In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.
Lieve Pap,
Ook dit jaar was de seider weer bijzonder geslaagd: goed gezelschap, voortreffelijk eten en gesprekken die, mede dankzij enkele glazen wijn, zowel licht als verdiepend waren. Ik heb er oprecht van genoten. Zoals gebruikelijk bereidde iedere aanwezige een passage uit de haggada voor, die vervolgens met de tafel werd gedeeld en besproken. Aan de hand van ‘de vier kinderen van JMW’ - een eigentijdse interpretatie van de klassieke vier zonen - ontstond zo een gesprek over de toekomst van Joods Nederland.
Enkele weken daarvoor woonde ik de presentatie bij van het rapport van de Commissie Bussemaker, die de gemeente Amsterdam adviseert over de besteding van 25 miljoen euro ten behoeve van het Joodse leven. Ook daar stond de toekomst centraal. Opvallend was hoe sterk de wens werd uitgesproken voor een Joods leven waarin cultuur en verbondenheid de boventoon voeren – een invulling die zich niet primair laat definiëren door het beladen verleden of door de spanningen van het heden. Tegelijkertijd viel mij op dat juist dit toekomstdenken een paradox in zich draagt: zelfs wanneer men een positief perspectief probeert te formuleren, blijft het referentiekader vaak datgene waarvan men zich wil losmaken. Het blijkt moeilijk een hoopvolle toekomst te verbeelden zonder tegelijkertijd de schaduw van vernietiging en verlies te benoemen.
Dat toekomstdenken gaat bovendien vaak gepaard met een zekere nostalgie, een verlangen naar een verleden dat wij zelf niet hebben gekend en dat we daarom onvermijdelijk inkleuren met onze verbeelding. Een geïdealiseerd beeld van een stad waarin op elke straathoek loofhutten stonden en Jiddisch het straatbeeld bepaalde, terwijl die taal in Nederland al ruim vóór de oorlog grotendeels als omgangstaal was verdwenen. Ook in de literatuur zien we dit mechanisme terug: Amerikaanse Jiddische schrijvers schetsten het leven in de Oost-Europese sjtetl vaak in warme, bijna romantische tinten, terwijl dat bestaan in werkelijkheid veelal werd gekenmerkt door armoede en vervolging.
Vandaag zat ik een stuk Talmoed te leren dat dit alles in een ander licht plaatste. Het ging over de vraag wanneer iemand als een betrouwbare getuige kan worden beschouwd en wanneer iemand als bevooroordeeld geldt omdat hij een eigen belang heeft bij de zaak waarover hij spreekt. De Gemara illustreert dit met het voorbeeld van een sefer Tora. Waar men in andere gevallen afstand kan doen van een persoonlijk belang om zo als getuige te kunnen optreden, is dat hier volgens de Gemara niet mogelijk: ten aanzien van een sefer Tora behoudt men altijd een belang. De impliciete gedachte lijkt te zijn dat de Tora zó wezenlijk is voor het Joodse bestaan, dat niemand zich er werkelijk buiten kan plaatsen.
Die gedachte dringt zich ook op in het gesprek over de toekomst. Wat is onze ‘sefer Tora’ anno 2026? Waar ligt datgene waar wij allen, onvermijdelijk en fundamenteel, belang bij hebben? Misschien zou juist die vraag - niet wat we verloren hebben, maar wat voor ons onopgeefbaar is - het vertrekpunt moeten vormen voor hoe we die toekomst willen vormgeven.
Dat neemt niet weg dat er een kern van waarheid schuilt in het verlangen naar een rijker Joods cultureel leven van vóór de oorlog. Er waren eenvoudigweg meer Joden en hun aanwezigheid was zichtbaarder binnen de Nederlandse samenleving. Toch lijkt het mij een misvatting te veronderstellen dat een dergelijke werkelijkheid met financiële middelen te reconstrueren valt. Vruchtbaar toekomstdenken vraagt om een andere benadering: niet het herstellen van wat verloren is gegaan, maar het versterken van wat in de afgelopen decennia met grote inzet is opgebouwd. Om dat te bestendigen, te versterken, en verder uit te breiden met nieuw, nog niet bestaand aanbod van Joods leven. Niet om terug te halen wat er was, maar om te verbeteren wat er is.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 17 april 2026.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten