In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.
Lieve Asjer,
Als ik de boze buitenwereld even buitensluit, is het leven goed. Je moeder en ik genieten volop. Sinds begin januari hebben we ‘het hele spul weer bij elkaar’. Jij bent na een paar maanden terug uit Jeruzalem, je zus na elf jaar (!) terug uit Londen. We keken daar natuurlijk naar uit, maar dat we het zó fijn zouden vinden … daar zijn we zelf eigenlijk best door verrast.
Ook al woon je nu weer wat dichterbij, we blijven elkaar schrijven. Toch? De laatste brief die jij uit Jeruzalem schreef, was enige tijd onderweg, die is blijkbaar even bij de posterijen blijven liggen. Maar wát je schreef is geenszins achterhaald.
Ik ben er trots op dat je ‘om je heen hebt gekeken’. Dat je van de gelegenheid gebruik hebt gemaakt om tijdens je verblijf in Israël een tour te maken op de Westoever. Dat je met eigen ogen hebt willen zien in wat voor omstandigheden Palestijnen daar leven. Je kunt immers geen betere indruk krijgen dan die van je eigen waarnemingen. Je moet me daar binnenkort eens uitvoerig over vertellen.
Je moeder en ik zijn een paar jaar geleden vanuit Jeruzalem naar Ramallah en Camp Qalandia geweest. Dat is natuurlijk maar een klein stukje van de Westbank. Buiten een stad als Ramallah zal het leven er anders uitzien. Maar ik ben blij dat we dat destijds gedaan hebben. We hebben ervaren hoe – ondanks alle beperkingen – mensen ook daar proberen een zinvol leven te leiden. Hard te werken, kinderen op te voeden, te studeren. Dat heeft onze meningsvorming tóch een beetje veranderd. Terzijde: ik weet nu ook hoe dat ‘Camp Qalandia’ eruitziet. Niet als een kamp, daar heb ik een ander beeld van.
Je schreef dat je tijdens je verblijf in Israël had besloten om het nieuws wat minder te volgen. Eigenlijk schrok ik daar een beetje van. Ik heb die neiging de laatste tijd ook, maar ik ben dan ook een stukje ouder. Ik realiseer me heel goed dat we daarmee aan het ‘struisvogelen’ zijn. We sluiten ons een beetje af voor al het slechte nieuws dat dagelijks op ons afkomt. We genieten bewust van andere dingen, dichter bij onszelf, waar we wél blij van worden. Jij onder andere van het bestuderen van Joodse bronnen van tweeduizend jaar geleden. Ik richt mij meer dan vroeger op de mensen om mij heen die ertoe doen, ik probeer meer te genieten van een museumbezoek, van een diner met goede vrienden, van een ‘tussendoor’ reisje. Dat soort dingen. En tegelijkertijd schamen we ons een beetje, want de wereld wordt er niet beter op als wij besluiten geen kennis te nemen van alle ellende. En we voelen ons eigenlijk verplicht om het nieuws wél te volgen, uit een soort solidariteit.
Niet voor niets schrijf jij: ‘Educate yourself, onderwijs jezelf over de misstanden in de wereld … dan, zo lijkt de impliciete belofte, zal de wereld er beter uitzien. Waarschijnlijk is het niet zo simpel, maar misschien vormt kennis wel een begin.’
Tot slot: omdat je het nieuws wat minder volgde, hoefde je je ook geen zorgen te maken over de troosteloze prestaties van Ajax, schreef je. Dat deed me even denken aan die sjlemiel die op vrijdagmiddag thuiskomt en een brief van de Belastingdienst op de mat vindt. Hij pakt de brief op, legt hem op het dressoir en zegt tegen zijn vrouw: ‘Oj weh, wat zal ik schrikken na sjabbes.’
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 23 januari 2026.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten