vrijdag 31 juli 2026

Brief aan Asjer, 24 juli 2026

In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die elkaar – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – brieven schreven, voeren mijn zoon Asjer en ik een correspondentie in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik de brieven door in dit blog.


Lieve Asjer,

De lunchafspraak die ik deze week met vriendin L. had, moest ik verzetten. “Ik moet nog een tekst afmaken,” liet ik haar weten. Ze vond het geen probleem, maar was wel nieuwsgierig. “Waar ben je dan zo druk mee bezig,” vroeg ze. “De preek van de leek,” antwoordde ik in een geintje. Ze begreep het, zei ze, maar ik heb wel nog wat uitleg en achtergrond gegeven.

In ’ons oude gebouw’ – ik bedoel de LJG-sjoel van architect Leon Waterman in de Graafschapstraat – nam onze toenmalige rabbijn, David Lilienthal, twee ‘zomer-maatregelen’. De indeling van de sjoelruimte was heel erg ‘reform’: banken in de zogeheten theateropstelling en vooraan een grote bima. Na verloop van tijd – onder Lilienthal schoof de kehila op richting Conservative - groeide het verlangen naar een andere indeling. In de vakantietijd was er ruimte om de lange banken te verschuiven. Er waren dan minder zitplaatsen, maar we konden een traditionelere sjoelindeling creëren, de zomeropstelling. Een andere maatregel bestond uit een paar weken relatieve rust inbouwen voor de rabbijn. Die hoefde zes weken lang geen droosjes te houden, gemeenteleden namen dat over, iedere sjabbat iemand anders. Die traditie hebben we er altijd in gehouden, tot op de dag van vandaag.

Deze sjabbat had ik de eer. Vrijdagavond gaf ik de droosje die, zoals gebruikelijk, aansloot bij de parasja van de week, Dewariem. Het fijne van een droosje geven is dat je het over je stokpaardjes kunt hebben. Dewariem behandelt het eerste deel van de toespraak die Mosjé hield voor het volk, vlak voor ze het Beloofde land binnentrekken. Wat daaraan voorafging, de Jetsiat Mitsrajiem (de Uittocht uit Egypte) en de veertig jaar dat het volk door de woestijn sjokte, heb ik daarbij betrokken. Hoewel de Tora het niet over vluchtelingen heeft, heb ik de vrijheid genomen om die kwalificatie er toch in te vlechten. Immers, zo heb ik betoogd, we hebben het over mensen die: proberen te ontkomen aan een gewelddadige machthebber (Farao), die geen veilig thuis hebben, die halsoverkop vertrekken uit hun woonplaats, die bezit achter moeten laten, die worden achtervolgd door een leger, die veertig jaar rondtrekken en in tenten wonen en die afhankelijk zijn van voedselhulp (manna). Zulke mensen noem ik vluchtelingen.

Daarna is de link met ons leven vandaag-de-dag snel gemaakt. Vluchtelingen, daar wilde ik het namelijk over hebben. Laat me even citeren uit mijn eigen droosje, de woorden waar ik mee afsloot: “We worden regelmatig geconfronteerd met berichten over de onmacht in ons moderne welvarende Nederland om vluchtelingen fatsoenlijk op te vangen. Ik hoef alleen maar Ter Apel te zeggen en we hebben meteen een beeld van deze vaak inhumane opvang. De Tora schrijft ons geen asielbeleid voor, maar geeft ons wel een moreel kompas. Kijk bijvoorbeeld naar Wajikra, hoofdstuk 19, waarin Kodesj Borchoe tegen ons zegt: "Wanneer een vreemdeling bij jullie in het land verblijft, mogen jullie hem niet slecht behandelen. Je moet hem liefhebben als jezelf, want jullie zijn vreemdelingen geweest in Egypte.” Als we daar iets vaker aan denken en ernaar handelen, zijn we tacheles bezig met een mooie vorm van tikoen olam.

Dit vond ik wel een mooie afsluiting van mijn droosje. En het is ook een mooie afsluiting van onze correspondentie in het NIW. Dat hebben we vier jaar gedaan, ik schreef jou mijn eerste brief op 26 augustus 2022. Jij gaat nu, als rabbijn, schrijven over de parasja van de week, ik word weer ‘gewoon’ columnist. Vanaf nu zijn we weer ‘onder ons’, als we elkaar iets schrijven, lezen alleen jij en ik dat. De NIW-lezer moet vanaf nu op een andere manier kennisnemen van onze gedachten en gevoelens. Tot gauw.

Je liefhebbende vader,

Michel


Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 24 juli 2026.

1 opmerking: