Soms geldt een stad vanwege zijn specifieke kenmerken als een archetype. Venetië, met al zijn waterwegen, spant de kroon. De stad staat model voor een hele reeks andere steden. Volgens mijn vriend Wikipedia zijn er 13 Venetiës van het Noorden, 5 Venetiës van het Oosten en 1 Venetië van het Westen.
Ook Jeruzalem is zo’n archetype. Aan welke stad denkt u als ik het over ‘Jeruzalem van het Noorden’ heb? Waarschijnlijk aan Amsterdam. Terecht. Misschien aan Antwerpen? Ook terecht. De hoofdstad van Litouwen, Vilnius, zal niet zo snel bij u opkomen. Dat was bij mij ook niet het geval, ik geef het toe.
Op het moment dat ik deze column schrijf, is er minder dan 24 uur verstreken sinds mijn terugkomst uit Vilnius. Samen met Ka, de liefde van mijn leven, en M., mijn niet-biologische zus, heb ik drie dagen doorgebracht in het ‘Jeruzalem van Litouwen’.
“En, was het wat?” Twee vrienden hingen vanmorgen vroeg al aan de telefoon, beiden benieuwd naar onze ervaringen. Ik begin aan een enthousiast relaas. “Vilnius is het bezoeken meer dan waard. Het is een ‘frisse’ stad met een mooi oud centrum. Nergens bespeur je, zoals ik eigenlijk wel verwachtte, de troosteloze grijze Sovjet-sfeer. Veel mooie, gerestaureerde gebouwen. De kathedraal. Uzupis, de door kunstenaars zelfverklaarde ‘republiek’. Je kunt in Vilnius écht goed eten. En het prijsniveau is aangenaam laag.”
Ik hoor mezelf vertellen en ik voel een ‘maar’ opkomen.
Vilnius, Wilna (Duits), Wilno (Pools), Wilne (Jiddisj) was ooit een bij uitstek Joodse stad, het werd niet voor niets het ‘Jeruzalem van Litouwen’ genoemd. Voor de oorlog woonden in het hele land ruim 200.000 Litvaks (Litouwse Joden), waarvan de helft in Vilnius. De stad telde meer dan 100 sjoels en een tiental jesjiewes. Vandaag de dag zijn er nog zo’n 5.000 Litvaks, hun aantal neemt snel af. Er is nog één sjoel. Vilnius is hierin geen uitzondering, ik weet het. Maar toch.
“My name is Rita, I am your guide on this Jewish tour.” Rita is een goede en ervaren gids. Ze doet haar best om op het groepje van 12 deelnemers over te brengen hoe Joods de stad voor de Grote Ramp was. Het is niet haar fout dat er nog zo weinig te zien is van het Joodse leven dat hier ooit bloeide. Ze loopt met ons door het kleine getto en het grote getto. Geen spoor van jodendom. Geen enkel huis dat tekenen vertoont van een mezoeza die ooit op de deurpost heeft gezeten. Ze laat ons de buste van de Gaon van Wilna zien en dat ene nebbisje drietalige straatnaambord met Zydu Gatve, Rechov Hajehoediem en Jidisje Gass. Ze neemt ons mee naar die ene overgebleven sjoel, de Vilner Shul, waar we voor het luttele bedrag van een euro per persoon naar binnen mogen. Twee mannen zijn aan het dawwenen, het rondlopende toeristengroepje stoort ze ogenschijnlijk niet.
Rita is best open over de geschiedenis. Ze verhult niet dat 95% van de Joodse bevolking is vermoord. Ze durft zelfs te vertellen dat veel Litouwers niet rouwig waren over de komst van de nazi’s, die ze zagen als bevrijders van de Sovjets. Tot ze begint te vertellen over de maatregelen die tegen de Joden werden genomen. Eén van die maatregelen: Joden mochten niet meer dan twee kinderen hebben. “Als er toch meer kinderen in een gezin waren, dan mochten die niet blijven.” Dat klonk nogal vaag, ‘ze mochten niet blijven’. Ka vraagt haar wat er dan met die kinderen gebeurde. “Werden ze hier ter plekke vermoord, of werden ze gedeporteerd?” Rita begint te stamelen en te stotteren, ze komt niet meer uit haar woorden. “Nou, ja, eh, ze werden weggehaald.” Verder komt ze niet. Als Ka haar later, op een rustig moment, vraagt of ze het moeilijk vindt om hierover te praten, geeft ze dat toe.
Toen ik, maanden geleden, dit stedentripje boekte, maakte ik een ‘agenda-foutje’. Ik had me niet gerealiseerd dat Jom Hasjoa in ons verblijf in Vilnius viel. Dat is nou ook weer geen ramp, volgend jaar ben ik weer gewoon bij de herdenking in de Hollandsche Schouwburg. En m’n portie Sjoa heb ik evengoed wel gehad.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 10 mei 2019.
zondag 12 mei 2019
zondag 7 april 2019
Globe
In Trouw, mijn favo-ochtendblad, las ik afgelopen maandag twee artikelen die direct mijn aandacht trokken.
Op pagina drie stond een lang interview met Theo Bovens, de commissaris van de koning in Limburg, daar nog steeds liefkozend gouverneur genoemd. Hij kwam met opzienbarend nieuws, met name voor de Zuid-Limburgers. Zijn provincie, zo vertelde Bovens, was nog steeds herstellende van de zware slag die in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw was toegebracht. De sluiting van de mijnen leidde destijds tot een enorme werkloosheid: 45.000 directe en 30.000 indirecte arbeidsplaatsen gingen verloren. Maar, dankzij de nieuwe politieke wind die door Nederland waait, wordt dit onrecht, zo’n 50 jaar na dato, hersteld. Het was minister Eric Wiebes die tijdens een werkbezoek aan Limburg met het goede nieuws kwam: in de komende vijf jaar worden de staatsmijnen Beatrix (in Herkenbosch) en Oranje Nassau (in Heerlen) heropend. De regering zet niet langer in op een geldverslindende energietransitie. Het heropenen van de mijnen kost slechts een paar miljoen euro. En er is nog zóveel steenkool in de Limburgse bodem dat er al binnen een maand een hoog rendement verwacht mag worden.
Op de pagina ‘Economie’ las ik minder goed nieuws voor de al zoveel geteisterde Groningers. Nieuws uit Den Haag, ook nu weer van minister Wiebes. Na diverse doorrekeningen van het CPB (Centraal Planbureau) was duidelijk geworden dat het dichtdraaien van de gaskraan eigenlijk geen reële optie is. “We gaan ons mooie, gave land niet vernietigen door het vol te plempen met windmolens of groene weides op te offeren aan duizenden zonnecellen. En de kosten van het naar boven halen van aardwarmte zijn door de mensen thuis niet op te brengen. Natuurlijk laten we de Groningers niet in de kou staan: beschadigde huizen worden op kosten van het rijk hersteld, waar nodig worden gebouwen versterkt, maar de gaswinning moet helaas gewoon doorgaan, daaraan valt niet te ontkomen.”
Hè, zie ik u denken. Heb ik iets gemist? Ik heb hier allemaal niets over gelezen, ook niets over gehoord of gezien op radio of tv. Nee, beste lezer, u hebt niets gemist. U hebt hoogstens ergens overheen gelezen, in de openingszin van deze column. ‘Afgelopen maandag’, schreef ik. Dat was … 1 april.
Het heropenen van de kolenmijnen, gas blijven oppompen in Groningen, dat gaat natuurlijk niet écht gebeuren. Hoewel. Als politici de zo noodzakelijke energietransitie belachelijk blijven maken, als we in ons land niet volop gaan inzetten op groene energie, waar komt de stroom voor het opladen van onze mobieltjes dán vandaan?
Ik moet de laatste tijd vaak denken aan een stok- en stokoude witz. Moos heeft dagelijks last van antisemitisme, hij kan er niet meer tegen. “Ik zou zo graag ergens anders wonen,” verzucht hij, “in een land zonder risjes.” Kodesch Borchoe hoort hem, zet een globe voor hem neer en spreekt tot Moos: “Kies maar een land, zeg maar waar je heen wilt.” Moos bestudeert de globe, draait de bol van links naar rechts en weer terug. Na vijf minuten zegt hij met een timide stemmetje: “Hebt u misschien nog een andere wereldbol?”
Ik gebruik deze oude witz, met een kleine twist. Kodesch Borchoe had geen andere aardbol voor Moos. Die heeft Hij ook niet voor ons. We kunnen deze planeet niet vervuild en uitgeput achterlaten en met z’n achtmiljarden verhuizen naar een andere planeet. Want die andere planeet is er niet.
Tikoen Olam, het helen van de wereld, is een opdracht voor het Joodse volk die we ons nu eindelijk eens ter harte moeten nemen. We zouden moeten proberen om een betere wereld achter te laten voor onze kinderen en voor alle generaties na ons, beter dan wij hem zelf hebben aangetroffen. Daar geloof ik, eerlijk gezegd, allang niet meer in. Als het ons lukt de wereld achter te laten in dezelfde staat als wij hem hebben aangetroffen … Mag ik meteen tekenen bij het kruisje?
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 5 april 2019.
Op pagina drie stond een lang interview met Theo Bovens, de commissaris van de koning in Limburg, daar nog steeds liefkozend gouverneur genoemd. Hij kwam met opzienbarend nieuws, met name voor de Zuid-Limburgers. Zijn provincie, zo vertelde Bovens, was nog steeds herstellende van de zware slag die in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw was toegebracht. De sluiting van de mijnen leidde destijds tot een enorme werkloosheid: 45.000 directe en 30.000 indirecte arbeidsplaatsen gingen verloren. Maar, dankzij de nieuwe politieke wind die door Nederland waait, wordt dit onrecht, zo’n 50 jaar na dato, hersteld. Het was minister Eric Wiebes die tijdens een werkbezoek aan Limburg met het goede nieuws kwam: in de komende vijf jaar worden de staatsmijnen Beatrix (in Herkenbosch) en Oranje Nassau (in Heerlen) heropend. De regering zet niet langer in op een geldverslindende energietransitie. Het heropenen van de mijnen kost slechts een paar miljoen euro. En er is nog zóveel steenkool in de Limburgse bodem dat er al binnen een maand een hoog rendement verwacht mag worden.
Op de pagina ‘Economie’ las ik minder goed nieuws voor de al zoveel geteisterde Groningers. Nieuws uit Den Haag, ook nu weer van minister Wiebes. Na diverse doorrekeningen van het CPB (Centraal Planbureau) was duidelijk geworden dat het dichtdraaien van de gaskraan eigenlijk geen reële optie is. “We gaan ons mooie, gave land niet vernietigen door het vol te plempen met windmolens of groene weides op te offeren aan duizenden zonnecellen. En de kosten van het naar boven halen van aardwarmte zijn door de mensen thuis niet op te brengen. Natuurlijk laten we de Groningers niet in de kou staan: beschadigde huizen worden op kosten van het rijk hersteld, waar nodig worden gebouwen versterkt, maar de gaswinning moet helaas gewoon doorgaan, daaraan valt niet te ontkomen.”
Hè, zie ik u denken. Heb ik iets gemist? Ik heb hier allemaal niets over gelezen, ook niets over gehoord of gezien op radio of tv. Nee, beste lezer, u hebt niets gemist. U hebt hoogstens ergens overheen gelezen, in de openingszin van deze column. ‘Afgelopen maandag’, schreef ik. Dat was … 1 april.
Het heropenen van de kolenmijnen, gas blijven oppompen in Groningen, dat gaat natuurlijk niet écht gebeuren. Hoewel. Als politici de zo noodzakelijke energietransitie belachelijk blijven maken, als we in ons land niet volop gaan inzetten op groene energie, waar komt de stroom voor het opladen van onze mobieltjes dán vandaan?
Ik moet de laatste tijd vaak denken aan een stok- en stokoude witz. Moos heeft dagelijks last van antisemitisme, hij kan er niet meer tegen. “Ik zou zo graag ergens anders wonen,” verzucht hij, “in een land zonder risjes.” Kodesch Borchoe hoort hem, zet een globe voor hem neer en spreekt tot Moos: “Kies maar een land, zeg maar waar je heen wilt.” Moos bestudeert de globe, draait de bol van links naar rechts en weer terug. Na vijf minuten zegt hij met een timide stemmetje: “Hebt u misschien nog een andere wereldbol?”
Ik gebruik deze oude witz, met een kleine twist. Kodesch Borchoe had geen andere aardbol voor Moos. Die heeft Hij ook niet voor ons. We kunnen deze planeet niet vervuild en uitgeput achterlaten en met z’n achtmiljarden verhuizen naar een andere planeet. Want die andere planeet is er niet.
Tikoen Olam, het helen van de wereld, is een opdracht voor het Joodse volk die we ons nu eindelijk eens ter harte moeten nemen. We zouden moeten proberen om een betere wereld achter te laten voor onze kinderen en voor alle generaties na ons, beter dan wij hem zelf hebben aangetroffen. Daar geloof ik, eerlijk gezegd, allang niet meer in. Als het ons lukt de wereld achter te laten in dezelfde staat als wij hem hebben aangetroffen … Mag ik meteen tekenen bij het kruisje?
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 5 april 2019.
zondag 10 maart 2019
Fransen op de korrel
Ik weet niet zo goed of ik mezelf nou francofiel moet noemen of niet. Er waren natuurlijk, zoals bij iedereen, denk ik, altijd wel momenten van Frankrijk-liefde. Begin jaren ’70 verloor ik mezelf in het Franse chanson. Ik studeerde in Breda en ik geef toe dat het feit dat mijn docent Frans een jonge, niet-onaantrekkelijke Française was, wel meehielp. Door haar ontdekte ik Georges Moustaki. ‘Avec ma gueule de métèque, de Juif errant, de pâtre grec’ – de tekst doet me nog steeds iets.
Niet veel later dook ik in het Amsterdamse restaurantwezen. Aan de hand van de onvergetelijke Johannes van Dam begon een culinaire reis die tot op de dag van vandaag voortduurt. En die eerste jaren, toen je nog omkwam in de ChinInd restaurants, was het de Franse keuken die mij in vervoering bracht.
Als het gaat om de keuze van auto’s zijn wij, de liefde van mijn leven en ik, trouw aan één merk: we rijden al jaren en jaren Citroën.
Frankrijk stond dus voor veel moois in het leven. Dat is nog steeds zo, maar er zijn wel wat barstjes gekomen in de liefdesband. Voor het eerst gebeurde dat in november 2012. Ik bezocht een grote Europees-Joodse conferentie, in Marseille. Een facultatieve field trip bestond uit een bezoek aan het plaatselijke Joods Cultureel Centrum. Ik tekende meteen in, want ik was beroepsmatig benieuwd naar het educatieve programma dat er werd aangeboden. De aankomst bij het JCC kan ik me nog goed herinneren. Hoewel ik qua beveiliging - van synagogen en Joodse scholen - in Amsterdam wel wat gewend ben, wist ik niet wat me overkwam. Het gebouw was een zwaar bewapende bunker, en dat is geen Jiddisje Overdrijving. Eenmaal binnen werd ik geconfronteerd met de grote angst waarmee de Marseillaans-Joodse gemeenschap leeft. Over hun educatieve programma kwam ik, ook na diverse vragen, niets te weten. Het gespreksonderwerp werd steeds weer richting beveiliging gestuurd. Een onthutsende ervaring. Hoewel ik het A-woord niet zo vaak gebruik, kan ik er hier niet omheen. Dit was diepgewortelde angst voor antisemitisme.
De jaren na mijn bezoek aan Marseille is er veel veranderd. En niet ten goede. Ik zal geen ranking opstellen van Europese landen die het ergst lijden onder antisemitisme. Maar dat Frankrijk op zo’n lijstje hoog zou scoren, dat valt niet te ontkennen. Gele hesjes, bruine en zwarte overhemden, de kleding van de Fransen bevalt me niet meer. Helaas.
De laatste jaren brengen we, met grotere regelmaat dan vroeger, vakanties door in Frankrijk. Mijn niet-biologische zus M woont een deel van het jaar in de Languedoc. Ze heeft een prachtig huis in een dorpje op het Zuid-Franse platteland. Twee keer per jaar logeren Ka en ik er een paar weken. M heeft in Frankrijk een uitgebreide vriendenkring opgebouwd. ‘De vrienden van mijn vrienden zijn mijn vrienden’ gaat hier zeker op. Door onze regelmatige bezoeken zijn wij in haar vriendenkring opgenomen, wat ons goed bevalt. Aardige mensen. Veel etentjes, veel glazen goede wijn en veel restaurantbezoeken. En voor zover onze taalkennis het toelaat, goede gesprekken, ook al denken die Fransen nog steeds dat de winst van Air France-KLM door de Franse tak van het concern behaald wordt … En, het allerbelangrijkste: geen risjes. Nooit. Daar ben ik heel alert op en ik steek m’n hand voor onze Franse vrienden in het vuur.
De liefde voor Frankrijk en de Fransen is er dus nog steeds. Er is echter een maar. Ik dreig nooit, maar daarop maak ik nu een uitzondering: die 67 miljoen Fransen moeten wel op hun tellen passen, ik hou ze in de gaten!
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 8 maart 2019.
Niet veel later dook ik in het Amsterdamse restaurantwezen. Aan de hand van de onvergetelijke Johannes van Dam begon een culinaire reis die tot op de dag van vandaag voortduurt. En die eerste jaren, toen je nog omkwam in de ChinInd restaurants, was het de Franse keuken die mij in vervoering bracht.
Als het gaat om de keuze van auto’s zijn wij, de liefde van mijn leven en ik, trouw aan één merk: we rijden al jaren en jaren Citroën.
Frankrijk stond dus voor veel moois in het leven. Dat is nog steeds zo, maar er zijn wel wat barstjes gekomen in de liefdesband. Voor het eerst gebeurde dat in november 2012. Ik bezocht een grote Europees-Joodse conferentie, in Marseille. Een facultatieve field trip bestond uit een bezoek aan het plaatselijke Joods Cultureel Centrum. Ik tekende meteen in, want ik was beroepsmatig benieuwd naar het educatieve programma dat er werd aangeboden. De aankomst bij het JCC kan ik me nog goed herinneren. Hoewel ik qua beveiliging - van synagogen en Joodse scholen - in Amsterdam wel wat gewend ben, wist ik niet wat me overkwam. Het gebouw was een zwaar bewapende bunker, en dat is geen Jiddisje Overdrijving. Eenmaal binnen werd ik geconfronteerd met de grote angst waarmee de Marseillaans-Joodse gemeenschap leeft. Over hun educatieve programma kwam ik, ook na diverse vragen, niets te weten. Het gespreksonderwerp werd steeds weer richting beveiliging gestuurd. Een onthutsende ervaring. Hoewel ik het A-woord niet zo vaak gebruik, kan ik er hier niet omheen. Dit was diepgewortelde angst voor antisemitisme.
De jaren na mijn bezoek aan Marseille is er veel veranderd. En niet ten goede. Ik zal geen ranking opstellen van Europese landen die het ergst lijden onder antisemitisme. Maar dat Frankrijk op zo’n lijstje hoog zou scoren, dat valt niet te ontkennen. Gele hesjes, bruine en zwarte overhemden, de kleding van de Fransen bevalt me niet meer. Helaas.
De laatste jaren brengen we, met grotere regelmaat dan vroeger, vakanties door in Frankrijk. Mijn niet-biologische zus M woont een deel van het jaar in de Languedoc. Ze heeft een prachtig huis in een dorpje op het Zuid-Franse platteland. Twee keer per jaar logeren Ka en ik er een paar weken. M heeft in Frankrijk een uitgebreide vriendenkring opgebouwd. ‘De vrienden van mijn vrienden zijn mijn vrienden’ gaat hier zeker op. Door onze regelmatige bezoeken zijn wij in haar vriendenkring opgenomen, wat ons goed bevalt. Aardige mensen. Veel etentjes, veel glazen goede wijn en veel restaurantbezoeken. En voor zover onze taalkennis het toelaat, goede gesprekken, ook al denken die Fransen nog steeds dat de winst van Air France-KLM door de Franse tak van het concern behaald wordt … En, het allerbelangrijkste: geen risjes. Nooit. Daar ben ik heel alert op en ik steek m’n hand voor onze Franse vrienden in het vuur.
De liefde voor Frankrijk en de Fransen is er dus nog steeds. Er is echter een maar. Ik dreig nooit, maar daarop maak ik nu een uitzondering: die 67 miljoen Fransen moeten wel op hun tellen passen, ik hou ze in de gaten!
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 8 maart 2019.
zondag 10 februari 2019
Mogen de luiken open alsjeblieft?
De sjabbat begint voor mij vaak al vroeg op vrijdag. In de loop van de ochtend ga ik op stap met vriend N., met wie ik een rondje Joods Amsterdam maak. We halen onze challes, pekelzuur en ossenworst, we gaan uitgebreid lunchen en soms doen we iets cultureels.
Maar voor we in de auto stappen, heb ik al wat vrijdagse rituelen verricht. Ik begin met chatten met vriend J. in Stockholm. Hij vertelt me enthousiast over zijn vierjarige kleindochter in Lund en we wisselen nieuwtjes uit over het Joodse leven in Zweden en Nederland. Daarna bel ik met vriend L. We voeren vaak lange gesprekken, waarna de liefde van mijn leven altijd vraagt: “Hebben jullie de wereld weer verbeterd?” Het zou aanmatigend zijn om te beweren dat we dat met z’n tweeën voor elkaar krijgen, maar meestal is ‘het helen van de wereld’ wel het onderwerp van onze gesprekken. Het spreekt vanzelf dat we het eerst hebben over de Joodse gemeenschap die ons beiden zo na aan het hart ligt, maar de meeste tijd besteden we toch aan grotere, aan échte problemen in de Joodse en niet-Joodse wereld: het milieu, vluchtelingen, etc. En bijna altijd komen we uit op de constatering dat we iets missen. Dat we iets zouden willen veranderen – misschien moet ik zeggen: toevoegen – aan de positionering van de Joodse gemeenschap, ónze Joodse gemeenschap. Maar hoe overtuigen we onze leiders? Zou dat lukken met een column in het NIW?
Een paar weken geleden verscheen de veelbesproken Nederlandse versie van het Nashville-document. Een storm van protest stak op. Iedere zichzelf respecterende organisatie nam het standpunt in dat een dergelijke verklaring anno 2019 écht niet kan. Van talloze gebouwen wapperde de regenboogvlag. Niet van ónze gebouwen. De stilte vanuit georganiseerd Joods Nederland was oorverdovend.
Een ander voorbeeld. In de protestantse Bethelkerk in Den Haag wordt wekenlang een non-stop-kerkdienst gehouden om uitzetting van het uitgeprocedeerde Armeense gezin Tamrazyan te voorkomen. Hoe terecht het is dat dit gezin nog in Nederland is, daarover kunnen we redetwisten. Maar de humanitaire kant van deze zaak zal voor iedereen duidelijk zijn. Een blijk van – letterlijk - mééleven vanuit de Joodse gemeenschap was niet zo gek geweest. Ooit, niet zo lang geleden, waren velen van ons immers ook vluchteling. Wij weten en voelen waar dit over gaat. Wat hadden we kunnen of moeten doen? Misschien niet zo veel, maar een korte open brief aan dominee Theo Hettema, om hem te complimenteren en hem een hart onder de riem te steken, wat had ik dat mooi gevonden.
Zo kan ik nog even doorgaan, maar de ruimte hier is beperkt. De Nederlands-Joodse gemeenschap is sterk georganiseerd. Diverse instanties vertegenwoordigen u en mij. Ik zou zo graag zien dat wij ook vertegenwoordigd worden in het publieke domein. Door het CJO, door onze kerkgenootschappen, of welke andere Joodse organisatie dan ook. “Hou op,” ik hoor het u al zeggen, “wij moeten ons niet teveel met politieke issues bemoeien. Hebben wij zelf niet genoeg tsores om ons druk over te maken?” Ja en nee. Natuurlijk: we hebben Europees gezien te maken met her-opkomend antisemitisme. Natuurlijk: we moeten letten op onze veiligheid. Natuurlijk: we moeten nog steeds veel werk verzetten om het grote aantal ‘perifere Joden’ meer bij onze gemeenschap te betrekken. Et cetera, et cetera. Maar is dat echt alles waar wij ons druk over maken? Willen we echt niet verder kijken dan onze eigen vertrouwde omgeving? Richten we onze blik écht alleen naar binnen? Of stellen we ons op als een open gemeenschap, een trotse Joodse gemeenschap die sterk geworteld is in de Nederlandse maatschappij? Een gemeenschap die zich graag verbindt met de ons omringende ‘anderen’.
Laten we niet alleen naar onze eigen navel staren, laten we alsjeblieft de luiken opengooien. Door open ramen waait een frisse wind naar binnen. Dat is niet alleen plezierig, zo’n frisse wind kan heel belangrijk zijn. Niet in de laatste plaats voor onszelf.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 8 februari 2019.
Maar voor we in de auto stappen, heb ik al wat vrijdagse rituelen verricht. Ik begin met chatten met vriend J. in Stockholm. Hij vertelt me enthousiast over zijn vierjarige kleindochter in Lund en we wisselen nieuwtjes uit over het Joodse leven in Zweden en Nederland. Daarna bel ik met vriend L. We voeren vaak lange gesprekken, waarna de liefde van mijn leven altijd vraagt: “Hebben jullie de wereld weer verbeterd?” Het zou aanmatigend zijn om te beweren dat we dat met z’n tweeën voor elkaar krijgen, maar meestal is ‘het helen van de wereld’ wel het onderwerp van onze gesprekken. Het spreekt vanzelf dat we het eerst hebben over de Joodse gemeenschap die ons beiden zo na aan het hart ligt, maar de meeste tijd besteden we toch aan grotere, aan échte problemen in de Joodse en niet-Joodse wereld: het milieu, vluchtelingen, etc. En bijna altijd komen we uit op de constatering dat we iets missen. Dat we iets zouden willen veranderen – misschien moet ik zeggen: toevoegen – aan de positionering van de Joodse gemeenschap, ónze Joodse gemeenschap. Maar hoe overtuigen we onze leiders? Zou dat lukken met een column in het NIW?
Een paar weken geleden verscheen de veelbesproken Nederlandse versie van het Nashville-document. Een storm van protest stak op. Iedere zichzelf respecterende organisatie nam het standpunt in dat een dergelijke verklaring anno 2019 écht niet kan. Van talloze gebouwen wapperde de regenboogvlag. Niet van ónze gebouwen. De stilte vanuit georganiseerd Joods Nederland was oorverdovend.
Een ander voorbeeld. In de protestantse Bethelkerk in Den Haag wordt wekenlang een non-stop-kerkdienst gehouden om uitzetting van het uitgeprocedeerde Armeense gezin Tamrazyan te voorkomen. Hoe terecht het is dat dit gezin nog in Nederland is, daarover kunnen we redetwisten. Maar de humanitaire kant van deze zaak zal voor iedereen duidelijk zijn. Een blijk van – letterlijk - mééleven vanuit de Joodse gemeenschap was niet zo gek geweest. Ooit, niet zo lang geleden, waren velen van ons immers ook vluchteling. Wij weten en voelen waar dit over gaat. Wat hadden we kunnen of moeten doen? Misschien niet zo veel, maar een korte open brief aan dominee Theo Hettema, om hem te complimenteren en hem een hart onder de riem te steken, wat had ik dat mooi gevonden.
Zo kan ik nog even doorgaan, maar de ruimte hier is beperkt. De Nederlands-Joodse gemeenschap is sterk georganiseerd. Diverse instanties vertegenwoordigen u en mij. Ik zou zo graag zien dat wij ook vertegenwoordigd worden in het publieke domein. Door het CJO, door onze kerkgenootschappen, of welke andere Joodse organisatie dan ook. “Hou op,” ik hoor het u al zeggen, “wij moeten ons niet teveel met politieke issues bemoeien. Hebben wij zelf niet genoeg tsores om ons druk over te maken?” Ja en nee. Natuurlijk: we hebben Europees gezien te maken met her-opkomend antisemitisme. Natuurlijk: we moeten letten op onze veiligheid. Natuurlijk: we moeten nog steeds veel werk verzetten om het grote aantal ‘perifere Joden’ meer bij onze gemeenschap te betrekken. Et cetera, et cetera. Maar is dat echt alles waar wij ons druk over maken? Willen we echt niet verder kijken dan onze eigen vertrouwde omgeving? Richten we onze blik écht alleen naar binnen? Of stellen we ons op als een open gemeenschap, een trotse Joodse gemeenschap die sterk geworteld is in de Nederlandse maatschappij? Een gemeenschap die zich graag verbindt met de ons omringende ‘anderen’.
Laten we niet alleen naar onze eigen navel staren, laten we alsjeblieft de luiken opengooien. Door open ramen waait een frisse wind naar binnen. Dat is niet alleen plezierig, zo’n frisse wind kan heel belangrijk zijn. Niet in de laatste plaats voor onszelf.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 8 februari 2019.
zondag 13 januari 2019
Foto
In mijn extended family komen de namen Mietje, Mientje en Miep/Miepie veelvuldig voor. Mijn grootmoeder van moederskant heette Mietje, de voornaam van mijn andere grootmoeder was Marianne, maar ook zij werd Mietje genoemd. Er was Mientje, een nicht van mijn vader, die altijd werd genoemd in samenhang met haar man: Mientje van Herman. En er waren twee Miepie’s, om ze uit elkaar te houden aangeduid met hun woonplaatsen, Miepie Halfweg en Miepie Baarn. De eerstgenoemde, Miepie Halfweg, was échte familie, zij was een volle nicht van mijn vader. Miepie Baarn was wat verder weg, ze was de zus van mijn (aangetrouwde) oom Meijer. Maar, zoals in de meeste Joodse families die na de oorlog flink uitgedund waren, hoorde Miepie Baarn ook bij de familie. Haar échte voornaam was overigens Mietje …
In mijn stamboom zit Miepie Baarn dus het verste weg. Toch wil ik het in deze column over haar hebben. Over haar en haar man: Miepie en Ralph Polak uit Baarn.
Hun verhaal begint in de oorlog. Miepie was gearresteerd en naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Ralph zat bij de Expositur, een afdeling van de Joodsche Raad, en had vanwege die functie toegang tot de Schouwburg. Daar heeft hij meerdere keren mensen helpen ontsnappen. Ook Miepie, die hij daarmee voor deportatie wist te behoeden. In januari 1943 verloven ze zich en na de oorlog, in 1946, trouwen ze. Datzelfde jaar openen de Polaks een stoffenzaak in hun woonplaats Baarn, eerst in de Nieuw Baarnstraat, vanaf 1960 in de Laanstraat. Stoffenhuis Ralph Polak wordt een begrip, klanten komen van heinde en verre. Hier vind je de mooiste stoffen, vanaf 1966 ook bruidsstoffen. Koningin Juliana en haar dochters zijn klant. BN-ers uit de muziek-, film- en televisiewereld weten de weg naar Baarn te vinden. En last but not least de vrouwen van diverse Ajax-spelers. Ralph en Miepie waren goed bevriend met spelers als Bennie Muller, Sjakie Swart, Klaas Nuninga en Johan Cruijff. Ergens in mijn privéarchief moet ik nog een krantenartikel hebben met een grote foto - ik denk uit De Gooi- en Eemlander - waarop een stralende Danny Cruijff de stof voor haar trouwjurk uitzoekt. Een cadeau van Ralph en Miepie Polak.
Ralph en Miepie zag ik, toen ik kind was, vooral op verjaardagen bij mijn oom Meijer en tante Netty in Bussum. Heel vaak heb ik ze dan ook niet ontmoet. Miepie zag ik veel later nog wel eens op de tribune bij wedstrijden van Ajax. Maar ook dat is alweer een flinke tijd geleden, zij overleed in 2007.
Deze week werd ik onverwachts geconfronteerd met een poster met een aankondiging van de tentoonstelling De jodenvervolging in foto’s in het Nationaal Holocaust Museum i.o. Die poster bestaat uit een grote foto van een jong stel op de Dam in Amsterdam. Zoals veel bezoekers van de hoofdstad zijn zij door één van de Dam-fotografen vereeuwigd. Twee mooie mensen, je wordt blij van zo’n foto. Maar toch ook weer niet. Er zit een tegenstrijdigheid in het beeld. Zowel de man als de vrouw dragen een merkteken op hun jas, de verfoeide gele ster met het woord Jood. Het stel op de foto herken ik meteen: Ralph en Miepie! De foto is gemaakt op de dag van hun verloving. Toen ik de foto nauwkeuriger bekeek, kreeg ik nog een kleine schok van herkenning. Iemand had de foto gedateerd en had onderaan, in de witte rand om de foto, geschreven ‘1943 – januari’. Het handschrift herkende ik meteen, onmiskenbaar het handschrift van mijn vader. Ik zie de portefeuille die hij áltijd bij zich droeg, weer voor me. In die portefeuille zaten alleen familiefoto’s. Ooit, blijkbaar, inclusief deze foto.
Al mijn hele volwassen leven probeer ik de Sjoa op een zekere afstand te houden, probeer ik de Sjoa niet teveel mijn leven te laten beïnvloeden. Soms lukt dat niet helemaal.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 11 januari 2019.
In mijn stamboom zit Miepie Baarn dus het verste weg. Toch wil ik het in deze column over haar hebben. Over haar en haar man: Miepie en Ralph Polak uit Baarn.
Hun verhaal begint in de oorlog. Miepie was gearresteerd en naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Ralph zat bij de Expositur, een afdeling van de Joodsche Raad, en had vanwege die functie toegang tot de Schouwburg. Daar heeft hij meerdere keren mensen helpen ontsnappen. Ook Miepie, die hij daarmee voor deportatie wist te behoeden. In januari 1943 verloven ze zich en na de oorlog, in 1946, trouwen ze. Datzelfde jaar openen de Polaks een stoffenzaak in hun woonplaats Baarn, eerst in de Nieuw Baarnstraat, vanaf 1960 in de Laanstraat. Stoffenhuis Ralph Polak wordt een begrip, klanten komen van heinde en verre. Hier vind je de mooiste stoffen, vanaf 1966 ook bruidsstoffen. Koningin Juliana en haar dochters zijn klant. BN-ers uit de muziek-, film- en televisiewereld weten de weg naar Baarn te vinden. En last but not least de vrouwen van diverse Ajax-spelers. Ralph en Miepie waren goed bevriend met spelers als Bennie Muller, Sjakie Swart, Klaas Nuninga en Johan Cruijff. Ergens in mijn privéarchief moet ik nog een krantenartikel hebben met een grote foto - ik denk uit De Gooi- en Eemlander - waarop een stralende Danny Cruijff de stof voor haar trouwjurk uitzoekt. Een cadeau van Ralph en Miepie Polak.
Ralph en Miepie zag ik, toen ik kind was, vooral op verjaardagen bij mijn oom Meijer en tante Netty in Bussum. Heel vaak heb ik ze dan ook niet ontmoet. Miepie zag ik veel later nog wel eens op de tribune bij wedstrijden van Ajax. Maar ook dat is alweer een flinke tijd geleden, zij overleed in 2007.
Deze week werd ik onverwachts geconfronteerd met een poster met een aankondiging van de tentoonstelling De jodenvervolging in foto’s in het Nationaal Holocaust Museum i.o. Die poster bestaat uit een grote foto van een jong stel op de Dam in Amsterdam. Zoals veel bezoekers van de hoofdstad zijn zij door één van de Dam-fotografen vereeuwigd. Twee mooie mensen, je wordt blij van zo’n foto. Maar toch ook weer niet. Er zit een tegenstrijdigheid in het beeld. Zowel de man als de vrouw dragen een merkteken op hun jas, de verfoeide gele ster met het woord Jood. Het stel op de foto herken ik meteen: Ralph en Miepie! De foto is gemaakt op de dag van hun verloving. Toen ik de foto nauwkeuriger bekeek, kreeg ik nog een kleine schok van herkenning. Iemand had de foto gedateerd en had onderaan, in de witte rand om de foto, geschreven ‘1943 – januari’. Het handschrift herkende ik meteen, onmiskenbaar het handschrift van mijn vader. Ik zie de portefeuille die hij áltijd bij zich droeg, weer voor me. In die portefeuille zaten alleen familiefoto’s. Ooit, blijkbaar, inclusief deze foto.
Al mijn hele volwassen leven probeer ik de Sjoa op een zekere afstand te houden, probeer ik de Sjoa niet teveel mijn leven te laten beïnvloeden. Soms lukt dat niet helemaal.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 11 januari 2019.
maandag 3 december 2018
Afscheid van een vriend
Het gesprek met mijn toenmalige huisarts kan ik me nog goed herinneren. “Je bent nu de 50 gepasseerd, dus ik ga je wat meer in de gaten houden.” Het gevolg: ‘s morgens twee pilletjes. Daar zijn oogdruppels bij gekomen, een druppeltje in ieder oog voor het slapen gaan. En als ik de trappen in de ArenA opklim, geven m’n knieën steeds vaker pijnlijke signalen af. Dat hoort erbij, ik weet het. Niet dat ik me oud voel, maar een begin van lichamelijke slijtage kun je gewoon niet ontlopen. Ik houd me vast aan een oude wijsheid: “Verjaardagen zijn goed voor een mens. Hoe meer verjaardagen, hoe ouder je wordt.”
Ook op een andere manier werd ik onlangs geconfronteerd met het opschuiven in de generaties. Vaker dan me lief is, kwam ik de afgelopen maand op Gan Hasjalom, de liberaal-Joodse begraafplaats in Amstelveen. Mijn auto weet inmiddels bijna zelf de weg erheen te vinden. Even tussen u en mij: ik vind dat doodgaan maar niks!
En nu overleed ook nog een goede vriend, Marco de Groot z.l. Hij zal gemist worden, als bestuurder in tal van Joodse organisaties, en door mij als vriend. Marco’s leven werd volledig beheerst door de Sjoa. In zijn in 2011 verschenen boekje ‘Oorlogswees’ beschreef hij dat zelf als volgt: Ik was zes maanden en zeventien dagen oud toen de Duitsers ons land binnenvielen. Drieëneenhalf jaar later was ik wees. Oorlogswees. De bezetting en de jodenvervolging zouden mijn toekomst bepalen.
Dertig jaar geleden leerden we elkaar kennen. Hij was naar mijn reisbureau doorverwezen voor het boeken van een reis naar Israël. Uit dat contact ontstond een hechte vriendschap. De mooiste herinneringen bewaar ik aan onze gezamenlijke reizen, met z’n tweeën of met meerdere vrienden. Die reizen waren niet alleen relaxte vakanties, het waren ook gelegenheden om het eens écht ergens over te hebben, om open over onze levens en problemen te praten. Mannen doen dat niet zo gauw. Op het strand van Tel Aviv, met een groot glas limonana onder handbereik, kwam het er makkelijker van.
Onze vriendschap leidde er ook toe dat Marco, die als onderduikbaby in een niet-Joodse omgeving was opgevoed, het Joodse leven begon te ontdekken. We seiderden samen, Marco en zijn vrouw Riet kwamen bij ons in de soeka, en Marco werd lid van de LJG Amsterdam. Nadat we achter zijn bestuurlijke talenten waren gekomen, wachtten hem bestuursfuncties bij diverse stichtingen en Joodse organisaties. Hij was onder meer penningmeester van de Folkerstma Stichting (tegenwoordig Stichting PaRDeS), het Studiecentrum van de LJG Amsterdam en van het Joods Hospice Immanuel, waarvan hij één van de oprichters was.
Medische ellende bleef hem niet bespaard. Er waren de psychische gevolgen van de oorlog, waarvoor hij lange tijd in behandeling is geweest. Met het ouder worden kwamen daar allerlei fysieke klachten bij. Diabetes had voor hem verstrekkende gevolgen: beide benen moesten worden geamputeerd. Als echte overlever wist hij daarna, met twee beenprotheses, toch nog van het leven te genieten. Ook onze traditie, reisjes naar Israël, werd voortgezet. Dat plezier liet hij zich niet ontnemen.
Tot op het laatst was Marco als bestuurder actief. Een week voor zijn dood was hij nog één van de oprichters van een stichting die zich gaat bezighouden met het opknappen en in ere herstellen van de Joodse begraafplaats in Edam.
In zijn eerder genoemde boekje ‘Oorlogswees’ geeft Marco een schets van zijn door de oorlog getekende leven en beschrijft hij zijn ervaringen als Nebenkläger in het proces tegen Demjanjuk. Het boekje is nog verkrijgbaar, belangstellenden geef ik graag informatie.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 30 november 2018.
Ook op een andere manier werd ik onlangs geconfronteerd met het opschuiven in de generaties. Vaker dan me lief is, kwam ik de afgelopen maand op Gan Hasjalom, de liberaal-Joodse begraafplaats in Amstelveen. Mijn auto weet inmiddels bijna zelf de weg erheen te vinden. Even tussen u en mij: ik vind dat doodgaan maar niks!
En nu overleed ook nog een goede vriend, Marco de Groot z.l. Hij zal gemist worden, als bestuurder in tal van Joodse organisaties, en door mij als vriend. Marco’s leven werd volledig beheerst door de Sjoa. In zijn in 2011 verschenen boekje ‘Oorlogswees’ beschreef hij dat zelf als volgt: Ik was zes maanden en zeventien dagen oud toen de Duitsers ons land binnenvielen. Drieëneenhalf jaar later was ik wees. Oorlogswees. De bezetting en de jodenvervolging zouden mijn toekomst bepalen.
Dertig jaar geleden leerden we elkaar kennen. Hij was naar mijn reisbureau doorverwezen voor het boeken van een reis naar Israël. Uit dat contact ontstond een hechte vriendschap. De mooiste herinneringen bewaar ik aan onze gezamenlijke reizen, met z’n tweeën of met meerdere vrienden. Die reizen waren niet alleen relaxte vakanties, het waren ook gelegenheden om het eens écht ergens over te hebben, om open over onze levens en problemen te praten. Mannen doen dat niet zo gauw. Op het strand van Tel Aviv, met een groot glas limonana onder handbereik, kwam het er makkelijker van.
Onze vriendschap leidde er ook toe dat Marco, die als onderduikbaby in een niet-Joodse omgeving was opgevoed, het Joodse leven begon te ontdekken. We seiderden samen, Marco en zijn vrouw Riet kwamen bij ons in de soeka, en Marco werd lid van de LJG Amsterdam. Nadat we achter zijn bestuurlijke talenten waren gekomen, wachtten hem bestuursfuncties bij diverse stichtingen en Joodse organisaties. Hij was onder meer penningmeester van de Folkerstma Stichting (tegenwoordig Stichting PaRDeS), het Studiecentrum van de LJG Amsterdam en van het Joods Hospice Immanuel, waarvan hij één van de oprichters was.
Medische ellende bleef hem niet bespaard. Er waren de psychische gevolgen van de oorlog, waarvoor hij lange tijd in behandeling is geweest. Met het ouder worden kwamen daar allerlei fysieke klachten bij. Diabetes had voor hem verstrekkende gevolgen: beide benen moesten worden geamputeerd. Als echte overlever wist hij daarna, met twee beenprotheses, toch nog van het leven te genieten. Ook onze traditie, reisjes naar Israël, werd voortgezet. Dat plezier liet hij zich niet ontnemen.
Tot op het laatst was Marco als bestuurder actief. Een week voor zijn dood was hij nog één van de oprichters van een stichting die zich gaat bezighouden met het opknappen en in ere herstellen van de Joodse begraafplaats in Edam.
In zijn eerder genoemde boekje ‘Oorlogswees’ geeft Marco een schets van zijn door de oorlog getekende leven en beschrijft hij zijn ervaringen als Nebenkläger in het proces tegen Demjanjuk. Het boekje is nog verkrijgbaar, belangstellenden geef ik graag informatie.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 30 november 2018.
zondag 4 november 2018
Visie
Wi azoi iz dos far die Jidn? Door de eeuwen heen was dit misschien wel de meest Joodse vraag aller Joodse vragen. Hoe is het voor de Joden? Hoe goed (of niet goed) hebben de Joden het in jouw land?
Op vakanties ben ik altijd op zoek naar sporen van Joods leven. Toen we nog met het hele gezin reisden, heb ik de liefde van mijn leven en onze kinderen, tot ze er gek van werden, meegesleept naar sjoels, Joodse begraafplaatsen, monumenten, etc. En altijd zocht ik contact met leden van de plaatselijke Joodse gemeenschap. Gesprekken met Joodse ‘locals’ waren steevast een hoogtepunt van de reis.
Bij die ontmoetingen was het welzijn van Joden dáár en hier natuurlijk onderwerp van gesprek. Zijn Joden in jouw land geïntegreerd in de maatschappij? Zijn ze veilig? Hebben ze last van risjes? Et cetera.
Eigenlijk kwam Nederland er altijd gunstig af. De laatste jaren is er weliswaar het een en ander veranderd, maar ik vond – en vind! – dat wij, Nederlandse Joden, ons geen ernstige zorgen hoeven te maken. Ik sluit mijn ogen niet voor wat er om ons heen gebeurt. Zeker niet. Zo vind ik het nog steeds niet normaal dat ik langs een mini-peloton marechaussees moet lopen als ik het hek van onze sjoel nader. Maar ik voel mij veilig. Risjes en antisemitische uitingen zijn mijn deur nog steeds voorbij gegaan. Ik slaap niet met een gepakte koffer onder m’n bed. Ik kan mijn Joodse leven leiden zonder enige beperking. En hoewel ik geen warme gevoelens krijg van het Nederlanderschap (nationaliteiten zeggen me niet zoveel), voel ik mij als Jood thuis in Nederland.
Het interview met Tamarah Benima in de Volkskrant van 4 oktober kwam dan ook als een schok. Laat ik het duidelijker zeggen: ik schrok me rot! Tamarah is in mijn ogen niet de eerste de beste. Ze heeft haar sporen in Joods Nederland verdiend. En, belangrijker nog, ze is een denker. Als een interview met haar begint met “Meneer Hitler heeft gewonnen,” dan lopen de rillingen over m’n rug. Dat kan ze niet menen! Maar dat doet ze wel. De crux zit misschien wel in haar antwoord op de vraag “Bent u bang voor een islamisering van Europa?” Om te beginnen had ze kunnen, en moeten, vallen over het woord islamisering. Deze term is gemunt door politici die zwaar islamofoob zijn. Dat moeten we niet overnemen, zo’n term moeten we niet gemeengoed laten worden. En dan haar antwoord: “Ja, absoluut.” Dat ze direct daarna duidelijk maakt dat ze geen perspectief ziet voor het jodendom in Europa, wekt al geen verbazing meer.
Lieve Tamarah, je zit op het verkeerde spoor. Meneer H. (ik wil z’n naam niet nog eens noemen), heeft niet gewonnen. Hij heeft ons een zware slag toegebracht, maar mir zenen do. We zijn er nog. En onze kleine gemeenschap is, in aantallen, stabiel: het aantal Joden anno 2018 is min of meer gelijk aan dat van direct na de oorlog. Iets groter zelfs. Het aantal Nederlandse Joden dat alia maakt, is bijna te verwaarlozen. Zo groot is die dreiging vanuit moslimhoek blijkbaar niet. Of maken de Joden die te pas en te onpas Facebook vervuilen met hun angst voor moslims - vaak op een schandalig onfatsoenlijke manier - een grote fout? Hadden zij al lang alia moeten maken in plaats van te blijven roeptoeteren over (vermeend) moslim-antisemitisme?
Ik ben het met je eens dat er voor ons, Nederlandse Joden, problemen opdoemen. Maar die komen vanuit onze eigen gemeenschap, niet van buiten. Die problemen hebben te maken met een chronisch gebrek aan visie. En een gebrek aan lef. Die problemen zijn oplosbaar. Als we willen.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 2 november 2018.
Op vakanties ben ik altijd op zoek naar sporen van Joods leven. Toen we nog met het hele gezin reisden, heb ik de liefde van mijn leven en onze kinderen, tot ze er gek van werden, meegesleept naar sjoels, Joodse begraafplaatsen, monumenten, etc. En altijd zocht ik contact met leden van de plaatselijke Joodse gemeenschap. Gesprekken met Joodse ‘locals’ waren steevast een hoogtepunt van de reis.
Bij die ontmoetingen was het welzijn van Joden dáár en hier natuurlijk onderwerp van gesprek. Zijn Joden in jouw land geïntegreerd in de maatschappij? Zijn ze veilig? Hebben ze last van risjes? Et cetera.
Eigenlijk kwam Nederland er altijd gunstig af. De laatste jaren is er weliswaar het een en ander veranderd, maar ik vond – en vind! – dat wij, Nederlandse Joden, ons geen ernstige zorgen hoeven te maken. Ik sluit mijn ogen niet voor wat er om ons heen gebeurt. Zeker niet. Zo vind ik het nog steeds niet normaal dat ik langs een mini-peloton marechaussees moet lopen als ik het hek van onze sjoel nader. Maar ik voel mij veilig. Risjes en antisemitische uitingen zijn mijn deur nog steeds voorbij gegaan. Ik slaap niet met een gepakte koffer onder m’n bed. Ik kan mijn Joodse leven leiden zonder enige beperking. En hoewel ik geen warme gevoelens krijg van het Nederlanderschap (nationaliteiten zeggen me niet zoveel), voel ik mij als Jood thuis in Nederland.
Het interview met Tamarah Benima in de Volkskrant van 4 oktober kwam dan ook als een schok. Laat ik het duidelijker zeggen: ik schrok me rot! Tamarah is in mijn ogen niet de eerste de beste. Ze heeft haar sporen in Joods Nederland verdiend. En, belangrijker nog, ze is een denker. Als een interview met haar begint met “Meneer Hitler heeft gewonnen,” dan lopen de rillingen over m’n rug. Dat kan ze niet menen! Maar dat doet ze wel. De crux zit misschien wel in haar antwoord op de vraag “Bent u bang voor een islamisering van Europa?” Om te beginnen had ze kunnen, en moeten, vallen over het woord islamisering. Deze term is gemunt door politici die zwaar islamofoob zijn. Dat moeten we niet overnemen, zo’n term moeten we niet gemeengoed laten worden. En dan haar antwoord: “Ja, absoluut.” Dat ze direct daarna duidelijk maakt dat ze geen perspectief ziet voor het jodendom in Europa, wekt al geen verbazing meer.
Lieve Tamarah, je zit op het verkeerde spoor. Meneer H. (ik wil z’n naam niet nog eens noemen), heeft niet gewonnen. Hij heeft ons een zware slag toegebracht, maar mir zenen do. We zijn er nog. En onze kleine gemeenschap is, in aantallen, stabiel: het aantal Joden anno 2018 is min of meer gelijk aan dat van direct na de oorlog. Iets groter zelfs. Het aantal Nederlandse Joden dat alia maakt, is bijna te verwaarlozen. Zo groot is die dreiging vanuit moslimhoek blijkbaar niet. Of maken de Joden die te pas en te onpas Facebook vervuilen met hun angst voor moslims - vaak op een schandalig onfatsoenlijke manier - een grote fout? Hadden zij al lang alia moeten maken in plaats van te blijven roeptoeteren over (vermeend) moslim-antisemitisme?
Ik ben het met je eens dat er voor ons, Nederlandse Joden, problemen opdoemen. Maar die komen vanuit onze eigen gemeenschap, niet van buiten. Die problemen hebben te maken met een chronisch gebrek aan visie. En een gebrek aan lef. Die problemen zijn oplosbaar. Als we willen.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 2 november 2018.
Abonneren op:
Posts (Atom)