot. Dat is de manier waarop ik de halacha lees.’ De man tegenover hem leek het even niet te begrijpen. Verwonderd keek hij hem aan en zei: ‘Geloof je echt dat dit de halacha is? Dat mannen en vrouwen samen het gebed kunnen doen?’ ‘Ja,’ antwoordde de rosj jesjiewe.
Er leek iets in de man te veranderen. Het idee dat hij tegenover iemand stond die zich beroept op dezelfde traditie – het feit dat zij in zekere zin dezelfde taal spraken – leek een bijzonder effect te hebben. ‘Maar stel nou dat de masjiach komt,’ zei de man, ‘en die vertelt dat jij het bij het verkeerde eind hebt. Dat egalitaire diensten eigenlijk verboden zijn volgens de halacha. Zou je dan je mening veranderen?’ ‘Als ik het van de masjiach zelf zou horen, dan zou ik dat accepteren,’ antwoordde hij. ‘En jij?’ vroeg hij vervolgens, ‘zou jij er vrede mee hebben als de masjiach komt en verklaart dat de halacha voorschrijft dat vrouwen ook deelhebben aan de mitswot? Zou jij dat accepteren?’ ‘Ja,’ antwoordde de man. ‘Als de masjiach zegt dat ik het bij het verkeerde eind heb, dan kan ik niet anders dan mijn mening bijstellen.’
Even was het stil. Toen zei de man die net nog schreeuwend naar onze groep had staan roepen: ‘Dan zit er eigenlijk niets anders op dan geduld te hebben en te wachten tot de tijd komt waar wij allebei naar uitkijken.’ De man is daarna nooit meer tussen de schreeuwers gezien.
Het is soms, zoals je in je laatste brief schrijft, een kwestie van proberen je in te leven in de ander. Door jouw wisseltruc bijvoorbeeld. Of door te zoeken naar een gedeelde taal, naar een vorm van gemeenschappelijkheid die de kloof tussen twee mensen een klein beetje kan overbruggen. Daar, in het midden, kan je elkaar misschien even de hand schudden. Het besef dat je zelf nog wel eens ongelijk zou kunnen hebben vormt daarin een essentieel onderdeel. Tot die tijd kunnen wij alleen maar wachten op het verlossende antwoord.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 14 november 2025.
zondag 2 november 2025
Brief aan Asjer, 31 oktober 2025
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.
Lieve Asjer,
Toen ik het huis uitging – ik was 19 en ging studeren in Breda – nam ik voor het eerst zelf een krantenabonnement. Dat werd Het Parool, de krant die ik van thuis kende, de krant die was voortgekomen uit het verzet, die destijds een enigszins linkse signatuur had én die nieuws uit Amsterdam bracht. Aan een krant raak je gehecht, vijfenvijftig jaar later ben ik nog steeds abonnee.
Ik realiseer me dat hier ook een gevaar in schuilt, dat je eigenlijk alleen het nieuws tot je neemt dat je graag wilt lezen, vaak geschreven door journalisten die in je eigen politieke hoek zitten, die dezelfde voorkeuren hebben. Het is belangrijk om ook kennis te nemen van andere invalshoeken. In de loop van de jaren hebben je moeder en ik er dan ook vaak een krant ‘bij’ gehad, maar Het Parool is altijd gebleven.
Columnisten geven een krant kleur, ze zijn in veel gevallen gezichtsbepalend. Denk aan Simon Carmiggelt met zijn Kronkels op pagina drie van Het Parool (sorry, ver voor jouw tijd, dat vergat ik even) of Martin Bril rechtsonder op de voorpagina van de Volkskrant. Ieder dagblad heeft wel zo’n ‘gezichtsbepaler’, vaak meerdere.
Het Parool heeft de laatste tijd stevig ingegrepen in zijn columnistenbestand. Niet zo lang geleden werd Theodor Holman gewipt. Zijn niet-aflatende pro-Israël geluid viel blijkbaar niet goed. Nieuwe Parool-columnisten zijn overduidelijk pro-Palestijns, waar ik niet zo’n moeite mee heb, maar helaas vaak grimmig anti-Israël, wat ik wel problematisch vind. Maar zoals ik al zei: je moet ook schrijvers lezen met een totaal andere mening. Davka!
Eén van de relatief nieuwe Parool-columnisten is Dilara Bilgiç. Ik moet eerlijk bekennen dat ik haar niet altijd lees. Dat wil zeggen: ik begin wel, maar houd het vaak niet vol tot het eind. Bilgiç is zo rabbiaat anti-Israël, dat kan ik moeilijk verdragen. Met alle kritiek die ik zelf op de Israëlische regering heb, stuit de stellingname van Bilgiç me toch vaak tegen de borst. Het kán niet zo zijn dat Israël alleen maar bezig is met oorlogsmisdaden en alle Gazanen, inclusief de Hamasniks, slachtoffer zijn.
Toen ik deze week aan Bilgiçs column begon, dacht ik in eerste instantie ‘daar gaan we weer’. Toch begon ik haar te begrijpen, ik herkende haar gevoelens. Substitutie was de oude en simpele truc die me zover bracht. Ze beschrijft hoe ze zich voelde bij één van de Rode Lijnprotesten, waar ze eerst niet heen wilde. “Uiteindelijk stond ik er toch, met betraande ogen bovendien … niet omdat je niemand om je heen hebt, vooral omdat je dit gevoel niet altijd goed kunt delen.” Goh, herkenbaar dit.
Of: “De agenten naast me vroegen of ik mijn keffiyeh niet beter kon afdoen – ‘grimmige sfeer, mensen staren naar je’ …” Ook herkenbaar toch: keffiyeh – keppel.
Dan haalt Bilgiç theatermaker Laura van Dolron aan die vertelde over een man die tijdens de Vietnamoorlog elke avond met een kaars voor het Witte Huis protesteerde. Toen een journalist hem vroeg of hij echt geloofde iets te veranderen, antwoordde hij: “Ik doe het niet zodat het land verandert. Ik doe het zodat ikzelf niet verander.”
Dit moeten we vasthouden, Asjer. We moeten blijven geloven in onszelf, in onze normen en waarden. En die moeten we blijven uitdragen.
Gut sjabbes!
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 31 oktober 2025.
Lieve Asjer,
Toen ik het huis uitging – ik was 19 en ging studeren in Breda – nam ik voor het eerst zelf een krantenabonnement. Dat werd Het Parool, de krant die ik van thuis kende, de krant die was voortgekomen uit het verzet, die destijds een enigszins linkse signatuur had én die nieuws uit Amsterdam bracht. Aan een krant raak je gehecht, vijfenvijftig jaar later ben ik nog steeds abonnee.
Ik realiseer me dat hier ook een gevaar in schuilt, dat je eigenlijk alleen het nieuws tot je neemt dat je graag wilt lezen, vaak geschreven door journalisten die in je eigen politieke hoek zitten, die dezelfde voorkeuren hebben. Het is belangrijk om ook kennis te nemen van andere invalshoeken. In de loop van de jaren hebben je moeder en ik er dan ook vaak een krant ‘bij’ gehad, maar Het Parool is altijd gebleven.
Columnisten geven een krant kleur, ze zijn in veel gevallen gezichtsbepalend. Denk aan Simon Carmiggelt met zijn Kronkels op pagina drie van Het Parool (sorry, ver voor jouw tijd, dat vergat ik even) of Martin Bril rechtsonder op de voorpagina van de Volkskrant. Ieder dagblad heeft wel zo’n ‘gezichtsbepaler’, vaak meerdere.
Het Parool heeft de laatste tijd stevig ingegrepen in zijn columnistenbestand. Niet zo lang geleden werd Theodor Holman gewipt. Zijn niet-aflatende pro-Israël geluid viel blijkbaar niet goed. Nieuwe Parool-columnisten zijn overduidelijk pro-Palestijns, waar ik niet zo’n moeite mee heb, maar helaas vaak grimmig anti-Israël, wat ik wel problematisch vind. Maar zoals ik al zei: je moet ook schrijvers lezen met een totaal andere mening. Davka!
Eén van de relatief nieuwe Parool-columnisten is Dilara Bilgiç. Ik moet eerlijk bekennen dat ik haar niet altijd lees. Dat wil zeggen: ik begin wel, maar houd het vaak niet vol tot het eind. Bilgiç is zo rabbiaat anti-Israël, dat kan ik moeilijk verdragen. Met alle kritiek die ik zelf op de Israëlische regering heb, stuit de stellingname van Bilgiç me toch vaak tegen de borst. Het kán niet zo zijn dat Israël alleen maar bezig is met oorlogsmisdaden en alle Gazanen, inclusief de Hamasniks, slachtoffer zijn.
Toen ik deze week aan Bilgiçs column begon, dacht ik in eerste instantie ‘daar gaan we weer’. Toch begon ik haar te begrijpen, ik herkende haar gevoelens. Substitutie was de oude en simpele truc die me zover bracht. Ze beschrijft hoe ze zich voelde bij één van de Rode Lijnprotesten, waar ze eerst niet heen wilde. “Uiteindelijk stond ik er toch, met betraande ogen bovendien … niet omdat je niemand om je heen hebt, vooral omdat je dit gevoel niet altijd goed kunt delen.” Goh, herkenbaar dit.
Of: “De agenten naast me vroegen of ik mijn keffiyeh niet beter kon afdoen – ‘grimmige sfeer, mensen staren naar je’ …” Ook herkenbaar toch: keffiyeh – keppel.
Dan haalt Bilgiç theatermaker Laura van Dolron aan die vertelde over een man die tijdens de Vietnamoorlog elke avond met een kaars voor het Witte Huis protesteerde. Toen een journalist hem vroeg of hij echt geloofde iets te veranderen, antwoordde hij: “Ik doe het niet zodat het land verandert. Ik doe het zodat ikzelf niet verander.”
Dit moeten we vasthouden, Asjer. We moeten blijven geloven in onszelf, in onze normen en waarden. En die moeten we blijven uitdragen.
Gut sjabbes!
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 31 oktober 2025.
vrijdag 24 oktober 2025
Brief van Asjer, 17 oktober 2025
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.
Lieve Pap,
In Joods Nederland kan er best wel eens flink geklaagd worden. De jongere generatie is niet zelden het mikpunt. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat jongeren actiever deelnemen aan het Joodse leven? Waarbij ‘jongere’ volgens mij alleen binnen de Joodse gemeenschap een etiket is dat je tot je 45e opgeplakt kan krijgen. De oplossing van Joods Nederland? We bieden de jongeren aan eens per maand met de bejaarden te vergaderen – zoals ik iemand ooit eens ironisch hoorde opmerken. Dat zal ze ongetwijfeld een gevoel van betrokkenheid en verantwoordelijkheid geven. De teleurstelling is groot wanneer blijkt dat deze oplossing niet tot de gewenste betrokkenheid leidt.
Maar het kan ook anders. Afgelopen vrijdag was ik in sjoel voor de jongerendienst in de LJG Amsterdam. Een kleine veertig jongeren kwamen samen om te eten in de soeka. Ze leerden over de parasja en leidden daarna zelf de dienst. Iedereen deed een deel. Soms alleen, soms samen met anderen. Er werd driestemmig gezongen en ook de derasja werd verzorgd door een van de jongeren. Om de één of andere reden is de vibe die dan in sjoel hangt totaal anders dan op een reguliere sjabbat. Er ging een soort positieve energie van uit die perfect aansloot bij het positieve nieuws over de verwachte vrijlating van de gijzelaars eerder die week.
En het laat zien: jongeren willen wel. Als je maar daadwerkelijk ruimte maakt, letterlijk en figuurlijk. Op de plekken waar het ertoe doet. En – het spijt mij voor alle bestuurders – dat is niet de vergadertafel.
Tijdens de derasja van de jongerendienst werd verteld over een groepje dertigers en veertigers die begin jaren ‘90 hun eigen soeka wilden bouwen. Het klonk als een kleine revolutie: jonge Joden die hun eigen Joodse leven wilden vormgeven en daarvoor naar de bouwmarkt trokken om houten balken en rieten matten te halen. Je herkent het verhaal misschien: uit de derasja begreep ik dat jij degene was die een aantal leeftijdsgenoten tipte over welke bouwmarkt de juiste materialen verkocht. Ik vind het best bijzonder dat de soeka die (bijna) elk jaar in jullie tuin staat, replica’s kent bij andere gezinnen. Wat maakte dat jullie toen allemaal zo enthousiast werden van het bouwen van je eigen soeka?
In je vorige brief vroeg je mij wat we kunnen doen in deze nieuwe realiteit van na 7 oktober 2023. Petities tekenen? Demonstreren? Politiek actief worden? Allemaal opties. Maar lang niet zo effectief als de oplossing die je zelf – misschien zonder er op die manier over na te denken – begin jaren ’90 aandroeg. Jonge mensen helpen een soeka te bouwen. Ze de juiste weg wijzen richting de tools om hun Joodse leven vorm te geven. Wanneer het Joodse leven onder druk staat is het enige juiste antwoord meer Joods leven. Jew up, don’t jew down.
Mijn volgende brief ontvang je vanuit Jeruzalem waar ik ruim twee maanden zal verblijven. Wanneer ik dit schrijf, lijkt het er sterk op dat Israël een nieuwe realiteit tegemoet gaat. Een nieuwe realiteit die hopelijk ook wat rust brengt hier in Nederland. Hoognodige en langverwachte rust.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 17 oktober 2025.
Lieve Pap,
In Joods Nederland kan er best wel eens flink geklaagd worden. De jongere generatie is niet zelden het mikpunt. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat jongeren actiever deelnemen aan het Joodse leven? Waarbij ‘jongere’ volgens mij alleen binnen de Joodse gemeenschap een etiket is dat je tot je 45e opgeplakt kan krijgen. De oplossing van Joods Nederland? We bieden de jongeren aan eens per maand met de bejaarden te vergaderen – zoals ik iemand ooit eens ironisch hoorde opmerken. Dat zal ze ongetwijfeld een gevoel van betrokkenheid en verantwoordelijkheid geven. De teleurstelling is groot wanneer blijkt dat deze oplossing niet tot de gewenste betrokkenheid leidt.
Maar het kan ook anders. Afgelopen vrijdag was ik in sjoel voor de jongerendienst in de LJG Amsterdam. Een kleine veertig jongeren kwamen samen om te eten in de soeka. Ze leerden over de parasja en leidden daarna zelf de dienst. Iedereen deed een deel. Soms alleen, soms samen met anderen. Er werd driestemmig gezongen en ook de derasja werd verzorgd door een van de jongeren. Om de één of andere reden is de vibe die dan in sjoel hangt totaal anders dan op een reguliere sjabbat. Er ging een soort positieve energie van uit die perfect aansloot bij het positieve nieuws over de verwachte vrijlating van de gijzelaars eerder die week.
En het laat zien: jongeren willen wel. Als je maar daadwerkelijk ruimte maakt, letterlijk en figuurlijk. Op de plekken waar het ertoe doet. En – het spijt mij voor alle bestuurders – dat is niet de vergadertafel.
Tijdens de derasja van de jongerendienst werd verteld over een groepje dertigers en veertigers die begin jaren ‘90 hun eigen soeka wilden bouwen. Het klonk als een kleine revolutie: jonge Joden die hun eigen Joodse leven wilden vormgeven en daarvoor naar de bouwmarkt trokken om houten balken en rieten matten te halen. Je herkent het verhaal misschien: uit de derasja begreep ik dat jij degene was die een aantal leeftijdsgenoten tipte over welke bouwmarkt de juiste materialen verkocht. Ik vind het best bijzonder dat de soeka die (bijna) elk jaar in jullie tuin staat, replica’s kent bij andere gezinnen. Wat maakte dat jullie toen allemaal zo enthousiast werden van het bouwen van je eigen soeka?
In je vorige brief vroeg je mij wat we kunnen doen in deze nieuwe realiteit van na 7 oktober 2023. Petities tekenen? Demonstreren? Politiek actief worden? Allemaal opties. Maar lang niet zo effectief als de oplossing die je zelf – misschien zonder er op die manier over na te denken – begin jaren ’90 aandroeg. Jonge mensen helpen een soeka te bouwen. Ze de juiste weg wijzen richting de tools om hun Joodse leven vorm te geven. Wanneer het Joodse leven onder druk staat is het enige juiste antwoord meer Joods leven. Jew up, don’t jew down.
Mijn volgende brief ontvang je vanuit Jeruzalem waar ik ruim twee maanden zal verblijven. Wanneer ik dit schrijf, lijkt het er sterk op dat Israël een nieuwe realiteit tegemoet gaat. Een nieuwe realiteit die hopelijk ook wat rust brengt hier in Nederland. Hoognodige en langverwachte rust.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 17 oktober 2025.
vrijdag 26 september 2025
Brief aan Asjer, 19 september 2025
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.
Lieve Asjer,
Deze brief ontvang je waarschijnlijk een paar dagen voor Rosj Hasjana, Joods nieuwjaar. Die ‘vertaling’ van Rosj Hasjana moeten we trouwens hoognodig veranderen. Ja, het gaat natuurlijk over het begin van een nieuw Joods jaar, maar wel op een heel andere manier dan in de ons omringende cultuur. De betekenis van Rosj Hasjana ontgaat de meesten. Laatst kreeg ik ook weer de opmerking dat wij Joden het toch wel goed getroffen hebben: twee keer champagne, oliebollen en vuurwerk. Die twee keer champagne spreekt mij trouwens wel aan. Maar goed: ik nog eens uitleggen dat er een andere betekenis is, dat we oliebollen inruilen voor appeltjes met honing, dat we geen vuurwerk afsteken. Ik weet niet of het helemáál overkwam. Kunnen we een andere vertaling bedenken?
Eén van de gebruiken van het 31-december-oud-en-nieuw hebben we trouwens overgenomen: terugblikken op het voorbije jaar. Maar hoe zit het met de blik op de toekomst, met het maken van goede voornemens voor het nieuwe jaar? Doen wij daar ook aan? In eerste instantie dacht ik van niet. Maar tesjoewa, het belangrijkste thema van de Hoge Feestdagen, heeft natuurlijk een beetje met goede voornemens te maken: wat heb ik verkeerd gedaan, wat kan ik volgend jaar verbeteren?
Daar heb ik eens goed over zitten denken. Wat zou ik als individu tacheles kunnen bijdragen om van 5786 een beter jaar te maken? Om eerlijk te zijn: best een lastige vraag. Na het overlijden van L., nu alweer twee jaar geleden, en het wegvallen van R. door zijn ongeluk, is het activistische vlammetje bij mij een beetje gedoofd. Ik vind het zelf een bittere constatering, maar de gein is er voor mij af. Ik voel ook dat ik er de koach niet meer voor heb. De plannen, bijvoorbeeld, die R. en ik hadden om iets voor vluchtelingen op te zetten, ons project De Hartwinkel, gebaseerd op het Britse succesvolle Choose Love, is in de ijskast beland. En ik realiseer me dat ze daar waarschijnlijk voor altijd in blijven liggen.
De veranderde omstandigheden – ik bedoel de enorme impact van de oorlog die Israël voert, het wereldwijd opnieuw opgekomen antisemitisme – zorgen voor mij ook voor een nieuwe realiteit. Het gevoel van ‘het hemd is nader dan de rok’ bekruipt mij. Een gevoel dat ik eigenlijk niet wil toelaten, maar waar ik nauwelijks aan ontkom. Iets doen voor vluchtelingen lijkt ineens minder urgent dan iets doen voor de Joodse gemeenschap, hier in Nederland én in Israël.
Maar wát dan? Wat kúnnen we doen? Demonstreren? Een petitie ondertekenen? Politiek actief worden? Vredesinitiatieven steunen? Helpt dat? Wordt de wereld daar beter van? Helpen we onze Joodse gemeenschap daarmee?
Misschien moet ik het komende jaar moediger zijn en mij meer uitspreken. Oók als er binnen de Joodse gemeenschap teveel vanuit de onderbuik geacteerd en gereageerd wordt. Als – met de beste bedoelingen, daarvan ben ik overtuigd – onze vrienden van ons vervreemd worden door iedere keer weer met beschuldigingen over antisemitisme te komen. Antisemitisme dat groeiend is, zeker. Maar onze vrienden mogen kritisch zijn, zonder dat ze dit onterechte stempel opgedrukt krijgen.
Nóg belangrijker is misschien iets doen aan de ongebreidelde polarisatie, ook binnen de Joodse gemeenschap. We moeten de boel bij elkaar houden, nu misschien wel meer dan ooit. Maar wat kan ik daar als individu aan bijdragen? Heb jij een idee?
A goet johr, lieve Asjer, ik wens jou een mooi, vredig, en honingzoet nieuw Joods jaar.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 19 september 2025.
Lieve Asjer,
Deze brief ontvang je waarschijnlijk een paar dagen voor Rosj Hasjana, Joods nieuwjaar. Die ‘vertaling’ van Rosj Hasjana moeten we trouwens hoognodig veranderen. Ja, het gaat natuurlijk over het begin van een nieuw Joods jaar, maar wel op een heel andere manier dan in de ons omringende cultuur. De betekenis van Rosj Hasjana ontgaat de meesten. Laatst kreeg ik ook weer de opmerking dat wij Joden het toch wel goed getroffen hebben: twee keer champagne, oliebollen en vuurwerk. Die twee keer champagne spreekt mij trouwens wel aan. Maar goed: ik nog eens uitleggen dat er een andere betekenis is, dat we oliebollen inruilen voor appeltjes met honing, dat we geen vuurwerk afsteken. Ik weet niet of het helemáál overkwam. Kunnen we een andere vertaling bedenken?
Eén van de gebruiken van het 31-december-oud-en-nieuw hebben we trouwens overgenomen: terugblikken op het voorbije jaar. Maar hoe zit het met de blik op de toekomst, met het maken van goede voornemens voor het nieuwe jaar? Doen wij daar ook aan? In eerste instantie dacht ik van niet. Maar tesjoewa, het belangrijkste thema van de Hoge Feestdagen, heeft natuurlijk een beetje met goede voornemens te maken: wat heb ik verkeerd gedaan, wat kan ik volgend jaar verbeteren?
Daar heb ik eens goed over zitten denken. Wat zou ik als individu tacheles kunnen bijdragen om van 5786 een beter jaar te maken? Om eerlijk te zijn: best een lastige vraag. Na het overlijden van L., nu alweer twee jaar geleden, en het wegvallen van R. door zijn ongeluk, is het activistische vlammetje bij mij een beetje gedoofd. Ik vind het zelf een bittere constatering, maar de gein is er voor mij af. Ik voel ook dat ik er de koach niet meer voor heb. De plannen, bijvoorbeeld, die R. en ik hadden om iets voor vluchtelingen op te zetten, ons project De Hartwinkel, gebaseerd op het Britse succesvolle Choose Love, is in de ijskast beland. En ik realiseer me dat ze daar waarschijnlijk voor altijd in blijven liggen.
De veranderde omstandigheden – ik bedoel de enorme impact van de oorlog die Israël voert, het wereldwijd opnieuw opgekomen antisemitisme – zorgen voor mij ook voor een nieuwe realiteit. Het gevoel van ‘het hemd is nader dan de rok’ bekruipt mij. Een gevoel dat ik eigenlijk niet wil toelaten, maar waar ik nauwelijks aan ontkom. Iets doen voor vluchtelingen lijkt ineens minder urgent dan iets doen voor de Joodse gemeenschap, hier in Nederland én in Israël.
Maar wát dan? Wat kúnnen we doen? Demonstreren? Een petitie ondertekenen? Politiek actief worden? Vredesinitiatieven steunen? Helpt dat? Wordt de wereld daar beter van? Helpen we onze Joodse gemeenschap daarmee?
Misschien moet ik het komende jaar moediger zijn en mij meer uitspreken. Oók als er binnen de Joodse gemeenschap teveel vanuit de onderbuik geacteerd en gereageerd wordt. Als – met de beste bedoelingen, daarvan ben ik overtuigd – onze vrienden van ons vervreemd worden door iedere keer weer met beschuldigingen over antisemitisme te komen. Antisemitisme dat groeiend is, zeker. Maar onze vrienden mogen kritisch zijn, zonder dat ze dit onterechte stempel opgedrukt krijgen.
Nóg belangrijker is misschien iets doen aan de ongebreidelde polarisatie, ook binnen de Joodse gemeenschap. We moeten de boel bij elkaar houden, nu misschien wel meer dan ooit. Maar wat kan ik daar als individu aan bijdragen? Heb jij een idee?
A goet johr, lieve Asjer, ik wens jou een mooi, vredig, en honingzoet nieuw Joods jaar.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 19 september 2025.
vrijdag 19 september 2025
Brief van Asjer, 12 september 2025
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.
Lieve Pap,
Afgelopen zondag vierde de Portugese synagoge in Amsterdam haar 350-jarig bestaan. Het was een feest dat verleden en heden samenbracht: muziek die eeuwen overspant, woorden die richting toekomst wijzen. Met mooie toespraken en – jouw ‘monarchistische hart’ moet hebben gejubeld – in aanwezigheid van de koning zelf. Het was bijzonder om daar te zijn. Naast de onvermijdelijke nostalgie klonk er ook hoop: de oproep van voorzitter Samama om een nieuwe generatie op te leiden, stevig geworteld in traditie en tegelijk met open blik op de toekomst. Dat klonk mij als muziek in de oren.
De Portugese Synagoge zelf is daar misschien wel het mooiste voorbeeld van; het is een toonbeeld van integratie. Tijdens het inwijdingsfeest in 1675 klonk er een week lang speciaal gecomponeerde muziek. Barokke vieringen, geheel in lijn met de kunstzinnige overtuigingen van die tijd. De Portugese Joden waren onderdeel van de eigen traditie en van de bredere samenleving. Joods en Nederlands, beide met evenveel trots en overtuiging. De bouw van de synagoge was een immens project, het werd in die tijd de grootste synagoge van heel Europa. Open en bloot voor iedereen om te zien en te bewonderen. Joods leven in de openbare ruimte, zonder voorbehoud. Of in de woorden van de voorzitter: “zij bouwden geen schuilplaats maar een monument, geen vesting maar een synagoge.”
Het voorbeeld van de Snoge en de Portugese Joden is er een dat wij ter harte zouden moeten nemen, juist nu. Sinds 7 oktober 2023 zie ik hoe integratie binnen onze gemeenschap soms plaatsmaakt voor terugtrekking. Wantrouwen groeit, richting de samenleving en haar instituties. Richting het niet-Joodse deel van de samenleving, de NOS, de politie, en ga zo maar door. Mensen zoeken beschutting, bouwen muren - van steen of van gedachten.
De dreiging is reëel, en het toenemende antisemitisme dwingt velen daartoe. Maar er is ook een andere laag: vertrouwen blijft, tot op zekere hoogte, een keuze. Ik heb er altijd veel baat bij gehad te zijn opgegroeid in een gezin waar men niet achter elke boom een antisemiet ziet, zoals je zelf in je laatste brief schrijft. Om dat niet te doen is niet iets dat je overkomt, maar een keuze die je maakt. Een keuze om in beginsel uit te gaan van het goede van de mens. Om ‘ieder mens in een positief licht te beoordelen’, zoals Leo Mock en Marcel Poorthuis de woorden uit Pirke Avot 1:6 vertaald hebben. Om er van uit te gaan dat de meeste mensen geen antisemiet zijn.
Misschien lijkt dat soms naïef. Maar ik geloof dat juist zo’n houding het jodendom kan laten bloeien: stevig geworteld, zichtbaar in de samenleving en open naar de toekomst. Het soort jodendom waar de Portugese synagoge een getuige van is. Geïntegreerd in de rest van de samenleving, voor zover wij daar zelf invloed op hebben. En wie weet, over 350 jaar, spreekt men nog steeds met bewondering over de keuzes die wij nu maken.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 12 september 2025.
Lieve Pap,
Afgelopen zondag vierde de Portugese synagoge in Amsterdam haar 350-jarig bestaan. Het was een feest dat verleden en heden samenbracht: muziek die eeuwen overspant, woorden die richting toekomst wijzen. Met mooie toespraken en – jouw ‘monarchistische hart’ moet hebben gejubeld – in aanwezigheid van de koning zelf. Het was bijzonder om daar te zijn. Naast de onvermijdelijke nostalgie klonk er ook hoop: de oproep van voorzitter Samama om een nieuwe generatie op te leiden, stevig geworteld in traditie en tegelijk met open blik op de toekomst. Dat klonk mij als muziek in de oren.
De Portugese Synagoge zelf is daar misschien wel het mooiste voorbeeld van; het is een toonbeeld van integratie. Tijdens het inwijdingsfeest in 1675 klonk er een week lang speciaal gecomponeerde muziek. Barokke vieringen, geheel in lijn met de kunstzinnige overtuigingen van die tijd. De Portugese Joden waren onderdeel van de eigen traditie en van de bredere samenleving. Joods en Nederlands, beide met evenveel trots en overtuiging. De bouw van de synagoge was een immens project, het werd in die tijd de grootste synagoge van heel Europa. Open en bloot voor iedereen om te zien en te bewonderen. Joods leven in de openbare ruimte, zonder voorbehoud. Of in de woorden van de voorzitter: “zij bouwden geen schuilplaats maar een monument, geen vesting maar een synagoge.”
Het voorbeeld van de Snoge en de Portugese Joden is er een dat wij ter harte zouden moeten nemen, juist nu. Sinds 7 oktober 2023 zie ik hoe integratie binnen onze gemeenschap soms plaatsmaakt voor terugtrekking. Wantrouwen groeit, richting de samenleving en haar instituties. Richting het niet-Joodse deel van de samenleving, de NOS, de politie, en ga zo maar door. Mensen zoeken beschutting, bouwen muren - van steen of van gedachten.
De dreiging is reëel, en het toenemende antisemitisme dwingt velen daartoe. Maar er is ook een andere laag: vertrouwen blijft, tot op zekere hoogte, een keuze. Ik heb er altijd veel baat bij gehad te zijn opgegroeid in een gezin waar men niet achter elke boom een antisemiet ziet, zoals je zelf in je laatste brief schrijft. Om dat niet te doen is niet iets dat je overkomt, maar een keuze die je maakt. Een keuze om in beginsel uit te gaan van het goede van de mens. Om ‘ieder mens in een positief licht te beoordelen’, zoals Leo Mock en Marcel Poorthuis de woorden uit Pirke Avot 1:6 vertaald hebben. Om er van uit te gaan dat de meeste mensen geen antisemiet zijn.
Misschien lijkt dat soms naïef. Maar ik geloof dat juist zo’n houding het jodendom kan laten bloeien: stevig geworteld, zichtbaar in de samenleving en open naar de toekomst. Het soort jodendom waar de Portugese synagoge een getuige van is. Geïntegreerd in de rest van de samenleving, voor zover wij daar zelf invloed op hebben. En wie weet, over 350 jaar, spreekt men nog steeds met bewondering over de keuzes die wij nu maken.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 12 september 2025.
Abonneren op:
Reacties (Atom)