vrijdag 27 februari 2026

Brief aan Asjer, 20 februari 2026

In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.


Lieve Asjer,

Rabbijn Asjer Waterman. Ik weet dat ik je hier niet echt een plezier mee doe, dat je niet zo graag in het middelpunt van de belangstelling staat. Maar ik kan het er niet, niet over hebben. Sorry. Zondag 1 februari 2026 staat voor de rest van mijn leven in m’n geheugen gegrift: de dag dat jij je semicha, je rabbinale bevoegdheid ontving. Wat was het een prachtige dag, wat werd jij door iedereen bekowedlich toegesproken. Het was letterlijk één groot feest.

Ik zou m’n hele brief makkelijk aan deze grote simche kunnen wijden. Doe ik niet. Laat me één ding benoemen, iets dat mij trof. Niet wat jij verwacht, denk ik.

In jouw toespraak vertelde je over de vraag die jij zes jaar geleden, in de periode dat je overwoog de opleiding tot rabbijn te gaan volgen, van diverse kanten gesteld kreeg: waarom zou je rabbijn willen worden? Jij antwoordde: “Omdat ik het jodendom gewoon heel leuk vind … omdat het mij een leven van betekenis en plezier geeft.” Simpel en niet heel diepgravend, zo bestempelde jij je eigen antwoorden. Dat kan zo zijn, maar op mij maakten ze indruk. Jouw woorden sloten namelijk naadloos aan op wat ik een kwartiertje later in mijn toespraak tegen jou zei – ik citeer mezelf: “… we moeten vooral vooruitkijken. We moeten ons richten op al het moois dat het jodendom te bieden heeft.”

We hadden het over hetzelfde. We hadden het allebei over de toekomst, over een mooie toekomst voor het Joodse volk. We brachten, vind ik, een boodschap van hoop.

Diezelfde hoop had ik afgelopen week bij een ontmoeting met dr. David Hasan. Wat een ongelooflijk fantastische en bevlogen man! David Hasan is geboren in Koeweit in een Palestijnse familie van de Westbank. Op 18-jarige leeftijd verhuisde hij naar Amerika, waar hij nu werkt als chirurg en verbonden is aan Duke University in North Carolina. Hij werkte als arts in Gaza, behandelde kinderen die gewond zijn geraakt door de oorlog en realiseerde zich hoe getraumatiseerd deze kinderen zijn. In april 2025 richtte hij ‘The Gaza Children Village’ op, een NGO die inmiddels meer dan 20.000 kinderen heeft bereikt. The Gaza Children Village biedt dagelijks onderwijs, maaltijden, gezondheidszorg en traumagerichte psychosociale hulp. De stichting werkt deels met Israëlisch geld, afkomstig van NGO’s als IsraAid, maar ook van donaties van meelevende Israëlische burgers.

Zo’n initiatief, daar word ik gelukkig van. Hasan denkt en werkt pragmatisch, zijn focus ligt op het heden: hij pakt de ondervoeding van kinderen in de Gazastrook aan en hij richt scholen op met een Israël-vriendelijk curriculum. Vooral dat laatste spreekt mij aan, het is de enige weg die kan leiden naar een vreedzamer toekomst.

Fondsenwerving voor getroffenen in Israël, volwassenen en kinderen, is belangrijk. Daar houd ik me bij Israëlactie nog steeds mee bezig. Er is veel geld nodig om te voorkomen dat grote groepen kinderen opgroeien met trauma’s. Als zij geen behandeling en therapie krijgen, lopen we het risico dat er straks honderdduizenden Israëli’s met een ernstige vorm van PTSD door het leven gaan. Gelukkig lukt het ons nog steeds om hier donaties voor te vinden. Dat organisaties als The Children Village dit voor kinderen in Gaza doen, stemt mij optimistisch.

Jij vraagt je af - ik citeer nog één keer uit jouw toespraak tijdens je semicha: “Wat vertellen we onze kinderen?” Die vraag durf ik wel te beantwoorden. We moeten onze kinderen ervan overtuigen dat er een mooie toekomst gloort als zij dat willen. Als zij bereid en in staat zijn om vijanddenken van zich af te schudden en ‘de Ander’ als mens te zien. Dat is een levenshouding die we kinderen kunnen bijbrengen, als wij ze dat willen vóórleven. Het kàn wel.

Je liefhebbende vader,

Michel


Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 20 februari 2026.

vrijdag 13 februari 2026

Brief van Asjer, 6 februari 2026

In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.


Lieve Pap,

Inmiddels zijn we allemaal weer gewoon in Amsterdam. Dat is best weer even wennen. De dagelijkse lessen maken plaats voor vergaderingen en beleidsstukken. Ik had best nog even in Jeruzalem willen blijven, maar het gewone leven gaat weer door.

Het is ook goed om de periode in Israël niet helemaal op te hemelen. Ik houd van het land, van de mensen en van de Israëlische cultuur. En als het even kan, wil ik snel ook weer terug. Maar het was op mijn laatste dag in Israël dat ik ook geconfronteerd werd met het feit dat deze plek waar ik van hou in de laatste jaren fundamenteel is veranderd.

Op die dag besloot ik nog twee dingen te doen voor ik terug zou gaan naar Nederland: een bezoek brengen aan de beroemde Mir Yeshiva en aan de Tempelberg. Op de Tempelberg zijn wij toen ik klein was wel eens geweest geloof ik, maar ik heb daar eigenlijk geen herinneringen aan en dus wilde ik er graag heen. Eenmaal bij de ingang aangekomen werd mij verteld dat ik niet alleen de berg op mocht, maar alleen samen met een groep, onder politie-escorte. Nadat de groep compleet was, gingen we de berg op en werden we rondgeleid. So far so good. Tot we doorliepen naar de achterkant van de berg, aan de kant waar je uitkijkt op de Olijfberg. Daar aangekomen begonnen een aantal leden van de groep ineens te davvenen.

Enigszins verbaasd keek ik om mij heen om te zien hoe anderen hierop zouden reageren. De afspraken tussen Israël en Jordanië – wiens Waqf op de Tempelberg de scepter zwaait – verbieden Joden immers om daar te bidden. Maar niemand leek echt verbaasd. Ik besloot maar even te wachten tot de groep verder zou lopen om de tour te vervolgen.

Maar dat davvenen duurde langer dan verwacht. En na een minuut of tien besloot ik één van de meegelopen agenten te vragen waar we nu eigenlijk op aan het wachten waren. Hij wees naar de mannen die inmiddels languit op de grond lagen en zei dat we moesten wachten tot zij hun gebed hadden afgerond. En nee, ik mocht niet in mijn eentje rondlopen. Toen ik daarop antwoordde dat ik niet goed begreep waarom ik daarop zou moeten wachten, en dat het bovendien verboden is om te davvenen op de Tempelberg, werd de desbetreffende agent woest. Wie ik wel niet dacht dat ik was om de Israëlische politie te vertellen wat er wel en niet mag op de Tempelberg.

Lang verhaal kort: na een reeks verbale intimidaties en het fotograferen van zowel mijzelf als mijn paspoort werd mij verboden nog langer op de Tempelberg te blijven. Ik werd naar beneden begeleid, waar mij te kennen werd gegeven dat ik de wet had overtreden door onrust te veroorzaken op de Tempelberg. En dat ik bovendien zou worden aangeklaagd als ik zoiets ooit nog eens zou proberen.

Het past in de berichten die je de laatste jaren in het nieuws leest. Waar de politie ooit optrad tegen personen die tegen de regels in toch begonnen te bidden op de Tempelberg, wordt dat gebed nu steeds meer door de politie toegelaten. Met dank een minister Ben-Gvir en zijn trawanten. En wie het waagt daar iets over te zeggen, riskeert het om opgepakt te worden door de Israëlische politie en onder valse beschuldigingen te worden aangeklaagd.

Dat is de democratie anno 2026 in Israël. En alhoewel het natuurlijk geen prettige ervaring is om bijna opgepakt te worden door de Israëlische politie, is het toch een goede ervaring geweest. Omdat juist wij die van Israël houden ons niet van de veranderde realiteit mogen afkeren. Anders is er straks misschien geen democratisch Israël meer om snel weer naar terug te gaan.

Liefs,

Asjer


Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 6 februari 2026.

vrijdag 30 januari 2026

Brief aan Asjer, 23 januari 2026

In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.


Lieve Asjer,

Als ik de boze buitenwereld even buitensluit, is het leven goed. Je moeder en ik genieten volop. Sinds begin januari hebben we ‘het hele spul weer bij elkaar’. Jij bent na een paar maanden terug uit Jeruzalem, je zus na elf jaar (!) terug uit Londen. We keken daar natuurlijk naar uit, maar dat we het zó fijn zouden vinden … daar zijn we zelf eigenlijk best door verrast.

Ook al woon je nu weer wat dichterbij, we blijven elkaar schrijven. Toch? De laatste brief die jij uit Jeruzalem schreef, was enige tijd onderweg, die is blijkbaar even bij de posterijen blijven liggen. Maar wát je schreef is geenszins achterhaald.

Ik ben er trots op dat je ‘om je heen hebt gekeken’. Dat je van de gelegenheid gebruik hebt gemaakt om tijdens je verblijf in Israël een tour te maken op de Westoever. Dat je met eigen ogen hebt willen zien in wat voor omstandigheden Palestijnen daar leven. Je kunt immers geen betere indruk krijgen dan die van je eigen waarnemingen. Je moet me daar binnenkort eens uitvoerig over vertellen.

Je moeder en ik zijn een paar jaar geleden vanuit Jeruzalem naar Ramallah en Camp Qalandia geweest. Dat is natuurlijk maar een klein stukje van de Westbank. Buiten een stad als Ramallah zal het leven er anders uitzien. Maar ik ben blij dat we dat destijds gedaan hebben. We hebben ervaren hoe – ondanks alle beperkingen – mensen ook daar proberen een zinvol leven te leiden. Hard te werken, kinderen op te voeden, te studeren. Dat heeft onze meningsvorming tóch een beetje veranderd. Terzijde: ik weet nu ook hoe dat ‘Camp Qalandia’ eruitziet. Niet als een kamp, daar heb ik een ander beeld van.

Je schreef dat je tijdens je verblijf in Israël had besloten om het nieuws wat minder te volgen. Eigenlijk schrok ik daar een beetje van. Ik heb die neiging de laatste tijd ook, maar ik ben dan ook een stukje ouder. Ik realiseer me heel goed dat we daarmee aan het ‘struisvogelen’ zijn. We sluiten ons een beetje af voor al het slechte nieuws dat dagelijks op ons afkomt. We genieten bewust van andere dingen, dichter bij onszelf, waar we wél blij van worden. Jij onder andere van het bestuderen van Joodse bronnen van tweeduizend jaar geleden. Ik richt mij meer dan vroeger op de mensen om mij heen die ertoe doen, ik probeer meer te genieten van een museumbezoek, van een diner met goede vrienden, van een ‘tussendoor’ reisje. Dat soort dingen. En tegelijkertijd schamen we ons een beetje, want de wereld wordt er niet beter op als wij besluiten geen kennis te nemen van alle ellende. En we voelen ons eigenlijk verplicht om het nieuws wél te volgen, uit een soort solidariteit.

Niet voor niets schrijf jij: ‘Educate yourself, onderwijs jezelf over de misstanden in de wereld … dan, zo lijkt de impliciete belofte, zal de wereld er beter uitzien. Waarschijnlijk is het niet zo simpel, maar misschien vormt kennis wel een begin.’

Tot slot: omdat je het nieuws wat minder volgde, hoefde je je ook geen zorgen te maken over de troosteloze prestaties van Ajax, schreef je. Dat deed me even denken aan die sjlemiel die op vrijdagmiddag thuiskomt en een brief van de Belastingdienst op de mat vindt. Hij pakt de brief op, legt hem op het dressoir en zegt tegen zijn vrouw: ‘Oj weh, wat zal ik schrikken na sjabbes.’

Je liefhebbende vader,

Michel


Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 23 januari 2026.

vrijdag 16 januari 2026

Brief van Asjer, 9 januari 2026

In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.


Lieve Pap,

Heb je soms ook wel eens dat je het liefst alle kranten en TV een tijdje overslaat? Nu ik hier in Jeruzalem zit merk ik dat ik een stuk minder nieuws tot mij neem. De NOS-app op mijn telefoon blijft vaker ongeopend en het digitale krantenabonnement wordt steeds minder gebruikt. Ik hoef mij geen zorgen te maken om de troosteloze prestaties van Ajax, noch om de meest recente ontwikkelingen rondom het Concertgebouw. Om in plaats daarvan mijn tijd te besteden aan debatten tussen rabbijnen van een kleine 2.000 jaar geleden voelt als een luxe.

Tegelijkertijd schuurt het, dat verlangen om je af te sluiten van de wereld. Terwijl ik dit schrijf, raast storm Byron over Israël. Straten zijn ondergelopen, mensen zitten vast in hun auto’s. Twee meisjes raakten gewond door een omvallende boom. En dat is nog hier, in omstandigheden die relatief veilig zijn. Het is nauwelijks voorstelbaar hoe het leven er op dit moment uitziet voor ontheemde Palestijnen in Gaza.

Ik heb het gevoel wij als mensen een zekere verantwoordelijkheid dragen om ons te informeren over wat er in de wereld gebeurt. Heb jij dat ook? Vanuit die gedachte heb ik mij opgegeven voor een tour op de Westbank, gericht op de recente escalatie van geweld door Joodse kolonisten tegen de Palestijnse bevolking. Naast het duiden van de actualiteit omvat het programma ontmoetingen met Palestijnse activisten die via geweldloos verzet proberen de bezetting te doorbreken. Die kennis tot mij nemen, voelt als het minste dat ik kan doen.

Tijdens een van de gesprekken op de jesjiewe bespraken we de verschillende verklaringen op een vers uit Spreuken: “Onderwijs het kind naar zijn weg”. Het is een opmerkelijke plek, die jesjiewe, gevuld met mensen uit alle windstreken die hier samenkomen om die eeuwenoude bronnen te bestuderen. Maar wat is het eigenlijk - vroegen wij ons naar aanleiding van de commentaren af – dat je hoopt dat die kennis vervolgens met je doet? Welke transformatie verwacht je dan van jezelf? Wat zou er anders moeten worden?

Educate yourself is een leus die je steeds vaker hoort. Onderwijs jezelf. Over de misstanden in de wereld. Over institutioneel racisme. Over het koloniale verleden. En vervolgens, zo lijkt de impliciete belofte, zal de wereld er beter uitzien. Waarschijnlijk is het niet zo simpel, maar misschien vormt kennis wel een begin. Of in elk geval: het minste dat we kunnen doen.

En dus open ik die NOS-app af en toe weer, al is het maar vluchtig, terwijl ik tegelijkertijd dankbaar ben voor de mogelijkheid me hier iets meer te onttrekken aan de constante stroom van prikkels. Met een soort geleende nostalgie denk ik terug aan een tijd die ik zelf nooit heb meegemaakt: toen jij mijn had en de wereld zich vermoedelijk minder onophoudelijk aan je opdrong. Maar misschien romantiseer ik dat verleden te veel. Ik hoor je al zeggen dat ik het te eenvoudig voorstel. En waarschijnlijk heb je dan gelijk.

Liefs,

Asjer


Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 9 januari 2026.

vrijdag 5 december 2025

Brief aan Asjer, 28 november 2025

In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.


Lieve Asjer,

Wat een mooi verhaal stuurde je! De rosj van jouw jesjiewe die het voor elkaar kreeg om bij de Kotel in gesprek te komen met zo’n schreeuwende nudnik die niets moet hebben van een actieve rol van vrouwen. En dat die twee mannen op voorhand het oordeel van de masjiach accepteren, als die eenmaal gekomen is, ook als die het gelijk van de ander zou bevestigen. Prachtig!

Jouw verhaal gaf me hoop. Had jij dat zelf ook? Hoop die we hard nodig hebben. Ik verzet me altijd tegen negativisme, maar soms word ik toch wat moedeloos. Misschien kun jij me moed inpraten.

IDFA heb ik dit jaar overgeslagen. Met de stupide boycot van Israëlische cineasten (stupide, want écht gericht op de verkeerde mensen) kan ik niet leven. Ik heb ze, zeg maar, terug-geboycot. Dat kostte me moeite, ook omdat ik vind dat we ons niet moeten terugtrekken uit de maatschappij. Die reflex is verklaarbaar door alle vervelende dingen die op ons afkomen. Toch moeten we daarvoor waken.

Maar het wordt ons niet altijd makkelijk gemaakt. Ik heb me, bijvoorbeeld, vreselijk opgewonden over twee artikelen in Het Parool. Tsja, moet ik die krant dan opzeggen? En welke krant zou ik dan wel kunnen lezen?

Eén artikel stond online, vorige maand al. Ene Mark van Assen schreef over de wederopbouw van Gaza. Hij geeft een treurigmakende opsomming van het aantal verwoeste gebouwen, de hoeveelheid puin die moet worden opgeruimd, et cetera. Echt verschrikkelijk. De cijfers haalt hij uit een rapport van Unep (pun not intended), het milieuprogramma van de Verenigde Naties. De genoemde cijfers zijn ongelooflijk hoog … en oncontroleerbaar. Ik gaf Van Assen en Unep graag het voordeel van de twijfel. Tot ik de kop boven het artikel las: “De wederopbouw van Gaza kan 350 jaar duren”. Natúúrlijk, 350 jaar. Waarom geen 3500 jaar? Zouden de Gazanen over 35 jaar misschien al een heel eind zijn? Waarom zo’n belachelijke overdrijving? Het stoort me omdat het bij de argeloze lezer een beeld oproept. Een beeld dat zonder bizarre uitvergroting al erg genoeg is en dat extra kwaad bloed zet bij een argeloze lezer. En ja, dan vraag ik me af: stommiteit of risjes?

Misschien nog wel erger was een Parool-artikel, een paar dagen geleden, van Marcel Wiegman. Nóg erger omdat Wiegman een ervaren journalist is. Hij beschrijft de kritiek van 25 procent van de werknemers van het Concertgebouw op het compromis over het optreden van chazzan Shai Abramson. Abramsons band met de IDF blijft een obstakel. En dan schrijft Wiegman, zonder blikken of blozen: “Op filmpjes is hij in legeruniform te zien, terwijl hij de oorlog in Gaza bezingt.” Waaaattt? Heb je die filmpjes zelf gezien, Wiegman? En is je Hebreeuws zo wonderbaarlijk goed dat je hoorde dat deze chazzan over de oorlog in Gaza zong? En wat zong hij dan precies? Of blijk je gewoon een slechte journalist te zijn en heb je misschien een propagandatekst van een Hamas-persvoorlichter overgenomen?

Asjer, je moeder heeft Wiegman een vriendelijke mail gestuurd en naar zijn bedoeling gevraagd. Zijn reactie kun je raden: stilzwijgen.

Dit soort ophitsende onzin lezen we bijna dagelijks. Het wordt tijd dat er iets drastisch verandert. Ik geloof niet zo in de komst van de masjiach. Dat wil zeggen: ik wacht op de komst van een ‘masjiach-tijd’, niet zozeer op de komst van de masjiach als een persoon. Mocht ik me vergissen, kan hij of zij dan misschien een beetje haast maken?

Je liefhebbende vader,

Michel


Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 28 november 2025.

vrijdag 21 november 2025

Brief van Asjer, 14 november 2025

In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.


Lieve Pap,

In de jesjiewe waar ik een tijdje verblijf, is het gebruikelijk om op woensdagochtend sjachariet te davvenen bij de Kotel. De jesjiewe is egalitair, vrouwen hebben net als bij ons in de LJG dezelfde rol in de dienst als mannen. Dit gemengde gezelschap kan, zoals je begrijpt, niet terecht bij de ‘gewone’ Kotel. Wij davvenen in het stukje daarnaast, het relatief nieuwe stuk naast de Kotel waar de progressief-Joodse stromingen een plek hebben.

Niet zelden leidt het feit dat mannen en vrouwen daar samen staan tot een confrontatie met voorbijgangers. Ultraorthodoxe mannen proberen dan de dienst te verstoren. ‘Sjiekse!’ wordt er naar onze vrouwen geroepen. Wat wij doen wordt gezien als een regelrechte aanval op de Joodse traditie. De confrontatie is doorgaans eenzijdig, met dit soort risjesmakers valt niet te praten.

Maar laatst kwam het in zo’n confrontatie toch tot een gesprek. Eén van de verstoorders raakte in gesprek met onze rosj jesjiewe, de rabbijn die aan het hoofd van ons instituut staat. ‘Hoe kan het toch’, vroeg die man, ‘dat jullie dingen doen die lijnrecht tegen de halacha ingaan?’

Onze rosj jesiewe legde uit dat hij vindt dat een egalitaire dienst helemaal niet ingaat tegen de halacha. ‘Sterker nog,’ zei hij, ‘ik meen dat de halacha voorschrijft dat vrouwen deelhebben aan de mitswot. Dat is de manier waarop ik de halacha lees.’ De man tegenover hem leek het even niet te begrijpen. Verwonderd keek hij hem aan en zei: ‘Geloof je echt dat dit de halacha is? Dat mannen en vrouwen samen het gebed kunnen doen?’ ‘Ja,’ antwoordde de rosj jesjiewe.

Er leek iets in de man te veranderen. Het idee dat hij tegenover iemand stond die zich beroept op dezelfde traditie – het feit dat zij in zekere zin dezelfde taal spraken – leek een bijzonder effect te hebben. ‘Maar stel nou dat de masjiach komt,’ zei de man, ‘en die vertelt dat jij het bij het verkeerde eind hebt. Dat egalitaire diensten eigenlijk verboden zijn volgens de halacha. Zou je dan je mening veranderen?’ ‘Als ik het van de masjiach zelf zou horen, dan zou ik dat accepteren,’ antwoordde hij. ‘En jij?’ vroeg hij vervolgens, ‘zou jij er vrede mee hebben als de masjiach komt en verklaart dat de halacha voorschrijft dat vrouwen ook deelhebben aan de mitswot? Zou jij dat accepteren?’ ‘Ja,’ antwoordde de man. ‘Als de masjiach zegt dat ik het bij het verkeerde eind heb, dan kan ik niet anders dan mijn mening bijstellen.’

Even was het stil. Toen zei de man die net nog schreeuwend naar onze groep had staan roepen: ‘Dan zit er eigenlijk niets anders op dan geduld te hebben en te wachten tot de tijd komt waar wij allebei naar uitkijken.’ De man is daarna nooit meer tussen de schreeuwers gezien.

Het is soms, zoals je in je laatste brief schrijft, een kwestie van proberen je in te leven in de ander. Door jouw wisseltruc bijvoorbeeld. Of door te zoeken naar een gedeelde taal, naar een vorm van gemeenschappelijkheid die de kloof tussen twee mensen een klein beetje kan overbruggen. Daar, in het midden, kan je elkaar misschien even de hand schudden. Het besef dat je zelf nog wel eens ongelijk zou kunnen hebben vormt daarin een essentieel onderdeel. Tot die tijd kunnen wij alleen maar wachten op het verlossende antwoord.

Liefs,

Asjer


Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 14 november 2025.

zondag 2 november 2025

Brief aan Asjer, 31 oktober 2025

In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.


Lieve Asjer,

Toen ik het huis uitging – ik was 19 en ging studeren in Breda – nam ik voor het eerst zelf een krantenabonnement. Dat werd Het Parool, de krant die ik van thuis kende, de krant die was voortgekomen uit het verzet, die destijds een enigszins linkse signatuur had én die nieuws uit Amsterdam bracht. Aan een krant raak je gehecht, vijfenvijftig jaar later ben ik nog steeds abonnee.

Ik realiseer me dat hier ook een gevaar in schuilt, dat je eigenlijk alleen het nieuws tot je neemt dat je graag wilt lezen, vaak geschreven door journalisten die in je eigen politieke hoek zitten, die dezelfde voorkeuren hebben. Het is belangrijk om ook kennis te nemen van andere invalshoeken. In de loop van de jaren hebben je moeder en ik er dan ook vaak een krant ‘bij’ gehad, maar Het Parool is altijd gebleven.

Columnisten geven een krant kleur, ze zijn in veel gevallen gezichtsbepalend. Denk aan Simon Carmiggelt met zijn Kronkels op pagina drie van Het Parool (sorry, ver voor jouw tijd, dat vergat ik even) of Martin Bril rechtsonder op de voorpagina van de Volkskrant. Ieder dagblad heeft wel zo’n ‘gezichtsbepaler’, vaak meerdere.

Het Parool heeft de laatste tijd stevig ingegrepen in zijn columnistenbestand. Niet zo lang geleden werd Theodor Holman gewipt. Zijn niet-aflatende pro-Israël geluid viel blijkbaar niet goed. Nieuwe Parool-columnisten zijn overduidelijk pro-Palestijns, waar ik niet zo’n moeite mee heb, maar helaas vaak grimmig anti-Israël, wat ik wel problematisch vind. Maar zoals ik al zei: je moet ook schrijvers lezen met een totaal andere mening. Davka!

Eén van de relatief nieuwe Parool-columnisten is Dilara Bilgiç. Ik moet eerlijk bekennen dat ik haar niet altijd lees. Dat wil zeggen: ik begin wel, maar houd het vaak niet vol tot het eind. Bilgiç is zo rabbiaat anti-Israël, dat kan ik moeilijk verdragen. Met alle kritiek die ik zelf op de Israëlische regering heb, stuit de stellingname van Bilgiç me toch vaak tegen de borst. Het kán niet zo zijn dat Israël alleen maar bezig is met oorlogsmisdaden en alle Gazanen, inclusief de Hamasniks, slachtoffer zijn.

Toen ik deze week aan Bilgiçs column begon, dacht ik in eerste instantie ‘daar gaan we weer’. Toch begon ik haar te begrijpen, ik herkende haar gevoelens. Substitutie was de oude en simpele truc die me zover bracht. Ze beschrijft hoe ze zich voelde bij één van de Rode Lijnprotesten, waar ze eerst niet heen wilde. “Uiteindelijk stond ik er toch, met betraande ogen bovendien … niet omdat je niemand om je heen hebt, vooral omdat je dit gevoel niet altijd goed kunt delen.” Goh, herkenbaar dit.

Of: “De agenten naast me vroegen of ik mijn keffiyeh niet beter kon afdoen – ‘grimmige sfeer, mensen staren naar je’ …” Ook herkenbaar toch: keffiyeh – keppel.

Dan haalt Bilgiç theatermaker Laura van Dolron aan die vertelde over een man die tijdens de Vietnamoorlog elke avond met een kaars voor het Witte Huis protesteerde. Toen een journalist hem vroeg of hij echt geloofde iets te veranderen, antwoordde hij: “Ik doe het niet zodat het land verandert. Ik doe het zodat ikzelf niet verander.”

Dit moeten we vasthouden, Asjer. We moeten blijven geloven in onszelf, in onze normen en waarden. En die moeten we blijven uitdragen.

Gut sjabbes!

Je liefhebbende vader,

Michel


Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 31 oktober 2025.