In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Pap,
Het is wat met dat nieuwe kabinet. We hebben er natuurlijk al even aan kunnen wennen dat de PVV nu het centrum van de macht binnen is gekomen, Martin Bosma is al enige tijd Kamervoorzitter en gaf ons daarmee misschien een klein voorproefje. Ook Bosma is enigszins controversieel, zijn eerdere uitspraken over het slavernijverleden brachten de organisatoren van de jaarlijkse slavernijherdenking op 1 juli ertoe om de uitnodiging aan Bosma in zijn functie als voorzitter van de Tweede Kamer in te trekken.
Als Joden weten we hoe belangrijk herdenkingen kunnen zijn. En kunnen we ons ook goed voorstellen hoe het is om - zoals bij de slavernijherdenking het geval is - jaren strijd te moeten leveren voor de erkenning van leed uit het verleden. Ik kan mij om diezelfde reden ook wel inleven in de gevoelens rondom de persoon van Bosma bij die herdenking. Wat zouden wij doen als de Kamervoorzitter of premier in het verleden gezegd zou hebben ‘knettergek te worden’ van al die aandacht voor de Sjoa. Zou die persoon nog welkom zijn bij de Nationale Holocaustherdenking in het Wertheimpark? Ik betwijfel het.
Persoonlijk ben ik blij met al die aandacht voor het slavernijverleden de laatste jaren. De excuses van de premier en de koning (nogmaals, wij Joden weten hoe belangrijk zulke excuses kunnen zijn) het afgelopen herdenkingsjaar, het museum dat momenteel ontwikkeld wordt. Allemaal voorbeelden van die toegenomen aandacht. Daarmee lijkt er ook iets te zijn veranderd in de publieke opinie: waar het besef over het slavernijverleden eerst marginaal was en de gemiddelde Nederlander er niet veel belang aan hechtte, lijkt de meerderheid van de mensen er inmiddels van overtuigd dat die aandacht wel belangrijk is. Dat wij als Nederlandse samenleving het slavernijverleden onder ogen moeten zien en het leed van de nazaten van tot slaaf gemaakten moeten erkennen.
Die verandering in de publieke opinie moeten we niet onderschatten. Wat Bosma ook mag roepen, hij is in de minderheid. De excuses worden niet teruggedraaid, het museum zal er gewoon komen. De meerderheid van de Nederlanders vindt dat allemaal doodnormaal en terecht. In feite hebben Bosma en diegenen die zijn standpunt deelden, verloren en moeten zij nu een manier vinden om zich een houding te geven in de nieuwe realiteit waarin dat slavernijverleden wél de aandacht krijgt die het verdient.
En in die nieuwe realiteit is het aan de meerderheid om daar een beetje mee te helpen. In een democratie is het aan de meerderheid om ook ruimte te geven aan een minderheidsopinie, ook als die de meerderheid tegenstaat. Statements als het niet uitnodigen van de Kamervoorzitter kan ik begrijpen in een context waarin je bewustwording teweeg wilt brengen. Die periode is echter, gelukkig, voorbij. En het is voor degenen die jarenlang de strijd voor de erkenning van het slavernijverleden hebben moeten vechten misschien ook even wennen dat de strijd gewonnen is, en er nu wellicht een andere houding past.
Een houding waarbij wij juist moeten proberen om degenen die altijd aan de andere kant van het debat stonden, te helpen een plek in en berusting met de nieuwe realiteit te vinden. En dat doe je niet door die mensen op afstand te houden maar juist door ze dichtbij te houden en te betrekken. Bosma is niet alleen een symbool van de Tweede Kamer vanuit zijn functie als voorzitter, maar ook symbool voor al die Nederlanders die nog niet de stap hebben gemaakt naar de nieuwe realiteit. Bosma bij de herdenking weghouden is daarom een gemiste kans geweest. Hoe mooi zou het zijn als al die sceptische Nederlanders op het nieuws hadden kunnen zien dat één van de grootste tegenstanders van de aandacht voor het slavernijverleden nu deelneemt aan de herdenking en er zelfs namens het parlement een krans legt? Verandering gaat in kleine stapjes, en deze stap had ik graag willen zien. Wie weet kan het volgend jaar wel zover komen.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 19 juli 2024.
donderdag 25 juli 2024
donderdag 11 juli 2024
Brief aan Asjer, 5 juli 2024
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
“Tijd is een raar concept.” Het is één van de gevleugelde uitdrukkingen van je moeder en ik kan me er wel in vinden. Toen jij begin januari voor een half jaar naar New York vertrok, keek ik daar enorm tegenop: een half jaar is best lang, vond ik. Nu je bijna weer terugkomt, voelt dat heel anders. Dat half jaar ging eigenlijk best snel voorbij. Nou ja, hoe dan ook: dit is de laatste brief die ik naar jouw New Yorkse adres stuur.
In je brief van twee weken geleden zei je dat we eigenlijk niet meer over Israël moesten schrijven, want “er zijn nog zoveel andere dingen waar we het over kunnen hebben.” Ik ben het helemaal met je eens. Des te opmerkelijker dat ik, toen ik achter m’n computer kroop, automatisch begon te schrijven over de zorgen die ik – en ik niet alleen – heb over Hezbollah, over de ontwikkelingen in het noorden van Israël ... Ik heb alles gewist.
Over het vreemde concept ‘tijd’ gesproken. Gisteren moest ik terugdenken aan 16 juni 2017, voor mij een belangrijke datum. Het is de dag dat ik de Andreaspenning van de stad Amsterdam kreeg uitgereikt. Ga ik mezelf nu een beetje veren in m’n toeches steken? Nee, ik wil het met je hebben over de man die de onderscheiding, met een heel aardige speech, aan mij uitreikte. Eberhard van der Laan, de in oktober 2017 overleden burgemeester van Amsterdam, was toen al ernstig ziek. Hij kon die penning niet uitreiken. In zijn plaats kwam locoburgemeester Eric van der Burg, die ik inmiddels in mijn hart heb gesloten.
“Kunsjt,” zul je zeggen, “na het uitreiken van die penning.” Nee, dat is niet de reden, in ieder geval niet de belangrijkste reden. Van der Burg heb ik met name hoog zitten als politicus. Ja, je leest het goed. En nee, ik ben niet van m’n politieke geloof gevallen. De VVD is nog steeds niet mijn partij, maar Van der Burg is wel ‘mijn man’.
Op het moment dat ik dit schrijf, is hij nog nét staatssecretaris voor asiel en migratie. Over een paar dagen zit een PVV’er op zijn stoel. Haar naam ken je, maar die wil ik niet eens noemen of schrijven. Een paar dagen geleden las ik een interview met Van der Burg in Het Parool. Ik was opnieuw van hem onder de indruk, niet alleen van hem als politicus, maar ook als mens.
Van der Burg is een echte liberaal. Als je in termen van links-rechts spreekt, staat hij helemaal links in zijn partij. Dat brengt hem natuurlijk al wat dichterbij. Als politicus durft hij zijn emoties te tonen, hij huilde toen duidelijk werd dat het nieuwe coalitieakkoord er zou komen. En hij neemt geen blad voor de mond. Toen hem in 2016 – hij was toen nog wethouder in Amsterdam – werd gevraagd of hij het een goed idee vond dat de PVV in de gemeenteraad kwam, antwoordde hij: “Racisten in de Raad, dat is geen verrijking voor Amsterdam.” Van die uitspraak kun je vinden wat je wilt, maar het is in ieder geval recht voor z’n raap.
De afgelopen tweeëneenhalf jaar was Van der Burg de bevlogen staatssecretaris voor asiel en migratie. Ik geef het je te doen, bepaald niet de makkelijkste portefeuille. Hij heeft gevochten, hij heeft met alles dat hij in zich had geprobeerd te voorkomen dat asielzoekers (gewoon: mensen) in Ter Apel in het gras moeten slapen. Hij is de man van de zogenoemde spreidingswet, die hij erdoor heeft gekregen. En dan, met het oog op een nieuwe coalitie, wordt die wet onderuitgehaald. Door wie? Door zijn eigen politiek leider én vriendin, in ieder geval politiek vriendin.
Voor mij is het onbegrijpelijk dat je daarna nog met zo’n vriendin door één deur kunt. Maar ja, enige rancune is mij dan ook niet vreemd. Dat geldt niet voor Eric van der Burg. Hij blijft zijn partijleider steunen, hij wil haar zelfs helpen ooit premier van Nederland te worden.
Voor mij hoeft dat niet. Ik zie liever hém als premier, ook al weet ik dat hij zegt dat hij die ambitie absoluut niet heeft. Mocht dat ooit veranderen, mocht hij ooit lijsttrekker worden, dan stem ik op een VVD’er, dan stem ik op Eric van der Burg.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 5 juli 2024.
Lieve Asjer,
“Tijd is een raar concept.” Het is één van de gevleugelde uitdrukkingen van je moeder en ik kan me er wel in vinden. Toen jij begin januari voor een half jaar naar New York vertrok, keek ik daar enorm tegenop: een half jaar is best lang, vond ik. Nu je bijna weer terugkomt, voelt dat heel anders. Dat half jaar ging eigenlijk best snel voorbij. Nou ja, hoe dan ook: dit is de laatste brief die ik naar jouw New Yorkse adres stuur.
In je brief van twee weken geleden zei je dat we eigenlijk niet meer over Israël moesten schrijven, want “er zijn nog zoveel andere dingen waar we het over kunnen hebben.” Ik ben het helemaal met je eens. Des te opmerkelijker dat ik, toen ik achter m’n computer kroop, automatisch begon te schrijven over de zorgen die ik – en ik niet alleen – heb over Hezbollah, over de ontwikkelingen in het noorden van Israël ... Ik heb alles gewist.
Over het vreemde concept ‘tijd’ gesproken. Gisteren moest ik terugdenken aan 16 juni 2017, voor mij een belangrijke datum. Het is de dag dat ik de Andreaspenning van de stad Amsterdam kreeg uitgereikt. Ga ik mezelf nu een beetje veren in m’n toeches steken? Nee, ik wil het met je hebben over de man die de onderscheiding, met een heel aardige speech, aan mij uitreikte. Eberhard van der Laan, de in oktober 2017 overleden burgemeester van Amsterdam, was toen al ernstig ziek. Hij kon die penning niet uitreiken. In zijn plaats kwam locoburgemeester Eric van der Burg, die ik inmiddels in mijn hart heb gesloten.
“Kunsjt,” zul je zeggen, “na het uitreiken van die penning.” Nee, dat is niet de reden, in ieder geval niet de belangrijkste reden. Van der Burg heb ik met name hoog zitten als politicus. Ja, je leest het goed. En nee, ik ben niet van m’n politieke geloof gevallen. De VVD is nog steeds niet mijn partij, maar Van der Burg is wel ‘mijn man’.
Op het moment dat ik dit schrijf, is hij nog nét staatssecretaris voor asiel en migratie. Over een paar dagen zit een PVV’er op zijn stoel. Haar naam ken je, maar die wil ik niet eens noemen of schrijven. Een paar dagen geleden las ik een interview met Van der Burg in Het Parool. Ik was opnieuw van hem onder de indruk, niet alleen van hem als politicus, maar ook als mens.
Van der Burg is een echte liberaal. Als je in termen van links-rechts spreekt, staat hij helemaal links in zijn partij. Dat brengt hem natuurlijk al wat dichterbij. Als politicus durft hij zijn emoties te tonen, hij huilde toen duidelijk werd dat het nieuwe coalitieakkoord er zou komen. En hij neemt geen blad voor de mond. Toen hem in 2016 – hij was toen nog wethouder in Amsterdam – werd gevraagd of hij het een goed idee vond dat de PVV in de gemeenteraad kwam, antwoordde hij: “Racisten in de Raad, dat is geen verrijking voor Amsterdam.” Van die uitspraak kun je vinden wat je wilt, maar het is in ieder geval recht voor z’n raap.
De afgelopen tweeëneenhalf jaar was Van der Burg de bevlogen staatssecretaris voor asiel en migratie. Ik geef het je te doen, bepaald niet de makkelijkste portefeuille. Hij heeft gevochten, hij heeft met alles dat hij in zich had geprobeerd te voorkomen dat asielzoekers (gewoon: mensen) in Ter Apel in het gras moeten slapen. Hij is de man van de zogenoemde spreidingswet, die hij erdoor heeft gekregen. En dan, met het oog op een nieuwe coalitie, wordt die wet onderuitgehaald. Door wie? Door zijn eigen politiek leider én vriendin, in ieder geval politiek vriendin.
Voor mij is het onbegrijpelijk dat je daarna nog met zo’n vriendin door één deur kunt. Maar ja, enige rancune is mij dan ook niet vreemd. Dat geldt niet voor Eric van der Burg. Hij blijft zijn partijleider steunen, hij wil haar zelfs helpen ooit premier van Nederland te worden.
Voor mij hoeft dat niet. Ik zie liever hém als premier, ook al weet ik dat hij zegt dat hij die ambitie absoluut niet heeft. Mocht dat ooit veranderen, mocht hij ooit lijsttrekker worden, dan stem ik op een VVD’er, dan stem ik op Eric van der Burg.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 5 juli 2024.
Abonneren op:
Posts (Atom)