In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.
Lieve Asjer,
Als je deze brief ontvangt, is het bijna Pesach. Omdat we vlak daarvoor even weg zijn (M. neemt ons een weekje mee naar Agadir en Casablanca), zijn we wat eerder begonnen met de voorbereidingen: matzes en overige boodschappen in huis halen, chameets verwijderen en natuurlijk de seider voorbereiden. Ik ga nu de haggada uit de boekenkast halen en een tekst kiezen waar ik iets langer bij wil stilstaan.
Ieder jaar komt dezelfde herinnering bij me boven. Tijdens de seider, zo’n dertig jaar geleden, klonk ineens een hoog kinderstemmetje: “Dit hebben we al eens gedaan.” Dat was jij, drie of vier jaar oud, je keek niet eens op van je kleurplaat. In principe had je gelijk natuurlijk. We hebben het ieder jaar over dezelfde thema’s: slavernij, de Uittocht, de vreemdeling in ons midden, vrijheid. Dat is juist de bedoeling, maar als peuter kon jij nog niet weten hoe belangrijk het is hier ieder jaar bij stil te staan.
Die vreemdeling in ons midden, het is het thema dat mij het meeste aanspreekt. Het besef dat wij ooit vreemdelingen waren, dat lijnrecht staat tegenover de verleiding om, wanneer we zelf macht hebben, daar niet meer zoveel aan te denken. De Tora herhaalt het gebod om de vreemdeling niet te onderdrukken tientallen keren – waarschijnlijk niet omdat wij mensen het zo goed doen, maar waarschijnlijk omdat we het zo gemakkelijk vergeten.
Jouw laatste brief bleef lang bij me hangen. “Wanneer Adar begint, vermeerderen we de vreugde,” schreef je. En je legde een verbinding van de maand Adar (met het Poeriemfeest) naar de maand Niesan, waarin we Pesach vieren. Die vreugde moeten we niet passief afwachten, maar actief vergroten. Dat is niet altijd makkelijk, zeker niet in deze tijd, daar kunnen we het snel over eens zijn. De vreugde die we zelf moeten najagen – “zelf de slingers ophangen” - en de realiteit liggen soms ver uit elkaar. Vreugde als religieuze plicht is iets heel anders dan vreugde over macht of triomf (hallo Donald, hallo Benjamin).
Dat was alleen nog maar de inleiding van je brief. Je had het daarna vooral over alles dat speelde rondom de herdenking van de Februaristaking. Volgens mij heb je je flink kwaad gemaakt 😊. Die kwaadheid begrijp ik goed hoor. Ik merk aan mezelf dat ik veel minder vaak op Facebook kijk en m’n X-account heb ik nog wel, maar gebruik ik eigenlijk nooit. Zelfs berichten in Whatsappgroepen lees ik nog maar af en toe. Ik word gek van alle bagger, het gescheld en het voortdurend elkaar afmaken. Waarom wordt er altijd en door iedereen (lijkt het wel) zo op de man gespeeld? We kunnen het met elkaar oneens zijn, fel oneens zelfs, maar er is een wereld van verschil tussen kritiek en karaktermoord. Als wij Joden onderling elkaar als vijanden zien, wordt het gesprek moeilijk, onmogelijk zelfs.
Van mijn goede vriend L., die in zijn werkzame leven rechter was, heb ik ooit begrepen dat in het strafrecht nooit de persoon wordt beoordeeld maar alleen zijn of haar daden. Dat principe zouden wij in Joods Nederland wat meer voor ogen moeten houden en moeten overnemen.
Niesan is de eerste maand van het Joodse jaar. Een goed moment om – net zoals velen op 1 januari doen – met goede voornemens te beginnen. Gewoon een nieuw gebruik invoeren, is dat wat? En dan met elkaar afspreken dat we sinat chinam, ongegronde en zinloze haat, vanaf nu achter ons laten.
Misschien kunnen we het daar dit jaar over hebben aan de seidertafel. En als dat wat te zwaar is, houden we het simpel: matzes, vier bekers wijn, een goed gesprek en de afspraak dat we geen ‘foute’ opmerkingen meer plaatsen in WhatsApp-groepen.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 27 maart 2026.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten