In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
‘Joden zijn net gewone mensen’ schreef je in je brief van twee weken geleden. Ik roep dat zelf ook nog wel eens. En dan wordt er heftig geknikt: natuurlijk zijn Joden gewone mensen. Voor de meeste Joden die ik ken – en dat zijn er best een paar – geldt dat zeker. De meeste? Ja, niet voor allemaal. Op zich is dat ook weer niet zo vreemd, overal vind je immers mensen die niet zo normaal zijn, dus ook onder Joden. Maar hoe zit dat voor ons Joden als groep? Kunnen wij ons als groep ook beroepen op ‘normaal zijn’?
Ik vrees dat het antwoord ‘nee’ is. En daar hoeven we ons niet voor te schamen. Dat heeft in mijn ogen alles te maken met de nasleep van de Sjoa. Boaz Blokhuis, één van de sprekers tijdens de Nationale Holocaust Herdenking, benoemde dat zijdelings. Hij refereerde aan onderzoek dat uitwijst dat een dergelijk zwaar oorlogstrauma zijn sporen nalaat tot in de vijfde generatie. (Even terzijde: Boaz moet verre, héél verre familie van ons zijn. De opa van zijn opa, die in Polen vermoord is, heette Alexander Waterman, net zoals mijn opa). Wij Joden hebben een excuus om een beetje mesjogge te zijn, om niet altijd te reageren als ‘normale mensen’. Denk maar eens aan onze goede vriend Jaap, ziwrona liwracha, die nog wel eens opmerkingen maakte waar wij kromme tenen van kregen, die had besloten zich na de oorlog niets meer te laten gezeggen. Opzettelijk Onaangepast Gedrag noem ik dat. Ik kon en kan dat goed hebben, overlevenden van de Sjoa hebben mij bij, zoals je weet, een vrijwel onbeperkt krediet.
Vervelend en onacceptabel wordt het wanneer leden van onze Joodse gemeenschap Calimero-gedrag vertonen. Of, erger nog, zich discriminatie, racisme of uitsluiting denken te kunnen permitteren wanneer zij vinden dat wij als Joden belaagd worden of in het gedrang komen.
Dit speelde weer na publicatie van het onderzoek van het Amerikaanse Schoen Cooperman Research (in opdracht van de Claims Conference) onder tweeduizend Nederlandse jongeren. De uitkomst van dat onderzoek is op z’n minst opvallend. Nou ja, niet alleen opvallend, ik vind die uitkomst eigenlijk schokkend. Zo’n grote groep, 23 procent van de ondervraagde jongeren, kent de feiten over de Sjoa niet óf verdraait die feiten bewust.
Wat vond jij trouwens van de reacties op die publicatie? Reacties in de pers en reacties van hen die ‘net normale mensen’ zijn?
Met een oordeel over reacties in de pers ben ik voorzichtig. Hoewel Schoen Cooperman een gerenommeerd onderzoeksbureau is, kan het natuurlijk zijn dat zij fouten hebben gemaakt en dat hun steekproef niet representatief is. Ik kan daar niet over oordelen. Het cijfer dat ik tijdens mijn studie in Breda voor statistiek haalde, kwam nooit hoger dan een vier. Toch viel de gretigheid waarmee de kritiek werd geuit, me op. Maar, nogmaals, misschien is die kritiek terecht.
Over die andere reacties ben ik minder mild. Ik las weer verschrikkelijke dingen. Natuurlijk hield die 23 procent me bezig, vroeg ook ik me af hoe dit mogelijk is. Ik heb niet de illusie dat ik wel even het antwoord heb. Maar, als ik toch een bescheiden poging mag wagen, de oorzaak in het onderwijs zoeken lijkt me niet vreemd. Of eigenlijk niet in het onderwijs, maar bij onze regering. Het curriculum voor het onderwijs is immers een overheidszaak. Het vak geschiedenis is in de loop der jaren steeds minder belangrijk gemaakt. Op het vmbo bijvoorbeeld, is geschiedenis alleen in de onderbouw (de eerste twee jaren) een verplicht vak. Tsja, wat verwacht je dan aan kennis aan het eind van de schooltijd.
Niet iedereen zocht het meteen in het onderwijs. De bekende Pavlov-reactie kwam weer op: het zijn de Moslims! De hele riedel kwam voorbij: op alle scholen in Nederland worden docenten door Moslim-leerlingen bedreigd, Moslims hebben zo’n jodenhaat dat zij voorkomen dat er onderwijs wordt gegeven over de Sjoa, et cetera. Dat die 23 procent werd bepaald door Moslim-jongeren, dat is voor sommigen zonneklaar. Elke vorm van onderbouwing ontbreekt. Ik word er zo moedeloos van …
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 10 februari 2023.
vrijdag 17 februari 2023
donderdag 2 februari 2023
Brief van Asjer, 27 januari 2023
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Pap,
Ik was blij om te lezen dat mama en jij zijn gaan kijken in het Verzetsmuseum. Al dat geschreeuw over die nieuwe tentoonstelling, ik word er niet vrolijk van. Als we de energie die loskomt bij dit soort opstootjes nou eens zouden steken in het organiseren van een wedstrijd viskoekjes bakken, of een Joods festival zoals laatst in de rubriek Mensch geopperd werd. Als je niet beter zou weten, zou je denken dat Joods-zijn in Nederland vooral betekent dat je je opwindt over iets waar je het niet mee eens bent. Niet dat je om die reden nooit ergens tegenin zou mogen gaan, maar toch …
Ach, Joden zijn ook net mensen. En dat schijnt al eeuwenlang het geval te zijn, zoals afgelopen week weer eens bleek. Tijdens mijn werk als catalograaf bij de Bibliotheca Rosenthaliana – de Joodse collectie van de Universiteitsbibliotheek van de UvA – kwam ik een mooi boekje tegen. Het boekje komt uit de collectie Cassuto en heet Chanças del ingenio y dislates de la Musa. Geschreven door Manuel de Pina - die we hier in Amsterdam ook wel Jacob noemden – en waarschijnlijk gedrukt in Amsterdam in 1656.
De Pina was een converso, geboren in Lissabon waar hij leefde als katholiek, maar in 1660 naar Amsterdam gekomen waar hij Joods ging doen. Maar zoals voor veel converso’s gold, betekende dit allerminst dat hij zijn Iberische cultuur achter zich liet. Integendeel. Die cultuur floreerde in het Amsterdam van de zeventiende eeuw, en De Pina’s boekje is daar een voorbeeld van. Het bevat erotische gedichten en een burleske komedie. De Pina droeg zijn boekje op aan Mozes Curiel, een bekende figuur onder de Portugese Joden in Amsterdam en een vooraanstaand man die fungeerde als agent van de Portugese koning.
Dat soort erotische literatuur was populair op het Iberisch Schiereiland, maar in Amsterdam was niet iedereen er even blij mee. De vrijere seksuele moraal strookte niet helemaal met de ideeën over zedelijkheid die de Portugese rabbijnen hier voor ogen hadden. Maar daar leek de gemiddelde Portugese Jood zich niets van aan te trekken. Het boek vond gretig aftrek. Joden zijn net gewone mensen, zullen we maar zeggen.
De parnassiem, bestuurders van de Portugese gemeente, deden het boek daarom in de ban. Tenminste, aanvankelijk. Toen Mozes Curiel parnas werd, verdween het boek ineens weer van de lijst met verboden boeken. Had ik al gezegd dat Joden net gewone mensen zijn? Later werd het boek tóch weer verbannen. Dat verbannen is trouwens ook helemaal niet zo bijzonder. Je zou kunnen zeggen dat de zeventiende eeuw zo’n beetje de gouden eeuw van verbannen was in het Amsterdamse jodendom. Een paar dagen nadat de ban op het boek van De Pina was uitgevaardigd, werd onze grote vriend Spinoza verbannen. Zelfs rabbijnen waren er niet van uitgezonderd. In 1640 leidde een conflict ertoe dat de beroemde rabbijn Menasseh ben Israel in de ban werd gedaan.
Nu we het toch over rabbijnen hebben, die blijken óók al net mensen te zijn. De Hamburgse rabbijn Samuel Abas en zijn Haagse collega David Nunes Torres hadden namelijk een kopie van het boek van De Pina in hun bibliotheek. Ik snap die rabbijnen wel. Ergens is het jammer dat we vandaag de dag geen boeken meer verbannen. Bijna niets klinkt zo spannend als het lezen van een verboden boek. Het zou direct met stip bovenaan mijn verlanglijstje komen te staan. Maar goed, dat is voor een andere keer.
Ik zou zo graag willen dat we in het publieke debat, in het nieuws, in de maatschappij, wat vaker zouden zien dat Joden gewone mensen zijn. Wanneer het over Joden gaat, is dat al snel in de context van de Sjoa of Israël, en al snel omdat ‘we’ weer ergens boos over zijn. Terwijl de ruim 50.000 Joden in Nederland doorgaans heel gewone levens leiden, links zijn of juist rechts, van Feyenoord houden (ik kan het me nauwelijks voorstellen, maar okay) of juist van Ajax, graag naar Ibiza op vakantie gaan of juist willen fietsen in Duitsland. Net als alle andere Nederlanders. Kunnen we het daar misschien een keer over hebben?
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 27 januari 2023.
Lieve Pap,
Ik was blij om te lezen dat mama en jij zijn gaan kijken in het Verzetsmuseum. Al dat geschreeuw over die nieuwe tentoonstelling, ik word er niet vrolijk van. Als we de energie die loskomt bij dit soort opstootjes nou eens zouden steken in het organiseren van een wedstrijd viskoekjes bakken, of een Joods festival zoals laatst in de rubriek Mensch geopperd werd. Als je niet beter zou weten, zou je denken dat Joods-zijn in Nederland vooral betekent dat je je opwindt over iets waar je het niet mee eens bent. Niet dat je om die reden nooit ergens tegenin zou mogen gaan, maar toch …
Ach, Joden zijn ook net mensen. En dat schijnt al eeuwenlang het geval te zijn, zoals afgelopen week weer eens bleek. Tijdens mijn werk als catalograaf bij de Bibliotheca Rosenthaliana – de Joodse collectie van de Universiteitsbibliotheek van de UvA – kwam ik een mooi boekje tegen. Het boekje komt uit de collectie Cassuto en heet Chanças del ingenio y dislates de la Musa. Geschreven door Manuel de Pina - die we hier in Amsterdam ook wel Jacob noemden – en waarschijnlijk gedrukt in Amsterdam in 1656.
De Pina was een converso, geboren in Lissabon waar hij leefde als katholiek, maar in 1660 naar Amsterdam gekomen waar hij Joods ging doen. Maar zoals voor veel converso’s gold, betekende dit allerminst dat hij zijn Iberische cultuur achter zich liet. Integendeel. Die cultuur floreerde in het Amsterdam van de zeventiende eeuw, en De Pina’s boekje is daar een voorbeeld van. Het bevat erotische gedichten en een burleske komedie. De Pina droeg zijn boekje op aan Mozes Curiel, een bekende figuur onder de Portugese Joden in Amsterdam en een vooraanstaand man die fungeerde als agent van de Portugese koning.
Dat soort erotische literatuur was populair op het Iberisch Schiereiland, maar in Amsterdam was niet iedereen er even blij mee. De vrijere seksuele moraal strookte niet helemaal met de ideeën over zedelijkheid die de Portugese rabbijnen hier voor ogen hadden. Maar daar leek de gemiddelde Portugese Jood zich niets van aan te trekken. Het boek vond gretig aftrek. Joden zijn net gewone mensen, zullen we maar zeggen.
De parnassiem, bestuurders van de Portugese gemeente, deden het boek daarom in de ban. Tenminste, aanvankelijk. Toen Mozes Curiel parnas werd, verdween het boek ineens weer van de lijst met verboden boeken. Had ik al gezegd dat Joden net gewone mensen zijn? Later werd het boek tóch weer verbannen. Dat verbannen is trouwens ook helemaal niet zo bijzonder. Je zou kunnen zeggen dat de zeventiende eeuw zo’n beetje de gouden eeuw van verbannen was in het Amsterdamse jodendom. Een paar dagen nadat de ban op het boek van De Pina was uitgevaardigd, werd onze grote vriend Spinoza verbannen. Zelfs rabbijnen waren er niet van uitgezonderd. In 1640 leidde een conflict ertoe dat de beroemde rabbijn Menasseh ben Israel in de ban werd gedaan.
Nu we het toch over rabbijnen hebben, die blijken óók al net mensen te zijn. De Hamburgse rabbijn Samuel Abas en zijn Haagse collega David Nunes Torres hadden namelijk een kopie van het boek van De Pina in hun bibliotheek. Ik snap die rabbijnen wel. Ergens is het jammer dat we vandaag de dag geen boeken meer verbannen. Bijna niets klinkt zo spannend als het lezen van een verboden boek. Het zou direct met stip bovenaan mijn verlanglijstje komen te staan. Maar goed, dat is voor een andere keer.
Ik zou zo graag willen dat we in het publieke debat, in het nieuws, in de maatschappij, wat vaker zouden zien dat Joden gewone mensen zijn. Wanneer het over Joden gaat, is dat al snel in de context van de Sjoa of Israël, en al snel omdat ‘we’ weer ergens boos over zijn. Terwijl de ruim 50.000 Joden in Nederland doorgaans heel gewone levens leiden, links zijn of juist rechts, van Feyenoord houden (ik kan het me nauwelijks voorstellen, maar okay) of juist van Ajax, graag naar Ibiza op vakantie gaan of juist willen fietsen in Duitsland. Net als alle andere Nederlanders. Kunnen we het daar misschien een keer over hebben?
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 27 januari 2023.
donderdag 19 januari 2023
Brief aan Asjer, 13 januari 2023
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
Er is zoveel dat ik met je wil bespreken, waar moet ik beginnen?
Eerst een korte reactie op jouw laatste brief van 2022. Die kwam bij mij stevig binnen. Je haalt Rutger Bregman aan, een overtuigd veganist, die ervoor pleit om geen vlees en zuivel meer te consumeren. Zelf ben je nog niet zover, ook al eet je thuis tegenwoordig vegetarisch. “Het lukt mij blijkbaar niet het inzicht om te zetten in daden en mij te voegen bij de morele pioniers die de verandering waar ik zo op hoop, al ingezet hebben,” schrijf je. Thuis-vegetariër is een goed begin toch?
Hoewel het misschien niet je bedoeling was, voel ik me aangesproken. Ik ben niet zover als jij en ik denk dat ik ook nooit zover zal komen. Vlees vind ik tè lekker. Toch eten wij, zoals je weet, steeds vaker vegetarisch. En we letten erop dat we geen bio-industrie-producten in huis halen. Het dier dat wij consumeren moet een goed leven hebben gehad. Dat laatste zouden wij Joden trouwens moeten toevoegen aan de regels over kosjer slachten. Niet alleen strenge regels hanteren over de sjechita zelf, maar ook regels opstellen over de manier waarop een dier geleefd moet hebben. Iets voor de ideeënbus?
Iets anders: ik heb me deze week weer te vaak geërgerd. Om te beginnen over een radioprogramma en een tv-programma.
Bart Wallet was te gast bij het radioprogramma Dit is de dag. Gespreksonderwerp: ‘Antisemitisme en complotdenkers’. Bart noemde onder andere het vervalste boek De protocollen van de wijzen van Sion, over een fictieve vergadering van Joodse leiders, die in 1897 zou hebben plaatsgevonden. Na Barts heldere uitleg, zoals we van hem gewend zijn, concludeerde presentatrice Margje Fikse: “Maar voor u is het heel duidelijk dat het pure onzin is.” Bart víndt dat niet, het is een bewezen feit. Nou goed, dit houd ik maar op onwetendheid.
Erger was het op tv, bij Op1, waar ChristenUnie-voorman Gert-Jan Segers aan tafel zat. Het gesprek ging over zijn oproep aan het kabinet, samen met negen andere fractievoorzitters, om harde maatregelen te nemen tegen het misdadige regime in Iran. De presentatrices Natasja Gibbs en Nadia Moussaid (ja, zij ook, zo jammer) hadden een val opgezet. “Laten we even naar Palestina kijken,” was de geniepige opmerking van Gibbs, “het apartheidsregime van Israël: komt er ook een open brief …” Verder kwam zij niet. Segers onderbrak haar en pareerde uitstekend. “In Iran worden tieners en twintigers opgehangen omdat ze demonstreren voor vrijheid,” waren zijn woorden. De vergelijking noemde hij misplaatst. Te zacht uitgedrukt naar mijn smaak. De redactie van Op1, Gibbs en Moussaid moeten zich diep schamen. Blijkbaar zijn ook zij geobsedeerd door alles dat in Israël gebeurt. Dat ze impliciet de misdaden in Iran downplayen, hebben ze zich blijkbaar niet gerealiseerd. Knap stom!
Nou, nog één ergernis dan. Die heeft te maken met het Verzetsmuseum. Nee, schrik niet, een andere ergernis dan je denkt.
Na alle ophef over het vernieuwde Verzetsmuseum wilde ik wel eens met eigen ogen zien wat er allemaal mis was. Het zwakke media-optreden van directeur Liesbeth van der Horst deed mij eigenlijk het ergste vrezen. En de eerste teksten die ik las, direct na binnenkomst, hielpen ook niet mee. “Koningin Wilhelmina en de ministers wijken uit naar Engeland, daar sluiten zij zich aan bij de Geallieerden,” kan bij mij niet op goedkeuring rekenen, dat weet je. En Anton Mussert, de NSB-leider, Anton noemen … “Anton verwelkomt de Duitse nazi’s enthousiast” – het is mij wat te amicaal. Maar daarmee heb ik m’n belangrijkste kritiekpunten wel genoemd. We zagen een uitgebalanceerde tentoonstelling. Het verzet van Marokkanen, het verzet van de Surinamer Anton de Kom, vrouwen in het verzet, Joden in het verzet – het zit er allemaal in. En als ik, om een voorbeeld te noemen, lees over een pastoor, Henri Vullinghs, die vanaf de preekstoel oproept tot verzet, die onderduikadressen regelt en dit alles moet bekopen met de dood in Bergen-Belsen, dan hoeft daar niet het woord ‘held’ bij vermeld te worden. Dat kan ik zelf wel bedenken, dat hoeft niemand me voor te kauwen. Al die schreeuwerds op sociale media moeten écht zelf gaan kijken en daarna eerlijk oordelen.
Wanneer komen jullie eten? Dan praten we verder.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 13 januari 2023.
Lieve Asjer,
Er is zoveel dat ik met je wil bespreken, waar moet ik beginnen?
Eerst een korte reactie op jouw laatste brief van 2022. Die kwam bij mij stevig binnen. Je haalt Rutger Bregman aan, een overtuigd veganist, die ervoor pleit om geen vlees en zuivel meer te consumeren. Zelf ben je nog niet zover, ook al eet je thuis tegenwoordig vegetarisch. “Het lukt mij blijkbaar niet het inzicht om te zetten in daden en mij te voegen bij de morele pioniers die de verandering waar ik zo op hoop, al ingezet hebben,” schrijf je. Thuis-vegetariër is een goed begin toch?
Hoewel het misschien niet je bedoeling was, voel ik me aangesproken. Ik ben niet zover als jij en ik denk dat ik ook nooit zover zal komen. Vlees vind ik tè lekker. Toch eten wij, zoals je weet, steeds vaker vegetarisch. En we letten erop dat we geen bio-industrie-producten in huis halen. Het dier dat wij consumeren moet een goed leven hebben gehad. Dat laatste zouden wij Joden trouwens moeten toevoegen aan de regels over kosjer slachten. Niet alleen strenge regels hanteren over de sjechita zelf, maar ook regels opstellen over de manier waarop een dier geleefd moet hebben. Iets voor de ideeënbus?
Iets anders: ik heb me deze week weer te vaak geërgerd. Om te beginnen over een radioprogramma en een tv-programma.
Bart Wallet was te gast bij het radioprogramma Dit is de dag. Gespreksonderwerp: ‘Antisemitisme en complotdenkers’. Bart noemde onder andere het vervalste boek De protocollen van de wijzen van Sion, over een fictieve vergadering van Joodse leiders, die in 1897 zou hebben plaatsgevonden. Na Barts heldere uitleg, zoals we van hem gewend zijn, concludeerde presentatrice Margje Fikse: “Maar voor u is het heel duidelijk dat het pure onzin is.” Bart víndt dat niet, het is een bewezen feit. Nou goed, dit houd ik maar op onwetendheid.
Erger was het op tv, bij Op1, waar ChristenUnie-voorman Gert-Jan Segers aan tafel zat. Het gesprek ging over zijn oproep aan het kabinet, samen met negen andere fractievoorzitters, om harde maatregelen te nemen tegen het misdadige regime in Iran. De presentatrices Natasja Gibbs en Nadia Moussaid (ja, zij ook, zo jammer) hadden een val opgezet. “Laten we even naar Palestina kijken,” was de geniepige opmerking van Gibbs, “het apartheidsregime van Israël: komt er ook een open brief …” Verder kwam zij niet. Segers onderbrak haar en pareerde uitstekend. “In Iran worden tieners en twintigers opgehangen omdat ze demonstreren voor vrijheid,” waren zijn woorden. De vergelijking noemde hij misplaatst. Te zacht uitgedrukt naar mijn smaak. De redactie van Op1, Gibbs en Moussaid moeten zich diep schamen. Blijkbaar zijn ook zij geobsedeerd door alles dat in Israël gebeurt. Dat ze impliciet de misdaden in Iran downplayen, hebben ze zich blijkbaar niet gerealiseerd. Knap stom!
Nou, nog één ergernis dan. Die heeft te maken met het Verzetsmuseum. Nee, schrik niet, een andere ergernis dan je denkt.
Na alle ophef over het vernieuwde Verzetsmuseum wilde ik wel eens met eigen ogen zien wat er allemaal mis was. Het zwakke media-optreden van directeur Liesbeth van der Horst deed mij eigenlijk het ergste vrezen. En de eerste teksten die ik las, direct na binnenkomst, hielpen ook niet mee. “Koningin Wilhelmina en de ministers wijken uit naar Engeland, daar sluiten zij zich aan bij de Geallieerden,” kan bij mij niet op goedkeuring rekenen, dat weet je. En Anton Mussert, de NSB-leider, Anton noemen … “Anton verwelkomt de Duitse nazi’s enthousiast” – het is mij wat te amicaal. Maar daarmee heb ik m’n belangrijkste kritiekpunten wel genoemd. We zagen een uitgebalanceerde tentoonstelling. Het verzet van Marokkanen, het verzet van de Surinamer Anton de Kom, vrouwen in het verzet, Joden in het verzet – het zit er allemaal in. En als ik, om een voorbeeld te noemen, lees over een pastoor, Henri Vullinghs, die vanaf de preekstoel oproept tot verzet, die onderduikadressen regelt en dit alles moet bekopen met de dood in Bergen-Belsen, dan hoeft daar niet het woord ‘held’ bij vermeld te worden. Dat kan ik zelf wel bedenken, dat hoeft niemand me voor te kauwen. Al die schreeuwerds op sociale media moeten écht zelf gaan kijken en daarna eerlijk oordelen.
Wanneer komen jullie eten? Dan praten we verder.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 13 januari 2023.
donderdag 22 december 2022
Brief van Asjer, 16 december 2022
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Pap,
Jammer dat ik dit jaar niet mee kon naar IDFA. Vorig jaar kregen wij jullie kaartjes voor de ‘Groene Amsterdammerdag’ waar jullie zelf niet naartoe konden. En zoals je terecht schrijft, die films bekrachtigen de wens de zaken eens door een andere bril te bekijken. Grossman is zeker een goed voorbeeld. Maar vooral omdat hij niet alleen de zaken door andere ogen weet te bekijken, maar die frisse blik vervolgens ook zijn handelen laat vormen. Iemand die de daad bij het woord voegt.
Want ik moet bekennen, een enigszins ambivalent gevoel bekroop mij bij het lezen van je brief. Zaken door de ogen van een ander kunnen zien, is belangrijk. Ik denk dat de meesten dat zullen beamen. Maar elkaar feliciteren met de inzichten die we verkrijgen op enigszins elitaire filmfestivals, daar schieten we weinig mee op. En als we de daad niet bij het woord voegen, loopt het daar al snel op uit. De vraag is: hoe nu verder? Waar leiden de nieuwe perspectieven toe?
Of is dat te cynisch? Misschien heeft dat wel te maken met een persoonlijke worsteling: een nieuw inzicht leidt niet direct tot handelen in mijn eigen leven. Gisteren luisterde ik naar een podcast van Rutger Bregman, bekend van de bestseller Alle mensen deugen. Bregman is overtuigd veganist en las in de podcast een essay van eigen hand voor, waarin hij zich afvraagt hoe we kunnen weten of we aan de verkeerde kant van de geschiedenis staan. Tijdens de slavernij waren er weinig mensen die slaven houden als moreel verwerpelijk zagen, terwijl die gedachte nu vanzelfsprekend is. Maar hoe kon je driehonderd jaar geleden weten dat we er vandaag de dag zo naar zouden kijken? Hoe had je toen al kunnen weten dat we aan de verkeerde kant van de geschiedenis stonden? Slavernij is natuurlijk maar een van de vele voorbeelden, de geschiedenis zit er vol mee. En het is heel waarschijnlijk dat soortgelijke situaties vandaag de dag ook spelen. Wat zijn de zaken die wij nu heel normaal vinden waarop ze over vijftig of honderd jaar zullen terugkijken met een blik van walging, zoals wij nu naar slavernij kijken?
Je raadt het al: Bregman meent dat vlees en zuivel eten, en dan vooral de bio-industrie die dat voor ons mogelijk maakt, een van die dingen is. Als je leest en hoort hoe er met dieren wordt omgegaan om ons van vlees en kaas te voorzien, valt moeilijk vol te houden dat we dat maar normaal moeten vinden. Ik denk dat Bregman weleens gelijk kan hebben. Over honderd jaar zullen ze vast van ons walgen als ze in geschiedenisboeken lezen over de bio-industrie. Er voor het gemak even van uitgaande dat we inderdaad op een soort kantelpunt zitten in de geschiedenis, en dat er over een eeuw geen bio-industrie meer bestaat. Het inzicht deel ik, Bregman en anderen hebben mij door de ogen van een ander, het dier in dit geval, laten kijken. En toch ben ik (nog?) geen overtuigd veganist. Je weet dat ik geen vlees meer in huis haal, maar buiten de deur wil ik nog weleens een stukje vlees eten. En zuivelproducten consumeer ik nog dagelijks. Het lukt mij blijkbaar niet het inzicht om te zetten in daden en mij te voegen bij de morele pioniers die de verandering waar ik zo op hoop, al ingezet hebben.
Morele pioniers zijn geen heiligen, zegt Bregman. Ze lopen alleen voorop. Wie loopt er vandaag voorop? Als Joodse gemeenschap zijn we doorgaans heel trots op Joden die in het verleden vooropliepen in wereldveranderingen. We zijn trots op Aletta Jacobs en wat zij heeft betekend voor de vrouwenemancipatie, trots op Harvey Milk of Benno Premsela als voorvechters van homorechten, en op rabbijn Heschel die met Martin Luther King vooropliep in de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Achteraf trots zijn is gemakkelijk. Wie steunde deze mensen toen het er écht toe deed? Feliciteren we elkaar met het morele gelijk dat vanwege de gedeelde geschiedenis met deze pioniers toch een beetje - zo lijken we te denken - op ons afstraalt? Of laten we ons er ook door inspireren om zelf anders te handelen in soortgelijke situaties?
Hoe zorgen we ervoor dat nieuw inzicht leidt tot nieuw handelen? En kunnen we over honderd jaar trots zijn op iemand uit onze gemeenschap die vooropliep op de weg naar afschaffing van de bio-industrie? Die de kippensoep wist te vervangen door een diervriendelijk alternatief?
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 16 december 2022.
Lieve Pap,
Jammer dat ik dit jaar niet mee kon naar IDFA. Vorig jaar kregen wij jullie kaartjes voor de ‘Groene Amsterdammerdag’ waar jullie zelf niet naartoe konden. En zoals je terecht schrijft, die films bekrachtigen de wens de zaken eens door een andere bril te bekijken. Grossman is zeker een goed voorbeeld. Maar vooral omdat hij niet alleen de zaken door andere ogen weet te bekijken, maar die frisse blik vervolgens ook zijn handelen laat vormen. Iemand die de daad bij het woord voegt.
Want ik moet bekennen, een enigszins ambivalent gevoel bekroop mij bij het lezen van je brief. Zaken door de ogen van een ander kunnen zien, is belangrijk. Ik denk dat de meesten dat zullen beamen. Maar elkaar feliciteren met de inzichten die we verkrijgen op enigszins elitaire filmfestivals, daar schieten we weinig mee op. En als we de daad niet bij het woord voegen, loopt het daar al snel op uit. De vraag is: hoe nu verder? Waar leiden de nieuwe perspectieven toe?
Of is dat te cynisch? Misschien heeft dat wel te maken met een persoonlijke worsteling: een nieuw inzicht leidt niet direct tot handelen in mijn eigen leven. Gisteren luisterde ik naar een podcast van Rutger Bregman, bekend van de bestseller Alle mensen deugen. Bregman is overtuigd veganist en las in de podcast een essay van eigen hand voor, waarin hij zich afvraagt hoe we kunnen weten of we aan de verkeerde kant van de geschiedenis staan. Tijdens de slavernij waren er weinig mensen die slaven houden als moreel verwerpelijk zagen, terwijl die gedachte nu vanzelfsprekend is. Maar hoe kon je driehonderd jaar geleden weten dat we er vandaag de dag zo naar zouden kijken? Hoe had je toen al kunnen weten dat we aan de verkeerde kant van de geschiedenis stonden? Slavernij is natuurlijk maar een van de vele voorbeelden, de geschiedenis zit er vol mee. En het is heel waarschijnlijk dat soortgelijke situaties vandaag de dag ook spelen. Wat zijn de zaken die wij nu heel normaal vinden waarop ze over vijftig of honderd jaar zullen terugkijken met een blik van walging, zoals wij nu naar slavernij kijken?
Je raadt het al: Bregman meent dat vlees en zuivel eten, en dan vooral de bio-industrie die dat voor ons mogelijk maakt, een van die dingen is. Als je leest en hoort hoe er met dieren wordt omgegaan om ons van vlees en kaas te voorzien, valt moeilijk vol te houden dat we dat maar normaal moeten vinden. Ik denk dat Bregman weleens gelijk kan hebben. Over honderd jaar zullen ze vast van ons walgen als ze in geschiedenisboeken lezen over de bio-industrie. Er voor het gemak even van uitgaande dat we inderdaad op een soort kantelpunt zitten in de geschiedenis, en dat er over een eeuw geen bio-industrie meer bestaat. Het inzicht deel ik, Bregman en anderen hebben mij door de ogen van een ander, het dier in dit geval, laten kijken. En toch ben ik (nog?) geen overtuigd veganist. Je weet dat ik geen vlees meer in huis haal, maar buiten de deur wil ik nog weleens een stukje vlees eten. En zuivelproducten consumeer ik nog dagelijks. Het lukt mij blijkbaar niet het inzicht om te zetten in daden en mij te voegen bij de morele pioniers die de verandering waar ik zo op hoop, al ingezet hebben.
Morele pioniers zijn geen heiligen, zegt Bregman. Ze lopen alleen voorop. Wie loopt er vandaag voorop? Als Joodse gemeenschap zijn we doorgaans heel trots op Joden die in het verleden vooropliepen in wereldveranderingen. We zijn trots op Aletta Jacobs en wat zij heeft betekend voor de vrouwenemancipatie, trots op Harvey Milk of Benno Premsela als voorvechters van homorechten, en op rabbijn Heschel die met Martin Luther King vooropliep in de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Achteraf trots zijn is gemakkelijk. Wie steunde deze mensen toen het er écht toe deed? Feliciteren we elkaar met het morele gelijk dat vanwege de gedeelde geschiedenis met deze pioniers toch een beetje - zo lijken we te denken - op ons afstraalt? Of laten we ons er ook door inspireren om zelf anders te handelen in soortgelijke situaties?
Hoe zorgen we ervoor dat nieuw inzicht leidt tot nieuw handelen? En kunnen we over honderd jaar trots zijn op iemand uit onze gemeenschap die vooropliep op de weg naar afschaffing van de bio-industrie? Die de kippensoep wist te vervangen door een diervriendelijk alternatief?
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 16 december 2022.
donderdag 8 december 2022
Brief aan Asjer, 2 december 2022
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
Dank voor je brief van twee weken geleden. Zelden ben ik het zó met je eens geweest. We moeten blijvend waakzaam zijn en antisemitisme bestrijden waar en wanneer dat nodig is. Maar we moeten niet shoppen in onderzoeksresultaten en alleen de resultaten gebruiken die ons van pas komen. Met dit standpunt krijgen we niet bij iedereen de handen op elkaar, ik weet het. Er zal ons inderdaad al gauw worden verweten dat we het probleem bagatelliseren. Het zij zo.
Je hebt het mij al vaker horen zeggen: Wij, Joden, moeten het niet te vaak over het A-woord hebben. Daar worden we niet vrolijker van. We hebben het daar in onze brieven genoeg over gehad, tijd voor iets anders.
Als hard core fan van IDFA, al vanaf de allereerste editie in 1988, heb ik tussen 10 en 20 november weer veel documentaires gezien, 18 films! Voor aanvang van iedere film hebben de sponsors een minuutje ‘zendtijd’. Eén van de hoofdsponsors, Deloitte, sloot zijn boodschap af met een uitspraak die mij iedere keer weer pakte: Als je eens door de ogen van iemand anders kijkt, zie je daarna twee keer zoveel.
Dat zinnetje spookte deze week meerdere keren door m’n hoofd. Bijvoorbeeld toen ik een interview zag met Joyce Sylvester, voorzitter van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme. Met haar werd gesproken over de commotie over het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden door de Nederlandse regering. Ik had daar al over gelezen en ik moet eerlijk bekennen dat mij heel even – echt héél even, maar toch – de gedachte bekroop ‘Is het dan nooit goed’. Ik realiseerde me al snel dat ik door de ogen van de ander moest kijken. En ja, dan is er op de manier waarop de regering dit wil aanpakken, wel het een en ander aan te merken. Je kunt erover discussiëren wie de regering moet vertegenwoordigen. Armand Zunder, voorzitter van de Nationale Reparatie Commissie Suriname (nee, ik had ook nooit van hem gehoord) vindt dat de koning dat moet doen. En als die niet beschikbaar is, dan maar premier Rutte. Zunder zet hoog in. Te hoog? Ik weet het niet. Maar dat Zunder de keuze voor Franc Weerwind, onze minister voor rechtsbescherming, erg vreemd vindt, ja daar kan ik wel inkomen. Weerwind is zelf een nakomeling van tot slaaf gemaakten. Hij kan die excuses dus mooi aan zichzelf aanbieden. Dat kan niet de bedoeling zijn. Zunder benadrukt verder dat de formulering van de spijtbetuiging belangrijk is. De datum van 19 december komt veel te vroeg, zegt hij. Zijn advies: uitstellen tot 1 juli 2023, dan is het op de kop af 150 jaar geleden dat de slavernij in Suriname en op de Antillen officieel werd beëindigd. En het geeft de regering tijd om de tekst goed te formuleren. Je kunt die excuses immers maar één keer aanbieden. Ja, die formulering is belangrijk. Het aanbieden van excuses behoor je niet voor jezelf te doen, het is geen middel om je eigen geweten te zuiveren. Alleen de ander proberen tevreden te stellen, is ook niet voldoende. Met het aanbieden van excuses moeten stereotypen worden afgebroken, het moet het startpunt van verzoening zijn. Dat kan maar op één manier. Inderdaad: het geheel bekijken door de ogen van een ander, door de ogen van dè ander.
In hetzelfde tv-programma, Buitenhof, zag ik een interview met David Grossman. Hij stond in Nederland natuurlijk extra in de belangstelling vanwege de Erasmusprijs die hem is toegekend. De liefde van mijn leven – ja, jouw moeder – was naar een avond in ITA waar hij werd geïnterviewd door Arnon Grünberg. ‘Ge-wel-dig’ vond ze het. Ik had die avond een dinerafspraak met J., mijn oude webmaster, en moest het daardoor doen met twee latere interviews, één in de krant en één op tv. Zelfs van papier of van het beeldscherm spat Grossman’s kracht je tegemoet. Zoals hij het Israëlisch-Palestijns probleem weet te benoemen, zonder wraakgevoelens (ondanks het verdriet om zijn in Libanon gesneuvelde zoon Uri), zoals hij uitlegt dat je moet proberen de vijand te begrijpen, echt prachtig. Zijn verhaal geeft ook hoop. Grossman benadrukt dat Israël een sterk leger nodig heeft, maar daarnaast moeten beide partijen actief naar vrede streven. Door het eigen verhaal met andere woorden te vertellen, maar vooral door de vijand te begrijpen. En dat doe je, voeg ik er zelf aan toe, als je probeert door de ogen van die vijand te kijken.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 2 december 2022.
Lieve Asjer,
Dank voor je brief van twee weken geleden. Zelden ben ik het zó met je eens geweest. We moeten blijvend waakzaam zijn en antisemitisme bestrijden waar en wanneer dat nodig is. Maar we moeten niet shoppen in onderzoeksresultaten en alleen de resultaten gebruiken die ons van pas komen. Met dit standpunt krijgen we niet bij iedereen de handen op elkaar, ik weet het. Er zal ons inderdaad al gauw worden verweten dat we het probleem bagatelliseren. Het zij zo.
Je hebt het mij al vaker horen zeggen: Wij, Joden, moeten het niet te vaak over het A-woord hebben. Daar worden we niet vrolijker van. We hebben het daar in onze brieven genoeg over gehad, tijd voor iets anders.
Als hard core fan van IDFA, al vanaf de allereerste editie in 1988, heb ik tussen 10 en 20 november weer veel documentaires gezien, 18 films! Voor aanvang van iedere film hebben de sponsors een minuutje ‘zendtijd’. Eén van de hoofdsponsors, Deloitte, sloot zijn boodschap af met een uitspraak die mij iedere keer weer pakte: Als je eens door de ogen van iemand anders kijkt, zie je daarna twee keer zoveel.
Dat zinnetje spookte deze week meerdere keren door m’n hoofd. Bijvoorbeeld toen ik een interview zag met Joyce Sylvester, voorzitter van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme. Met haar werd gesproken over de commotie over het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden door de Nederlandse regering. Ik had daar al over gelezen en ik moet eerlijk bekennen dat mij heel even – echt héél even, maar toch – de gedachte bekroop ‘Is het dan nooit goed’. Ik realiseerde me al snel dat ik door de ogen van de ander moest kijken. En ja, dan is er op de manier waarop de regering dit wil aanpakken, wel het een en ander aan te merken. Je kunt erover discussiëren wie de regering moet vertegenwoordigen. Armand Zunder, voorzitter van de Nationale Reparatie Commissie Suriname (nee, ik had ook nooit van hem gehoord) vindt dat de koning dat moet doen. En als die niet beschikbaar is, dan maar premier Rutte. Zunder zet hoog in. Te hoog? Ik weet het niet. Maar dat Zunder de keuze voor Franc Weerwind, onze minister voor rechtsbescherming, erg vreemd vindt, ja daar kan ik wel inkomen. Weerwind is zelf een nakomeling van tot slaaf gemaakten. Hij kan die excuses dus mooi aan zichzelf aanbieden. Dat kan niet de bedoeling zijn. Zunder benadrukt verder dat de formulering van de spijtbetuiging belangrijk is. De datum van 19 december komt veel te vroeg, zegt hij. Zijn advies: uitstellen tot 1 juli 2023, dan is het op de kop af 150 jaar geleden dat de slavernij in Suriname en op de Antillen officieel werd beëindigd. En het geeft de regering tijd om de tekst goed te formuleren. Je kunt die excuses immers maar één keer aanbieden. Ja, die formulering is belangrijk. Het aanbieden van excuses behoor je niet voor jezelf te doen, het is geen middel om je eigen geweten te zuiveren. Alleen de ander proberen tevreden te stellen, is ook niet voldoende. Met het aanbieden van excuses moeten stereotypen worden afgebroken, het moet het startpunt van verzoening zijn. Dat kan maar op één manier. Inderdaad: het geheel bekijken door de ogen van een ander, door de ogen van dè ander.
In hetzelfde tv-programma, Buitenhof, zag ik een interview met David Grossman. Hij stond in Nederland natuurlijk extra in de belangstelling vanwege de Erasmusprijs die hem is toegekend. De liefde van mijn leven – ja, jouw moeder – was naar een avond in ITA waar hij werd geïnterviewd door Arnon Grünberg. ‘Ge-wel-dig’ vond ze het. Ik had die avond een dinerafspraak met J., mijn oude webmaster, en moest het daardoor doen met twee latere interviews, één in de krant en één op tv. Zelfs van papier of van het beeldscherm spat Grossman’s kracht je tegemoet. Zoals hij het Israëlisch-Palestijns probleem weet te benoemen, zonder wraakgevoelens (ondanks het verdriet om zijn in Libanon gesneuvelde zoon Uri), zoals hij uitlegt dat je moet proberen de vijand te begrijpen, echt prachtig. Zijn verhaal geeft ook hoop. Grossman benadrukt dat Israël een sterk leger nodig heeft, maar daarnaast moeten beide partijen actief naar vrede streven. Door het eigen verhaal met andere woorden te vertellen, maar vooral door de vijand te begrijpen. En dat doe je, voeg ik er zelf aan toe, als je probeert door de ogen van die vijand te kijken.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 2 december 2022.
donderdag 24 november 2022
Brief van Asjer, 18 november 2022
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn lieve zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Pap,
De foto’s uit Koerdistan zagen er prachtig uit. Stiekem ben ik wel een beetje jaloers op jullie reis. Maar ach, met mijn vakantiereis naar Suriname had ik ook niets te klagen. Vergelijken moet je nooit doen, niet van leed maar misschien ook niet van plezier. Maar toch, je ontkomt er niet aan. En zoals je terecht schrijft: een beetje leed vergelijken kan misschien geen kwaad. Het zorgt ervoor dat we onze eigen sores in perspectief kunnen plaatsen.
Ik moest aan die opmerking uit jouw laatste brief denken toen wij een tijdje terug bij de Ronny Naftaniëllezing aanwezig waren. Die werd uitgesproken door onze minister van Justitie en Veiligheid die in haar toespraak het ene antisemitische incident na het andere oplepelde. De stijgende cijfers uit de antisemitismemonitor werden aangehaald, evenals het FRA-rapport uit 2018 waaruit blijkt dat 62 procent van de ondervraagden heeft overwogen Nederland te verlaten uit angst voor antisemitisme.
Allemaal betrouwbare cijfers, maar is dat het volledige plaatje? Ik vraag me af waarom ik in alle verhalen over het groeiende antisemitisme nooit iets hoor over de onderzoeksresultaten die CIDI en CJO in juni van dit jaar publiceerden. Het is een onderzoek naar antisemitische attitudes onder de Nederlandse bevolking en is ontzettend interessant. Anders dan andere studies in Nederland, laat dit rapport het niet bij meldingen of ervaringen van individuen. Het vergelijkt ook Joden met andere minderheden. Verrassend genoeg concluderen de onderzoekers dat mensen veel negatiever staan tegenover andere minderheden, zoals Marokkanen, Turken, Antillianen, Koerden of Surinamers, dan tegenover Joden. Mensen vinden het doorgaans erger als een goede vriend een relatie krijgt met iemand die gereformeerd of een politicus is, dan als hij bevriend raakt met een Jood. Bijna 9 procent van de ondervraagden wil liever geen Jood als buurman. Best veel, denk je in eerste instantie. Totdat je ziet dat het percentage stijgt naar 45 procent wanneer de potentiële buurman uit Polen komt, en dat er maar één type is dat zij liever naast zich zien wonen, namelijk een Belg. Na de Belgen zijn de Joden dus de buren bij uitstek, als je het de gemiddelde Nederlander vraagt. Vergelijken geeft soms inzicht
Ik vraag me al maanden af waar de artikelen blijven die over deze conclusies berichten. Ja, het CIDI stuurde zelf een persbericht uit over het onderzoek en de media besteedden er hier en daar aandacht aan. De informatie beperkte zich echter tot de conclusie dat er nog steeds hardnekkige vooroordelen over Joden leven onder een deel van de Nederlanders. Met geen woord werd gerept over de vergelijking met andere minderheden, laat staan dat de vraag wordt gesteld hoe het kan dat andere minderheden het volgens dit onderzoek een stuk erger lijken te hebben.
Als je naar de lezing van de minister luistert, krijg je het idee dat we leven in de jaren dertig van de vorige eeuw. Sterker nog, die vergelijking maakte ze rechtstreeks, zonder blikken of blozen. Alle feiten en cijfers die de minister noemde, zijn waar. En het moet gezegd, ook ik maak mij zorgen om een partij als FvD die ervoor zorgt dat antisemitische complottheorieën salonfähig worden. Ik ben blij dat we een minister hebben die zich inzet voor de veiligheid van onze gemeenschap. Maar, en dit is waar ik mij zo aan stoor, andere cijfers die niet in het angstaanjagende plaatje passen, laat de minister voor het gemak buiten beschouwing. En zij is zeker niet de enige, in onze gemeenschap is het een veelvoorkomend fenomeen. Een vorm van intellectuele luiheid als je het mij vraagt: feiten die op gespannen voet met elkaar staan niet willen benoemen. Alsof je een deel van de onderzoeksresultaten voor het gemak maar even verzwijgt, omdat de conclusie dan makkelijker te trekken is.
David Wertheim schreef niet lang geleden in een essay dat antisemitisme te vaak een excuus wordt om niet meer na te hoeven denken. Als Baudet in de Tweede Kamer terecht wordt aangesproken op zijn antisemitisme, slokt dat alle aandacht op en blijft de andere gevaarlijke onzin die hij verkondigt ongenoemd. Ik meen dat voor de manier waarop de Joodse gemeenschap omgaat met antisemitisme iets soortgelijks geldt. We vertikken het na te denken, serieus te kijken naar cijfers die niet kloppen in het plaatje van toenemend antisemitisme. Als je dat wel doet, word je verweten dat je het probleem bagatelliseert. Maar kunnen we überhaupt weten wat het probleem behelst als we niet meer willen nadenken?
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 18 november 2022.
Lieve Pap,
De foto’s uit Koerdistan zagen er prachtig uit. Stiekem ben ik wel een beetje jaloers op jullie reis. Maar ach, met mijn vakantiereis naar Suriname had ik ook niets te klagen. Vergelijken moet je nooit doen, niet van leed maar misschien ook niet van plezier. Maar toch, je ontkomt er niet aan. En zoals je terecht schrijft: een beetje leed vergelijken kan misschien geen kwaad. Het zorgt ervoor dat we onze eigen sores in perspectief kunnen plaatsen.
Ik moest aan die opmerking uit jouw laatste brief denken toen wij een tijdje terug bij de Ronny Naftaniëllezing aanwezig waren. Die werd uitgesproken door onze minister van Justitie en Veiligheid die in haar toespraak het ene antisemitische incident na het andere oplepelde. De stijgende cijfers uit de antisemitismemonitor werden aangehaald, evenals het FRA-rapport uit 2018 waaruit blijkt dat 62 procent van de ondervraagden heeft overwogen Nederland te verlaten uit angst voor antisemitisme.
Allemaal betrouwbare cijfers, maar is dat het volledige plaatje? Ik vraag me af waarom ik in alle verhalen over het groeiende antisemitisme nooit iets hoor over de onderzoeksresultaten die CIDI en CJO in juni van dit jaar publiceerden. Het is een onderzoek naar antisemitische attitudes onder de Nederlandse bevolking en is ontzettend interessant. Anders dan andere studies in Nederland, laat dit rapport het niet bij meldingen of ervaringen van individuen. Het vergelijkt ook Joden met andere minderheden. Verrassend genoeg concluderen de onderzoekers dat mensen veel negatiever staan tegenover andere minderheden, zoals Marokkanen, Turken, Antillianen, Koerden of Surinamers, dan tegenover Joden. Mensen vinden het doorgaans erger als een goede vriend een relatie krijgt met iemand die gereformeerd of een politicus is, dan als hij bevriend raakt met een Jood. Bijna 9 procent van de ondervraagden wil liever geen Jood als buurman. Best veel, denk je in eerste instantie. Totdat je ziet dat het percentage stijgt naar 45 procent wanneer de potentiële buurman uit Polen komt, en dat er maar één type is dat zij liever naast zich zien wonen, namelijk een Belg. Na de Belgen zijn de Joden dus de buren bij uitstek, als je het de gemiddelde Nederlander vraagt. Vergelijken geeft soms inzicht
Ik vraag me al maanden af waar de artikelen blijven die over deze conclusies berichten. Ja, het CIDI stuurde zelf een persbericht uit over het onderzoek en de media besteedden er hier en daar aandacht aan. De informatie beperkte zich echter tot de conclusie dat er nog steeds hardnekkige vooroordelen over Joden leven onder een deel van de Nederlanders. Met geen woord werd gerept over de vergelijking met andere minderheden, laat staan dat de vraag wordt gesteld hoe het kan dat andere minderheden het volgens dit onderzoek een stuk erger lijken te hebben.
Als je naar de lezing van de minister luistert, krijg je het idee dat we leven in de jaren dertig van de vorige eeuw. Sterker nog, die vergelijking maakte ze rechtstreeks, zonder blikken of blozen. Alle feiten en cijfers die de minister noemde, zijn waar. En het moet gezegd, ook ik maak mij zorgen om een partij als FvD die ervoor zorgt dat antisemitische complottheorieën salonfähig worden. Ik ben blij dat we een minister hebben die zich inzet voor de veiligheid van onze gemeenschap. Maar, en dit is waar ik mij zo aan stoor, andere cijfers die niet in het angstaanjagende plaatje passen, laat de minister voor het gemak buiten beschouwing. En zij is zeker niet de enige, in onze gemeenschap is het een veelvoorkomend fenomeen. Een vorm van intellectuele luiheid als je het mij vraagt: feiten die op gespannen voet met elkaar staan niet willen benoemen. Alsof je een deel van de onderzoeksresultaten voor het gemak maar even verzwijgt, omdat de conclusie dan makkelijker te trekken is.
David Wertheim schreef niet lang geleden in een essay dat antisemitisme te vaak een excuus wordt om niet meer na te hoeven denken. Als Baudet in de Tweede Kamer terecht wordt aangesproken op zijn antisemitisme, slokt dat alle aandacht op en blijft de andere gevaarlijke onzin die hij verkondigt ongenoemd. Ik meen dat voor de manier waarop de Joodse gemeenschap omgaat met antisemitisme iets soortgelijks geldt. We vertikken het na te denken, serieus te kijken naar cijfers die niet kloppen in het plaatje van toenemend antisemitisme. Als je dat wel doet, word je verweten dat je het probleem bagatelliseert. Maar kunnen we überhaupt weten wat het probleem behelst als we niet meer willen nadenken?
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 18 november 2022.
donderdag 10 november 2022
Brief aan Asjer, 4 november 2022
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn lieve zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
Je kunt opgelucht ademhalen. We zijn terug uit Koerdistan, Noord-Irak zo je wilt, gezond en wel.
We hadden een fantastische tijd. Het was natuurlijk fijn om ‘onze’ Badr na meer dan drie jaar weer te ontmoeten. Los daarvan is Koerdistan als vakantieland zeer de moeite waard.
Om nog even terug te komen op jouw twijfels over onze bestemmingskeuze: ik realiseer me dat een verblijf van een week niet voldoende is om een keiharde uitspraak te doen over de veiligheid. Maar geloof me, we hebben ons geen nanoseconde onplezierig of onveilig gevoeld. De sfeer was relaxed, we voelden geen spanning, ik zou er zo weer heen gaan.
Erbil is een lekker rommelige, Arabisch-aandoende stad. Omdat er weinig Westerse toeristen komen, wordt er in de sjoek niet aan je getrokken, niet in letterlijke zin en niet in woord of gebaar. Dat heb ik weleens anders meegemaakt. Buiten Erbil hebben we prachtige landschappen gezien. En de mensen zijn zó aardig, zó gastvrij. Daar gaan wij wat vaker een voorbeeld aan nemen (hebben we ons voorgenomen).
Wat me het meest van deze reis is bijgebleven, is dat wij Joden niet de enige ‘Joden’ zijn. De Koerden zijn het grootste volk ter wereld zonder eigen land. Ze worden gehaat door de hen omringende landen die ze, stuk voor stuk, het liefst geheel zouden elimineren. Zo bezochten we het monument waar de massamoord op 8.000 leden van de Barzani-stam (in 1983) herdacht wordt. In het bijbehorende museumpje zag ik als eerste ‘object’ een berg opgegraven schoenen. Ik hoef niet uit te leggen waar dat aan doet denken. Leed vergelijken doen we niet, maar het lot van de Koerden komt wel erg overeen met dat van ons. We waren verder in het bergdorpje Lalish, een Yezidi-heiligdom. Als het over vervolgde volken gaat, kunnen de Yezidi’s ook hun hand opsteken. Het zijn een paar voorbeelden, maar ze doen mij eens te meer beseffen dat we wat vaker moeten relativeren. Misschien moeten we ons nóg iets minder focussen op antisemitisme (dat er natuurlijk wel is), ons relatief comfortabele leven hier in het Westen wat vaker koesteren en meer oog hebben voor onderdrukte volkeren. Ik moest een paar keer terugdenken aan een paar jaar geleden, toen het Westen zonder gêne de Koerden liet vechten tegen IS en we zelf geen poot uitstaken.
Natuurlijk zijn we op zoek geweest naar sporen van Joods leven. In 1940 woonden er nog 45.000 Joden in Iraks Koerdistan, schrijft Judit Neurink. En ook vandaag-de-dag moeten er nog Joden wonen. We hebben ze helaas niet kunnen ontmoeten, wat ik graag had gewild. Het is me niet gelukt contacten te leggen, hoewel ik best goede ingangen had. Blijkbaar voelen die laatste Koerdische Joden zich niet helemaal vrij, willen ze toch niet als Joods bekend staan. En van het Joodse leven dat er ooit was, hebben we niets - nou ja, vrijwel niets – teruggevonden. Ik had mijn hoop gevestigd op het stadje Alqosh. Er bevindt zich een gerestaureerd gebouwtje dat ooit een synagoge was en waarin zich het graf van de profeet Nachoem zou bevinden. Het gebouwtje hebben we gezien, dat wil zeggen: van buiten. De sleutel is in handen van de burgemeester, vertelde onze gids Karwan. Maar de burgemeester liet zich niet zien …
Iets meer hebben we kunnen zien in het stadje Amadiya. Door een deels verroeste metalen deur, die met een touwtje werd dichtgehouden, kwamen we in een verwaarloosde tuin, die naar beneden afliep. Onderaan bevindt zich een gebouwtje dat bijna op instorten staat. Binnen troffen we een graf aan. Op een vierkante, deels vergane doek staat in het Hebreeuws wie hier begraven ligt. Volgens onze gids ligt hier “een geleerde die uit de Tora kon lezen.” Googlend vond ik de verklaring dat hier een onbekende profeet ligt, die bekend stond als Chazana, door de lokale bevolking beschreven als een zoon van David of een kleinzoon van Joseef. Een andere verklaring die ik vond, is dat dit het graf is van twee broers, Chazan David en Chazan Joseef, die bij de eerste Joden hoorden die zich in Amadiya vestigden.
Er móet meer te vinden zijn. Een goede reden om nog eens terug te gaan.
En nu ga ik met de billen bij elkaar zitten, wachten op de verkiezingsuitslag uit Israël. Ik ben er niet gerust op.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 4 november 2022.
Lieve Asjer,
Je kunt opgelucht ademhalen. We zijn terug uit Koerdistan, Noord-Irak zo je wilt, gezond en wel.
We hadden een fantastische tijd. Het was natuurlijk fijn om ‘onze’ Badr na meer dan drie jaar weer te ontmoeten. Los daarvan is Koerdistan als vakantieland zeer de moeite waard.
Om nog even terug te komen op jouw twijfels over onze bestemmingskeuze: ik realiseer me dat een verblijf van een week niet voldoende is om een keiharde uitspraak te doen over de veiligheid. Maar geloof me, we hebben ons geen nanoseconde onplezierig of onveilig gevoeld. De sfeer was relaxed, we voelden geen spanning, ik zou er zo weer heen gaan.
Erbil is een lekker rommelige, Arabisch-aandoende stad. Omdat er weinig Westerse toeristen komen, wordt er in de sjoek niet aan je getrokken, niet in letterlijke zin en niet in woord of gebaar. Dat heb ik weleens anders meegemaakt. Buiten Erbil hebben we prachtige landschappen gezien. En de mensen zijn zó aardig, zó gastvrij. Daar gaan wij wat vaker een voorbeeld aan nemen (hebben we ons voorgenomen).
Wat me het meest van deze reis is bijgebleven, is dat wij Joden niet de enige ‘Joden’ zijn. De Koerden zijn het grootste volk ter wereld zonder eigen land. Ze worden gehaat door de hen omringende landen die ze, stuk voor stuk, het liefst geheel zouden elimineren. Zo bezochten we het monument waar de massamoord op 8.000 leden van de Barzani-stam (in 1983) herdacht wordt. In het bijbehorende museumpje zag ik als eerste ‘object’ een berg opgegraven schoenen. Ik hoef niet uit te leggen waar dat aan doet denken. Leed vergelijken doen we niet, maar het lot van de Koerden komt wel erg overeen met dat van ons. We waren verder in het bergdorpje Lalish, een Yezidi-heiligdom. Als het over vervolgde volken gaat, kunnen de Yezidi’s ook hun hand opsteken. Het zijn een paar voorbeelden, maar ze doen mij eens te meer beseffen dat we wat vaker moeten relativeren. Misschien moeten we ons nóg iets minder focussen op antisemitisme (dat er natuurlijk wel is), ons relatief comfortabele leven hier in het Westen wat vaker koesteren en meer oog hebben voor onderdrukte volkeren. Ik moest een paar keer terugdenken aan een paar jaar geleden, toen het Westen zonder gêne de Koerden liet vechten tegen IS en we zelf geen poot uitstaken.
Natuurlijk zijn we op zoek geweest naar sporen van Joods leven. In 1940 woonden er nog 45.000 Joden in Iraks Koerdistan, schrijft Judit Neurink. En ook vandaag-de-dag moeten er nog Joden wonen. We hebben ze helaas niet kunnen ontmoeten, wat ik graag had gewild. Het is me niet gelukt contacten te leggen, hoewel ik best goede ingangen had. Blijkbaar voelen die laatste Koerdische Joden zich niet helemaal vrij, willen ze toch niet als Joods bekend staan. En van het Joodse leven dat er ooit was, hebben we niets - nou ja, vrijwel niets – teruggevonden. Ik had mijn hoop gevestigd op het stadje Alqosh. Er bevindt zich een gerestaureerd gebouwtje dat ooit een synagoge was en waarin zich het graf van de profeet Nachoem zou bevinden. Het gebouwtje hebben we gezien, dat wil zeggen: van buiten. De sleutel is in handen van de burgemeester, vertelde onze gids Karwan. Maar de burgemeester liet zich niet zien …
Iets meer hebben we kunnen zien in het stadje Amadiya. Door een deels verroeste metalen deur, die met een touwtje werd dichtgehouden, kwamen we in een verwaarloosde tuin, die naar beneden afliep. Onderaan bevindt zich een gebouwtje dat bijna op instorten staat. Binnen troffen we een graf aan. Op een vierkante, deels vergane doek staat in het Hebreeuws wie hier begraven ligt. Volgens onze gids ligt hier “een geleerde die uit de Tora kon lezen.” Googlend vond ik de verklaring dat hier een onbekende profeet ligt, die bekend stond als Chazana, door de lokale bevolking beschreven als een zoon van David of een kleinzoon van Joseef. Een andere verklaring die ik vond, is dat dit het graf is van twee broers, Chazan David en Chazan Joseef, die bij de eerste Joden hoorden die zich in Amadiya vestigden.
Er móet meer te vinden zijn. Een goede reden om nog eens terug te gaan.
En nu ga ik met de billen bij elkaar zitten, wachten op de verkiezingsuitslag uit Israël. Ik ben er niet gerust op.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 4 november 2022.
Abonneren op:
Posts (Atom)