Ooit hoorde ik hoe één van onze rabbijnen mijn moeder troostte, nadat haar tweede echtgenoot veel te jong was overleden: "Koddesj Borchoe haalt de mensen die hem het liefst zijn het eerste naar zich toe.” Mijn moeder had hier wel iets aan, denk ik. Op mij, ongelovige Thomas, maakten die woorden minder indruk. Maar toch, toen ik in 2017 hoorde dat Rob was overleden, met z’n 55 jaar ook veel te jong, zaten deze woorden direct in m’n hoofd. Misschien hadden ze toch meer betekenis voor me dan ik dacht.
Rob was niet alleen een bijzondere en aimabele gozer, iemand die altijd te porren was voor een biertje in een leuke kroeg, hij was ook de integriteit zelve. Hij was onkreukbaar, hij deugde, op iedere denkbare manier. Zo besloten hij en zijn vrouw bijvoorbeeld een hulp in de huishouding te nemen. Prima, goed idee, maar de werkster wordt wel ‘wit’ betaald, geen gesodemieter hè.
Tot aan zijn plotselinge dood had Rob een leidinggevende functie bij de Belastingdienst. Daarmee krijg je niet bij iedereen de handen op elkaar. Als je bij de Belastingdienst werkt, maak je jezelf niet populair. Het is over het algemeen niet iets waarmee je tijdens een verjaardagsfeestje het gesprek opent. Daarom vind ik het belangrijk om Rob in deze column te noemen. Beschouw het als een disclaimer. Ik denk oprecht dat bij de Belastingdienst aardige, integere mensen werken. Rob was daarvan het voorbeeld bij uitstek. Helaas – ik trap even een open deur in – geldt dat niet voor alle werknemers bij de fiscus.
De Belastingdienst ligt al een tijdje onder vuur. Terecht. Van de toeslagenaffaire zakt je broek af. Ongelooflijk wat er gebeurd is, onvergeeflijk ook. Helaas bleek het niet de enige misstand bij de hoeders van de staatsinkomsten. Terwijl de toeslagenaffaire nog regelmatig veel stof doet opwaaien, kwam een nieuwe affaire aan het licht. Er bleek jarenlang een zwarte lijst te zijn bijgehouden. Hartstikke illegaal natuurlijk. Op die lijst stonden 270.000 mensen die, veelal onterecht, als fraudeur te boek stonden.
Dit was zelfs de overheid te gortig, hier moest tegen worden opgetreden. Goed idee! Begin een grondig onderzoek, lijkt me, spoor de kwaadwilligen op en stuur ze de laan uit. Ehhh, daar denken de betrokken ministeries anders over, ze kwamen met een andere oplossing. De Belastingdienst krijgt een boete, een recordboete zelfs van maar liefst 3,7 miljoen euro. Ik kreeg een lachstuip toen ik dit las, maar die maakte snel plaats voor ongeloof en ergernis. Een boete? Serieus? En wie tref je daarmee? Want dat is toch de bedoeling van een boete, die moet een beetje pijn doen. Pijn in je portemonnee. Een boete krijg je bijvoorbeeld voor te hard rijden, zodat je dat de volgende keer wel uit je hoofd laat. Maar dit? Vestzak-broekzak. De ene overheidsdienst betaalt – met belastinggeld! – een boete aan de andere. Wie zal hiervan wakker liggen?
De Belastingdienst heeft een serieus probleem met zijn integriteit. Te nemen maatregelen moeten erop gericht zijn die integriteit te herstellen. Het opleggen van een boete helpt daar niet bij. Dat is een sanctie die meer iets wegheeft van een opgestoken middelvinger.
Rob is er al bijna vijf jaar niet meer. Hij wordt gemist, heel erg gemist. Door zijn vrouw, zijn kinderen en zijn kleinkind dat hij helaas nooit heeft gekend. Ik mis hem ook. Maar het meest wordt hij gemist, vind ik, bij zijn eigen Belastingdienst. Als je kijkt naar de twee grote schandalen die spelen, naar het gebrek aan integriteit, naar de lachwekkende sanctie, dan kun je nauwelijks meer vertrouwen hebben in de Dienst waar iedere Nederlander mee te maken heeft. Wat ik zou willen? Gooi iedereen eruit die verantwoordelijk is voor de toeslagenaffaire en voor de illegale lijst met fraudeurs en vervang ze door alleen maar Robs.
Gelukkig heeft Rob dit niet meer meegemaakt, hij had zich kapot geschaamd.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 13 mei 2022.
donderdag 19 mei 2022
donderdag 7 april 2022
Kastanjeklucht
In een oorlog gaat veel verloren. Altijd. Nog maar een uur geleden keek ik naar het Acht-uur-journaal en kwamen de beelden uit de Oekraïense stad Marioepol keihard binnen. Stad? Voormalige stad moet ik zeggen: er staat werkelijk geen steen meer op de andere. Je verstand staat stil bij weloverwogen verwoestingen van deze omvang.
Ook cultureel erfgoed is in oorlogstijd in groot gevaar. Denk aan Palmyra, één van de belangrijkste archeologische vindplaatsen in het Midden-Oosten, dat nog maar zes jaar geleden opzettelijk werd vernietigd door de bendes van Islamitische Staat.
Het zijn slechts twee voorbeelden. Zinloze en afschuwwekkende destructie zie je in iedere oorlog.
Ik ga me nu op glad ijs begeven: er is in mijn ogen namelijk een ‘maar’. Op geen enkele manier wil ik zo’n verwoesting tijdens een oorlog bagatelliseren, maar hoeveel steden er ook platgebombardeerd worden, hoeveel cultureel erfgoed ons ook ontnomen wordt, dit alles zinkt in het niet bij het vernietigen van mensenlevens. Over dát leed, dat doorwerkt tot in de tweede en derde generatie na de getroffene, hoef ik hier niet uit te wijden. Daar weten wij helaas alles van.
Stenen zijn niet heilig, vind ik. Nooit. Mensenlevens wel. Ik ga me een stuk verder op het gladde ijs begeven en ongetwijfeld op zere tenen staan met een geschiedenis die al drie decennia actueel is. Een klucht in mijn ogen.
Het verhaal begint in 1993. In het centrum van Amsterdam blijkt een boom te staan die er slecht aan toe is. Vervuiling door een vlakbij gelegen ondergrondse olietank en houtrot zijn de oorzaken. De gemeente Amsterdam besluit de boom te redden en trekt 365.000 gulden uit – 165.000 keiharde euro’s – om de boom te redden. Disclaimer: ook ik vind bomen belangrijk. Maar zelfs grote en sterke bomen hebben niet het eeuwige leven. De meeste bomen gaan een keer dood. En voor een, in verhouding tot 165.000 euro, miniem bedrag plant je nieuwe bomen. Goed, boom gered. Eind 2006 blijkt bij een onderzoek dat de boom voor 42 procent verrot is en alsnog gekapt moet worden. Dat gaat echter zomaar niet! Buurtbewoners, gesteund door de Bomenstichting, tekenen bezwaar aan tegen de kapvergunning. Contra-expertise volgt. Conclusie: de boom kan zeker nog 15 jaar mee, maar moet dan wel met een metalen beugel gestut worden om, bij een stevige storm, omwaaien te voorkomen. Kosten van deze operatie: 50.000 euro. Peuleschil toch? Maar … niets blijft de bomenknuffelaars bespaard: 23 augustus 2010, ’s middags om 13:30 uur, werd de boom door een storm geveld en brak een meter boven de grond af. Een gevaarte van 30 ton kwam in een tuin terecht. Niemand raakte gewond, er was geen schade aan gebouwen, wonder boven wonder.
De klucht is nog niet ten einde. De nagedachtenis aan de boom, een kastanje, moest worden gewaarborgd. Twee stichtingen, Elementree en Wereldboom, verzamelden kastanjes van de boom. Een derde stichting liet driehonderd stekjes van de boom kweken. Een gerenommeerde boomkwekerij in Sint-Oedenrode wordt ingeschakeld. Het lukt om de op kweek gebrachte kastanjes tot wasdom te brengen. De boom heeft nakomelingen! Deze bijzondere zaailingen worden te koop aangeboden.
Nee, we zijn er nog niet. Afgelopen week was er weer aandacht voor één van de nakomelingen van de boom. Het Parool kopte dat ‘een telg van de boom was herplant’. Ja, u leest het goed. Ons deel van de wereld staat in brand, tienduizenden mensenlevens worden verwoest, maar het herplanten van ‘een telg van de boom’ is nieuws.
De boom in kwestie heeft een naam. U heeft het misschien al geraden, ik heb het over ‘De-boom-waar-Anne-Frank-op-uitkeek’.
Anne Frank was een Joods meisje dat niet ouder werd dan 15 jaar. In maart 1945 overleed zij in Bergen-Belsen aan de gevolgen van vlektyfus en uitputting. Van juli 1942 tot augustus 1944 zat zij ondergedoken in het achterhuis van een pand aan de Prinsengracht. Ze hield een dagboek bij waarmee zij postuum wereldberoemd is geworden. Dat is het verhaal. Door haar dagboek is zij hèt symbool van de Sjoa geworden. Het zij zo. Maar het, tot in het belachelijke, vereren van een willekeurige boom, omdat zij die vanuit haar schuiladres kon zien … het gaat mij te ver. Veel te ver. Laten we bij de kern blijven en ons beperken tot het belang van mensenlevens. De flauwekul er omheen mag achterwege blijven.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 1 april 2022.
Ook cultureel erfgoed is in oorlogstijd in groot gevaar. Denk aan Palmyra, één van de belangrijkste archeologische vindplaatsen in het Midden-Oosten, dat nog maar zes jaar geleden opzettelijk werd vernietigd door de bendes van Islamitische Staat.
Het zijn slechts twee voorbeelden. Zinloze en afschuwwekkende destructie zie je in iedere oorlog.
Ik ga me nu op glad ijs begeven: er is in mijn ogen namelijk een ‘maar’. Op geen enkele manier wil ik zo’n verwoesting tijdens een oorlog bagatelliseren, maar hoeveel steden er ook platgebombardeerd worden, hoeveel cultureel erfgoed ons ook ontnomen wordt, dit alles zinkt in het niet bij het vernietigen van mensenlevens. Over dát leed, dat doorwerkt tot in de tweede en derde generatie na de getroffene, hoef ik hier niet uit te wijden. Daar weten wij helaas alles van.
Stenen zijn niet heilig, vind ik. Nooit. Mensenlevens wel. Ik ga me een stuk verder op het gladde ijs begeven en ongetwijfeld op zere tenen staan met een geschiedenis die al drie decennia actueel is. Een klucht in mijn ogen.
Het verhaal begint in 1993. In het centrum van Amsterdam blijkt een boom te staan die er slecht aan toe is. Vervuiling door een vlakbij gelegen ondergrondse olietank en houtrot zijn de oorzaken. De gemeente Amsterdam besluit de boom te redden en trekt 365.000 gulden uit – 165.000 keiharde euro’s – om de boom te redden. Disclaimer: ook ik vind bomen belangrijk. Maar zelfs grote en sterke bomen hebben niet het eeuwige leven. De meeste bomen gaan een keer dood. En voor een, in verhouding tot 165.000 euro, miniem bedrag plant je nieuwe bomen. Goed, boom gered. Eind 2006 blijkt bij een onderzoek dat de boom voor 42 procent verrot is en alsnog gekapt moet worden. Dat gaat echter zomaar niet! Buurtbewoners, gesteund door de Bomenstichting, tekenen bezwaar aan tegen de kapvergunning. Contra-expertise volgt. Conclusie: de boom kan zeker nog 15 jaar mee, maar moet dan wel met een metalen beugel gestut worden om, bij een stevige storm, omwaaien te voorkomen. Kosten van deze operatie: 50.000 euro. Peuleschil toch? Maar … niets blijft de bomenknuffelaars bespaard: 23 augustus 2010, ’s middags om 13:30 uur, werd de boom door een storm geveld en brak een meter boven de grond af. Een gevaarte van 30 ton kwam in een tuin terecht. Niemand raakte gewond, er was geen schade aan gebouwen, wonder boven wonder.
De klucht is nog niet ten einde. De nagedachtenis aan de boom, een kastanje, moest worden gewaarborgd. Twee stichtingen, Elementree en Wereldboom, verzamelden kastanjes van de boom. Een derde stichting liet driehonderd stekjes van de boom kweken. Een gerenommeerde boomkwekerij in Sint-Oedenrode wordt ingeschakeld. Het lukt om de op kweek gebrachte kastanjes tot wasdom te brengen. De boom heeft nakomelingen! Deze bijzondere zaailingen worden te koop aangeboden.
Nee, we zijn er nog niet. Afgelopen week was er weer aandacht voor één van de nakomelingen van de boom. Het Parool kopte dat ‘een telg van de boom was herplant’. Ja, u leest het goed. Ons deel van de wereld staat in brand, tienduizenden mensenlevens worden verwoest, maar het herplanten van ‘een telg van de boom’ is nieuws.
De boom in kwestie heeft een naam. U heeft het misschien al geraden, ik heb het over ‘De-boom-waar-Anne-Frank-op-uitkeek’.
Anne Frank was een Joods meisje dat niet ouder werd dan 15 jaar. In maart 1945 overleed zij in Bergen-Belsen aan de gevolgen van vlektyfus en uitputting. Van juli 1942 tot augustus 1944 zat zij ondergedoken in het achterhuis van een pand aan de Prinsengracht. Ze hield een dagboek bij waarmee zij postuum wereldberoemd is geworden. Dat is het verhaal. Door haar dagboek is zij hèt symbool van de Sjoa geworden. Het zij zo. Maar het, tot in het belachelijke, vereren van een willekeurige boom, omdat zij die vanuit haar schuiladres kon zien … het gaat mij te ver. Veel te ver. Laten we bij de kern blijven en ons beperken tot het belang van mensenlevens. De flauwekul er omheen mag achterwege blijven.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 1 april 2022.
donderdag 10 maart 2022
Droom
Pling! Op WhatsApp stuurt Momi, mijn goede, in Tel Aviv wonende vriend, een foto. Pling pling pling! Nog meer foto’s. Ik kijk eens goed … dat is een Nederlands gebouw. Rode bakstenen, boogvensters …
Momi en ik hebben een traditie van elkaar verrassen, plotseling voor elkaars neus staan. Als ik naar Israël ga, laat ik hem dat meestal niet weten. Van Ben Gurion Airport ga ik naar Tel Aviv, laat m’n koffertje achter in het hotel en loop dan naar de Rehov Gruzenberg. Ik bel aan en zeg vervolgens zo nonchalant mogelijk door de intercom: “Waarom doe je niet open?” Deze keer is het Momi’s beurt, ik weet het zeker: “Je bent in Nederland hè,” WhatsApp ik terug. Een minuut later verschijnt zijn lachende gezicht op m’n scherm. “Nee, ik ben niet in Nederland, gewoon in Israël, in Mevo Horon. Samen met mijn vriend Pascal. Dit móest ik je laten zien, dit is echt iets voor jou. Wacht, ik geef je aan Pascal, hij spreekt Nederlands.”
Pascal is 54 jaar en geboren Amsterdammer. Hoewel hij 26 jaar geleden alija maakte, is de Amsterdamse tongval niet helemaal verdwenen. Hij woont in Mevo Horon, een moshav op nog geen tien kilometer van Modi’ien, tussen Jeruzalem en Ben Gurion Airport.
Pascals overgrootvader woonde begin 20e eeuw in Terborg. Toen Pascal zo’n twintig jaar geleden op zoek ging naar zijn familiegeschiedenis, stuitte hij op een foto van de Terborgse synagoge. Deze sjoel, die 21 augustus 1901 in gebruik werd genomen, raakte in 1945 zwaar beschadigd door een Brits bombardement. In 1958 werd de sjoel weer opgebouwd, maar er waren na de Sjoa te weinig Joden in Terborg, er werd een kleiner gebouw in gebruik genomen. Omstreeks 1975 is de sjoel gesloopt. De niet-Joodse sloper had de tegenwoordigheid van geest om één van de mezoezot mee te nemen omdat, zo vermoedde hij, dat kokertje geluk bracht.
De kehila Terborg bezat drie Sifré Tora (Torarollen). Die overleefden de oorlog dankzij bestuurslid Sel Lövenstein, die de rollen verborg in een kist in zijn fabriek.
“Ik wilde de sjoel van mijn overgrootvader herbouwen,” vertelt Pascal. “En waar anders dan hier in Israël?” Op internet vond hij het complete archief van Hendrik Ovink, de architect van de Terborgse sjoel. Er waren zelfs tekeningen van de sjoelbankjes met een karakteristiek klaverblad. Pascals droom, want dat was het, kwam uit, hij kon de sjoel van zijn overgrootvader tot in het kleinste detail gaan herbouwen. De weduwe van de inmiddels overleden sloper schonk de mezoeza, de drie Torarollen vonden hun plaats in de nieuwe-oude sjoel.
Alleen de Aron Hakodesj, de kast waarin de Torarollen worden bewaard, komt niet uit Terborg. Via een vriend kwam Pascal in contact met Mottel Aronson van de ‘Russensjoel’ in de Nieuwe Kerkstraat in Amsterdam. Jaren geleden had Aronson een oude Aron Hakodesj, uit een stadje in Transsylvanië (nu Roemenië) naar Amsterdam gehaald. De reis die deze 7,5 meter hoge kast heeft gemaakt, is een verhaal op zich. Vanwege zijn hoogte past hij niet zomaar overal, wél in de sjoel in Mevo Horon. Daarvoor moest Pascal bij de bouw wel een beetje smokkelen: in plaats van het oorspronkelijke bielzenplafond maakte hij een koepelvormig plafond, waardoor het 7,5 meter hoge gevaarte precies paste. Aronson was enthousiast over Pascals project en zag de nieuwe bestemming wel zitten. De Aron Hakodesj, werd in kisten gepakt en naar Israël verscheept. Zo kwam een Aron Hakodesj uit Transsylvanië via Amsterdam in Mevo Horon terecht.
Juni 2018 werd de sjoel in gebruik genomen, de Torarollen in de Aron Hakodesj, geplaatst, de mezoeza aangeslagen. Pascal kijkt er nog steeds met trots op terug en dawwent dagelijks in de sjoel die er door zijn inspanningen staat. En intussen broedt hij alweer op nieuwe plannen. “Wist jij,” vraagt hij me, “dat de TU Darmstadt 3D-beelden en bouwtekeningen heeft van synagogen uit 15 Duitse steden die in de Kristallnacht zijn verwoest? Eén van die sjoels zou ik wel willen herbouwen, hier in Israël. De sjoel van Frankfurt-Höchst misschien, die ziet er relatief simpel uit.” Pascal moest ophangen. “Houd me op de hoogte,” kon ik nog snel roepen.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 4 maart 2022.
Momi en ik hebben een traditie van elkaar verrassen, plotseling voor elkaars neus staan. Als ik naar Israël ga, laat ik hem dat meestal niet weten. Van Ben Gurion Airport ga ik naar Tel Aviv, laat m’n koffertje achter in het hotel en loop dan naar de Rehov Gruzenberg. Ik bel aan en zeg vervolgens zo nonchalant mogelijk door de intercom: “Waarom doe je niet open?” Deze keer is het Momi’s beurt, ik weet het zeker: “Je bent in Nederland hè,” WhatsApp ik terug. Een minuut later verschijnt zijn lachende gezicht op m’n scherm. “Nee, ik ben niet in Nederland, gewoon in Israël, in Mevo Horon. Samen met mijn vriend Pascal. Dit móest ik je laten zien, dit is echt iets voor jou. Wacht, ik geef je aan Pascal, hij spreekt Nederlands.”
Pascal is 54 jaar en geboren Amsterdammer. Hoewel hij 26 jaar geleden alija maakte, is de Amsterdamse tongval niet helemaal verdwenen. Hij woont in Mevo Horon, een moshav op nog geen tien kilometer van Modi’ien, tussen Jeruzalem en Ben Gurion Airport.
Pascals overgrootvader woonde begin 20e eeuw in Terborg. Toen Pascal zo’n twintig jaar geleden op zoek ging naar zijn familiegeschiedenis, stuitte hij op een foto van de Terborgse synagoge. Deze sjoel, die 21 augustus 1901 in gebruik werd genomen, raakte in 1945 zwaar beschadigd door een Brits bombardement. In 1958 werd de sjoel weer opgebouwd, maar er waren na de Sjoa te weinig Joden in Terborg, er werd een kleiner gebouw in gebruik genomen. Omstreeks 1975 is de sjoel gesloopt. De niet-Joodse sloper had de tegenwoordigheid van geest om één van de mezoezot mee te nemen omdat, zo vermoedde hij, dat kokertje geluk bracht.
De kehila Terborg bezat drie Sifré Tora (Torarollen). Die overleefden de oorlog dankzij bestuurslid Sel Lövenstein, die de rollen verborg in een kist in zijn fabriek.
“Ik wilde de sjoel van mijn overgrootvader herbouwen,” vertelt Pascal. “En waar anders dan hier in Israël?” Op internet vond hij het complete archief van Hendrik Ovink, de architect van de Terborgse sjoel. Er waren zelfs tekeningen van de sjoelbankjes met een karakteristiek klaverblad. Pascals droom, want dat was het, kwam uit, hij kon de sjoel van zijn overgrootvader tot in het kleinste detail gaan herbouwen. De weduwe van de inmiddels overleden sloper schonk de mezoeza, de drie Torarollen vonden hun plaats in de nieuwe-oude sjoel.
Alleen de Aron Hakodesj, de kast waarin de Torarollen worden bewaard, komt niet uit Terborg. Via een vriend kwam Pascal in contact met Mottel Aronson van de ‘Russensjoel’ in de Nieuwe Kerkstraat in Amsterdam. Jaren geleden had Aronson een oude Aron Hakodesj, uit een stadje in Transsylvanië (nu Roemenië) naar Amsterdam gehaald. De reis die deze 7,5 meter hoge kast heeft gemaakt, is een verhaal op zich. Vanwege zijn hoogte past hij niet zomaar overal, wél in de sjoel in Mevo Horon. Daarvoor moest Pascal bij de bouw wel een beetje smokkelen: in plaats van het oorspronkelijke bielzenplafond maakte hij een koepelvormig plafond, waardoor het 7,5 meter hoge gevaarte precies paste. Aronson was enthousiast over Pascals project en zag de nieuwe bestemming wel zitten. De Aron Hakodesj, werd in kisten gepakt en naar Israël verscheept. Zo kwam een Aron Hakodesj uit Transsylvanië via Amsterdam in Mevo Horon terecht.
Juni 2018 werd de sjoel in gebruik genomen, de Torarollen in de Aron Hakodesj, geplaatst, de mezoeza aangeslagen. Pascal kijkt er nog steeds met trots op terug en dawwent dagelijks in de sjoel die er door zijn inspanningen staat. En intussen broedt hij alweer op nieuwe plannen. “Wist jij,” vraagt hij me, “dat de TU Darmstadt 3D-beelden en bouwtekeningen heeft van synagogen uit 15 Duitse steden die in de Kristallnacht zijn verwoest? Eén van die sjoels zou ik wel willen herbouwen, hier in Israël. De sjoel van Frankfurt-Höchst misschien, die ziet er relatief simpel uit.” Pascal moest ophangen. “Houd me op de hoogte,” kon ik nog snel roepen.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 4 maart 2022.
donderdag 10 februari 2022
Emoties
Deze column schrijf ik op een zondag. De vierde zondag in januari, de zondag van de Nationale Holocaust Herdenking, de vroegere Auschwitzherdenking. In normale tijden, ik bedoel pre of post-corona, zat ik nu met een kop koffie in een kroeg op de Plantage Middenlaan om weer een beetje warm te worden nà de herdenking in het Wertheimpark. Herdenken in januari is meestal kou lijden. Met een paraplu boven je hoofd tóch nat worden van de regen. En daarbij bedenkend dat dit niets is, vergeleken met op appel staan in de bijtende vrieskou in Auschwitz.
Dit jaar is het allemaal anders. We zitten thuis op de bank in ons warme, comfortabele huis. En ik merk dat ik meer geraakt word dan andere jaren. Waarom eigenlijk?
Zou het te maken hebben met leeftijd? Oude mensen zijn emotioneler, planjenen (huilen) vaker. En hoewel ik mezelf nog steeds niet oud noem, moet ik toegeven dat de jaren vorderen. Zou dat het zijn? Zou ik een emotionele oude je-weet-wel aan het worden zijn?
Zou het te maken hebben met de actualiteit? Geen van de sprekers noemde een politieke partij bij naam, maar hadden het over populisme. En over het verderfelijke gedachtegoed dat populisten uitdragen, over het walgelijke misbruik van de Sjoa om zich te keren tegen coronamaatregelen. Ik noem ook geen naam, dat is veel te veel eer, maar we weten wie bedoeld worden. Het is een thema dat ook mij vrijwel dagelijks bezighoudt. Zou dat de reden zijn dat ik het dit jaar moeilijker had?
Waren het de woorden van Femke Halsema? Op sociale media zal de Amsterdamse burgemeester door domme mensen die graag in ‘links tegen rechts’ blijven denken, ongetwijfeld alweer zijn afgeslacht. Zó onterecht, ik ga het allemaal niet lezen. Haar toespraak was van grote klasse. Ze zei onder andere: “Laat onze coronamoeheid, onze frustraties en onze meningsverschillen niet in de weg staan van onze waakzaamheid en van het onloochenbare feit dat wij hier en nu wel in vrijheid leven en keuzes kunnen maken. Het is schaamteloos als de Jodenster wordt misbruikt voor effectbejag, enkel en alleen om aandacht te krijgen, te provoceren."
En dan was er Joshua Solomons. Was het dat kleine, dappere kereltje, leerling van de Joodse basisschool Rosj Pina, die trots, maar met tranen in zijn ogen, vertelde over zijn opa, die als baby aan wildvreemde mensen was meegegeven en bij een boerenfamilie in Brabant de oorlog overleefde. Dat koppie! De camera ving hem toen hij weer was gaan zitten, hij kon zijn tranen niet meer bedwingen. Op dat moment kostte het mij ook moeite om het droog te houden.
Alles bij elkaar was het een mooie, ingetogen en betekenisvolle herdenking. Wat precies mijn emoties triggerde? Ik weet het niet. Het gaf wel voer voor discussie met de liefde van mijn leven. Die discussie werd met name ingegeven door Joshua’s tranen. Moeten we dat een kind aandoen? Moeten we onze kinderen en kleinkinderen hiermee blijven belasten?
Ik vind het moeilijk. Herdenken is voor mij belangrijk. Maar ja, ik ben dan ook relatief kort na de oorlog geboren. Ik ben opgegroeid met beschadigde ouders, ook al waren die ‘slechts’ ondergedoken. Ik realiseer me heel goed dat je niet zomaar ergens een streep kunt trekken en zeggen ‘zo is het genoeg geweest’. De grootste industriële moord in de geschiedenis van de mensheid blijven we vanzelfsprekend herdenken. Ook ik ben blij dat het Namenmonument er nu staat. En dat er vanaf 2023 een Holocaustmuseum is, zodat iedereen die het wil, kan kennisnemen van de omvang van deze genocide en waar discriminatie en uitsluiting toe kunnen leiden. Als COVID straks van pandemie is veranderd in endemie, zal ik weer te vinden zijn bij de herdenking op Jom Hasjoa en bij de Nationale Holocaust Herdenking (die hopelijk niet wordt verplaatst – die ‘hoort thuis’ bij het Spiegelmonument van Jan Wolkers). Maar moeten onze kinderen dat ook doen? Op diezelfde manier? En de generaties na hen? Ik ben er nog niet uit, ik vraag het alleen. Wel voor mezelf, niet voor een vriend.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 4 februari 2022.
Dit jaar is het allemaal anders. We zitten thuis op de bank in ons warme, comfortabele huis. En ik merk dat ik meer geraakt word dan andere jaren. Waarom eigenlijk?
Zou het te maken hebben met leeftijd? Oude mensen zijn emotioneler, planjenen (huilen) vaker. En hoewel ik mezelf nog steeds niet oud noem, moet ik toegeven dat de jaren vorderen. Zou dat het zijn? Zou ik een emotionele oude je-weet-wel aan het worden zijn?
Zou het te maken hebben met de actualiteit? Geen van de sprekers noemde een politieke partij bij naam, maar hadden het over populisme. En over het verderfelijke gedachtegoed dat populisten uitdragen, over het walgelijke misbruik van de Sjoa om zich te keren tegen coronamaatregelen. Ik noem ook geen naam, dat is veel te veel eer, maar we weten wie bedoeld worden. Het is een thema dat ook mij vrijwel dagelijks bezighoudt. Zou dat de reden zijn dat ik het dit jaar moeilijker had?
Waren het de woorden van Femke Halsema? Op sociale media zal de Amsterdamse burgemeester door domme mensen die graag in ‘links tegen rechts’ blijven denken, ongetwijfeld alweer zijn afgeslacht. Zó onterecht, ik ga het allemaal niet lezen. Haar toespraak was van grote klasse. Ze zei onder andere: “Laat onze coronamoeheid, onze frustraties en onze meningsverschillen niet in de weg staan van onze waakzaamheid en van het onloochenbare feit dat wij hier en nu wel in vrijheid leven en keuzes kunnen maken. Het is schaamteloos als de Jodenster wordt misbruikt voor effectbejag, enkel en alleen om aandacht te krijgen, te provoceren."
En dan was er Joshua Solomons. Was het dat kleine, dappere kereltje, leerling van de Joodse basisschool Rosj Pina, die trots, maar met tranen in zijn ogen, vertelde over zijn opa, die als baby aan wildvreemde mensen was meegegeven en bij een boerenfamilie in Brabant de oorlog overleefde. Dat koppie! De camera ving hem toen hij weer was gaan zitten, hij kon zijn tranen niet meer bedwingen. Op dat moment kostte het mij ook moeite om het droog te houden.
Alles bij elkaar was het een mooie, ingetogen en betekenisvolle herdenking. Wat precies mijn emoties triggerde? Ik weet het niet. Het gaf wel voer voor discussie met de liefde van mijn leven. Die discussie werd met name ingegeven door Joshua’s tranen. Moeten we dat een kind aandoen? Moeten we onze kinderen en kleinkinderen hiermee blijven belasten?
Ik vind het moeilijk. Herdenken is voor mij belangrijk. Maar ja, ik ben dan ook relatief kort na de oorlog geboren. Ik ben opgegroeid met beschadigde ouders, ook al waren die ‘slechts’ ondergedoken. Ik realiseer me heel goed dat je niet zomaar ergens een streep kunt trekken en zeggen ‘zo is het genoeg geweest’. De grootste industriële moord in de geschiedenis van de mensheid blijven we vanzelfsprekend herdenken. Ook ik ben blij dat het Namenmonument er nu staat. En dat er vanaf 2023 een Holocaustmuseum is, zodat iedereen die het wil, kan kennisnemen van de omvang van deze genocide en waar discriminatie en uitsluiting toe kunnen leiden. Als COVID straks van pandemie is veranderd in endemie, zal ik weer te vinden zijn bij de herdenking op Jom Hasjoa en bij de Nationale Holocaust Herdenking (die hopelijk niet wordt verplaatst – die ‘hoort thuis’ bij het Spiegelmonument van Jan Wolkers). Maar moeten onze kinderen dat ook doen? Op diezelfde manier? En de generaties na hen? Ik ben er nog niet uit, ik vraag het alleen. Wel voor mezelf, niet voor een vriend.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 4 februari 2022.
donderdag 13 januari 2022
Maup Caransa
Er wordt een musical gemaakt over zijn leven: De Koning van Amsterdam. Ik denk niet dat ik erheen ga, maar als u geïnteresseerd bent: van 30 september tot en met 30 december is deze musical over het leven van Maup Caransa te zien en horen in Theater Amsterdam.
Toen Maurits Caransa werd afgevoerd naar Westerbork, kon hij niet bevroeden dat hij ooit onderwerp zou zijn van een musical. Ik moet toegeven: zijn levensverhaal leent zich voor een theaterproductie. De ondertitel van de musical zegt genoeg: Van straatschoffie tot multimiljonair.
Ik heb hier niet de ruimte om Caransa’s hele leven te beschrijven. De oudere lezers kennen zijn verhaal wel, de jongere lezers weten hoe zij moeten googlen.
Caransa is bekend geworden door zijn onroerend-goed imperium. Hij bezat de mooiste hotels in Amsterdam: Schiller, American, Doelen en Amstel Hotel. Maar hij begon een stuk eenvoudiger. In 1945, direct na de oorlog, handelde hij in dumpgoederen en in tweedehands auto’s/auto-onderdelen.
Ik heb Maup Caransa niet persoonlijk gekend. Althans, om met onze premier te spreken, ‘ik heb daar geen actieve herinnering aan’. Maar misschien heb ik hem toch wel eens ontmoet. Caransa was bevriend met mijn tante Roza. Op verjaardagsfeestjes zaten de vrouwen in de voorkamer en ‘draaiden plaatjes’. In de achterkamer zaten de mannen te kaarten. Ik sluit niet uit dat Caransa daar ook wel eens heeft zitten zwikken of whisten.
Caransa voelt voor mij een beetje als een bekende. Al was het maar door de verhalen die mijn tante zo beeldend kon vertellen. Anekdotes, met onvervalste Joodse humor. Echte practical jokes, daar maak je mij blij mee. Nou vooruit, ik laat u meegenieten.
H. had diverse textiel-agenturen en reisde daarvoor door heel Nederland. Op een gegeven dag wilde zijn auto niet starten. Dat kwam slecht uit, hij zou meerdere dagen naar Groningen en Friesland gaan, klanten bezoeken. Wat nu? Hij belde zijn chawwer: “Maup, ik heb een probleem. Ik heb voor een paar dagen een auto nodig. Kun jij me helpen?” Natuurlijk kon hij dat. “Ik heb hier een taxi staan, die kan ik wel een paar dagen missen.” H. was gered. Diezelfde middag bezocht hij zijn eerste klanten. Op weg naar Groningen werd hij aangehouden door een politieagent. “Rijbewijs, kenteken en taxivergunning alstublieft.” H. dook in het autokastje: geen kentekenbewijs, geen taxivergunning. “Ik kan het u uitleggen,” probeerde hij. De agent was onverbiddelijk, die uitleg mocht H. op het politiebureau geven. “Belt u nou even met mijnheer Caransa,” smeekte H., “die kan bevestigen dat het allemaal goed zit.” Oom agent liet zich overhalen en telefoneerde. “Mijnheer Caransa, we hebben hier iemand die in een taxi rijdt, maar geen kentekenbewijs en taxivergunning kan overleggen. Hij zegt dat u de eigenaar bent en dat hij deze auto van u geleend heeft. Klopt dat?” Caransa hoefde maar een nanoseconde na te denken: “Wat zegt u, agent? Heeft u mijn gestolen taxi gevonden? Wat geweldig!” H. kreeg voor een nacht gratis onderdak in een Groningse cel. Hoelang hij daarna niet met Maup heeft gesproken, weet ik niet.
Nog eentje dan. Op een verjaardagsfeestje schiet J. Caransa aan. “Maup, mijn autootje is op z’n eind, ik heb er alleen maar kosten aan. Als jij eens iets tegenkomt. Ik kan niet heel veel betalen, dat weet je, maar iets waar ik weer een paar jaar in kan rijden, zou mooi zijn.” Niet lang daarna helpt Caransa J. inderdaad aan een leuke tweedehands, een Volkswagen Kever. Maanden later, bij een volgende verjaardag, komen ze elkaar weer tegen. “En?” vraagt Caransa, “hoe rijdt-ie?” J. vertelt hoe blij hij met de Kever is en bedankt Caransa nogmaals. “Maar,” voegt hij eraan toe, “als ik één klein nadeeltje zou moeten bedenken … zo’n auto met de motor achterin is niet mijn eerste keus.” Caransa hoorde het stoïcijns aan, maar voelde zich toch een beetje in zijn kuif gepikt. Thuis gekomen, belde hij twee van zijn monteurs. “Ik heb een klusje dat vannacht geklaard moet worden. Daar-en-daar staat een Volkswagen Kever. Ik wil dat jullie de motor demonteren en in de kofferruimte leggen ...” Zo had J. wat hij graag wilde: een auto met de motor voorin.
Maurits Caransa z”l, moge zijn nagedachtenis ons tot zegen zijn.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 7 januari 2022.
Toen Maurits Caransa werd afgevoerd naar Westerbork, kon hij niet bevroeden dat hij ooit onderwerp zou zijn van een musical. Ik moet toegeven: zijn levensverhaal leent zich voor een theaterproductie. De ondertitel van de musical zegt genoeg: Van straatschoffie tot multimiljonair.
Ik heb hier niet de ruimte om Caransa’s hele leven te beschrijven. De oudere lezers kennen zijn verhaal wel, de jongere lezers weten hoe zij moeten googlen.
Caransa is bekend geworden door zijn onroerend-goed imperium. Hij bezat de mooiste hotels in Amsterdam: Schiller, American, Doelen en Amstel Hotel. Maar hij begon een stuk eenvoudiger. In 1945, direct na de oorlog, handelde hij in dumpgoederen en in tweedehands auto’s/auto-onderdelen.
Ik heb Maup Caransa niet persoonlijk gekend. Althans, om met onze premier te spreken, ‘ik heb daar geen actieve herinnering aan’. Maar misschien heb ik hem toch wel eens ontmoet. Caransa was bevriend met mijn tante Roza. Op verjaardagsfeestjes zaten de vrouwen in de voorkamer en ‘draaiden plaatjes’. In de achterkamer zaten de mannen te kaarten. Ik sluit niet uit dat Caransa daar ook wel eens heeft zitten zwikken of whisten.
Caransa voelt voor mij een beetje als een bekende. Al was het maar door de verhalen die mijn tante zo beeldend kon vertellen. Anekdotes, met onvervalste Joodse humor. Echte practical jokes, daar maak je mij blij mee. Nou vooruit, ik laat u meegenieten.
H. had diverse textiel-agenturen en reisde daarvoor door heel Nederland. Op een gegeven dag wilde zijn auto niet starten. Dat kwam slecht uit, hij zou meerdere dagen naar Groningen en Friesland gaan, klanten bezoeken. Wat nu? Hij belde zijn chawwer: “Maup, ik heb een probleem. Ik heb voor een paar dagen een auto nodig. Kun jij me helpen?” Natuurlijk kon hij dat. “Ik heb hier een taxi staan, die kan ik wel een paar dagen missen.” H. was gered. Diezelfde middag bezocht hij zijn eerste klanten. Op weg naar Groningen werd hij aangehouden door een politieagent. “Rijbewijs, kenteken en taxivergunning alstublieft.” H. dook in het autokastje: geen kentekenbewijs, geen taxivergunning. “Ik kan het u uitleggen,” probeerde hij. De agent was onverbiddelijk, die uitleg mocht H. op het politiebureau geven. “Belt u nou even met mijnheer Caransa,” smeekte H., “die kan bevestigen dat het allemaal goed zit.” Oom agent liet zich overhalen en telefoneerde. “Mijnheer Caransa, we hebben hier iemand die in een taxi rijdt, maar geen kentekenbewijs en taxivergunning kan overleggen. Hij zegt dat u de eigenaar bent en dat hij deze auto van u geleend heeft. Klopt dat?” Caransa hoefde maar een nanoseconde na te denken: “Wat zegt u, agent? Heeft u mijn gestolen taxi gevonden? Wat geweldig!” H. kreeg voor een nacht gratis onderdak in een Groningse cel. Hoelang hij daarna niet met Maup heeft gesproken, weet ik niet.
Nog eentje dan. Op een verjaardagsfeestje schiet J. Caransa aan. “Maup, mijn autootje is op z’n eind, ik heb er alleen maar kosten aan. Als jij eens iets tegenkomt. Ik kan niet heel veel betalen, dat weet je, maar iets waar ik weer een paar jaar in kan rijden, zou mooi zijn.” Niet lang daarna helpt Caransa J. inderdaad aan een leuke tweedehands, een Volkswagen Kever. Maanden later, bij een volgende verjaardag, komen ze elkaar weer tegen. “En?” vraagt Caransa, “hoe rijdt-ie?” J. vertelt hoe blij hij met de Kever is en bedankt Caransa nogmaals. “Maar,” voegt hij eraan toe, “als ik één klein nadeeltje zou moeten bedenken … zo’n auto met de motor achterin is niet mijn eerste keus.” Caransa hoorde het stoïcijns aan, maar voelde zich toch een beetje in zijn kuif gepikt. Thuis gekomen, belde hij twee van zijn monteurs. “Ik heb een klusje dat vannacht geklaard moet worden. Daar-en-daar staat een Volkswagen Kever. Ik wil dat jullie de motor demonteren en in de kofferruimte leggen ...” Zo had J. wat hij graag wilde: een auto met de motor voorin.
Maurits Caransa z”l, moge zijn nagedachtenis ons tot zegen zijn.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 7 januari 2022.
donderdag 2 december 2021
Le Z
Als politici een koosnaam krijgen, ben ik op m’n hoede en voel ik me vaak wat ongemakkelijk.
Een paar weken geleden leidde de liefde van m’n leven, in opdracht van het IISG (Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis), een debat. Onderwerp: de nog altijd bestaande loonkloof tussen mannen en vrouwen (als u geïnteresseerd bent: het debat is nog te bekijken). In het panel zat onder andere het echtpaar Jildau Piena en Lodewijk Asscher. Bij de borrel na afloop stond ik gezellig te praten met Jildau Piena. Wat een leuke en interessante vrouw! Toen zij over haar man sprak, had zij het over ‘Lo’. En hoewel Lodewijk Asscher en ik partijgenoten zijn en het in de PvdA gebruikelijk is om iedereen met zijn of haar voornaam aan te duiden, voelde ik me bij ‘Lo’ toch een beetje ongemakkelijk. Waarom? Tsja, ik weet het niet zo goed, misschien is zo’n koosnaam me een beetje te intiem.
Om heel andere redenen krijg ik de kriebels als aan de voorman/partijleider en het enige lid van de PVV wordt gerefereerd als ‘Geert’. Of aan die antisemitische quasi-intellectueel als ‘Thierry’. Brrr. Ik heb niet met ze op school gezeten, godzijdank niet. Noem ze gewoon bij hun achternaam!
In Frankrijk is een relatief nieuwe politicus, Eric Justin Léon Zemmour, bezig aan een stevige opmars. Liefkozend wordt hij aangeduid als ‘Le Z’.
Wie is deze Zemmour? Laat ik neutraal beginnen. Zemmour is schrijver en essayist. Tot 2009 was hij politiek redacteur bij de Franse krant Le Figaro en tot een paar maanden geleden schreef hij columns in dit dagblad. En hij is dus politicus. Hier moet ik een vette punt zetten. Verder is er namelijk weinig positiefs over de man te melden.
Zemmour heeft de nodige veroordelingen voor haatzaaien en discriminatie aan zijn broek. Hij verkettert migranten. Hij is moslim-hater, en niet zo’n beetje ook. Migranten zet hij weg als ‘kolonisators’, in de djellaba ziet hij ‘het nieuwe uniform van een bezettingsleger’. Hij is aanhanger van de omvolkingstheorie, het gedachtegoed dat allochtonen door immigratie en hoge geboortecijfers de oorspronkelijke Europese bevolking zullen vervangen. Frankrijk dreigt, volgens hem, een islamitische republiek te worden. “Als de grenzen niet snel dichtgaan, is een burgeroorlog onvermijdelijk,” waarschuwt hij, “als die niet allang begonnen is.” Als politiek commentator voor tv-zender CNews orakelde hij dat ‘minderjarige vreemdelingen dieven, moordenaars en verkrachters zijn’. In 2009 had Le Figaro hem al de laan uitgestuurd, nadat hij op televisie had geroepen dat ‘het merendeel van de drugshandelaren zwart of moslim is’. In 2011 werd hij veroordeeld voor het aanzetten tot rassendiscriminatie omdat hij volhardde in zijn mening dat werkgevers het recht moesten hebben om moslims en zwarten niet in dienst te nemen.
En zo zou ik nog even kunnen doorgaan. Met de drek die uit Zemmours pen en mond komt, kun je pagina’s vullen. Ik houd het even bij bovenstaande voorbeelden.
Zondag 10 april 2022 vinden in Frankrijk presidentsverkiezingen plaats. Zemmour heeft zich nog niet officieel gekandideerd, maar alom wordt verwacht dat hij zich in de strijd zal mengen en zal proberen de opvolger van Emmanuel Macron te worden.
Ik maak mij zorgen over de opkomst van types als Zemmour, dat zal u niet verbazen. Maar over deze Franse politicus – nee, eigenlijk meer over zijn aanhang - maak ik mij extra zorgen.
Zemmour werd 31 augustus 1958 geboren in Montreuil, een voorstadje van Parijs. Niet lang daarvoor, tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog, waren zijn ouders, Algerijnse Joden, van Algerije naar Frankrijk gekomen. En hoewel Zemmour zichzelf graag aanduidt als ‘Berbers’ - om vooral niet als ‘Arabisch’ beschouwd te worden - is hij dus gewoon Joods.
Nee, ik ben niet plotseling antisemiet geworden. Zemmours Joodse afkomst zal me worst zijn. Waar ik bij voorbaat echter doodsbang van word, is de reacties die ik verwacht uit Joodse hoek. In Frankrijk, maar ook elders, ook in Nederland. Ik voorzie dat veel Joden zo blij zullen worden van een Joodse presidentskandidaat dat ze zijn gedachtegoed zo maar voor lief zullen nemen. Dat ze zó trots zullen zijn op het idee dat Frankrijk misschien een Joodse president krijgt, dat ze de rest voor lief nemen. ‘Islamofoob? Nou ja, valt wel mee toch … Racist? Ach …’ Enzovoort.
Moge Hakadosj Baroech Hoe verhoeden dat deze man ooit zelfs maar in de buurt komt van het hoogste politieke ambt in Frankrijk.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 26 november 2021.
Een paar weken geleden leidde de liefde van m’n leven, in opdracht van het IISG (Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis), een debat. Onderwerp: de nog altijd bestaande loonkloof tussen mannen en vrouwen (als u geïnteresseerd bent: het debat is nog te bekijken). In het panel zat onder andere het echtpaar Jildau Piena en Lodewijk Asscher. Bij de borrel na afloop stond ik gezellig te praten met Jildau Piena. Wat een leuke en interessante vrouw! Toen zij over haar man sprak, had zij het over ‘Lo’. En hoewel Lodewijk Asscher en ik partijgenoten zijn en het in de PvdA gebruikelijk is om iedereen met zijn of haar voornaam aan te duiden, voelde ik me bij ‘Lo’ toch een beetje ongemakkelijk. Waarom? Tsja, ik weet het niet zo goed, misschien is zo’n koosnaam me een beetje te intiem.
Om heel andere redenen krijg ik de kriebels als aan de voorman/partijleider en het enige lid van de PVV wordt gerefereerd als ‘Geert’. Of aan die antisemitische quasi-intellectueel als ‘Thierry’. Brrr. Ik heb niet met ze op school gezeten, godzijdank niet. Noem ze gewoon bij hun achternaam!
In Frankrijk is een relatief nieuwe politicus, Eric Justin Léon Zemmour, bezig aan een stevige opmars. Liefkozend wordt hij aangeduid als ‘Le Z’.
Wie is deze Zemmour? Laat ik neutraal beginnen. Zemmour is schrijver en essayist. Tot 2009 was hij politiek redacteur bij de Franse krant Le Figaro en tot een paar maanden geleden schreef hij columns in dit dagblad. En hij is dus politicus. Hier moet ik een vette punt zetten. Verder is er namelijk weinig positiefs over de man te melden.
Zemmour heeft de nodige veroordelingen voor haatzaaien en discriminatie aan zijn broek. Hij verkettert migranten. Hij is moslim-hater, en niet zo’n beetje ook. Migranten zet hij weg als ‘kolonisators’, in de djellaba ziet hij ‘het nieuwe uniform van een bezettingsleger’. Hij is aanhanger van de omvolkingstheorie, het gedachtegoed dat allochtonen door immigratie en hoge geboortecijfers de oorspronkelijke Europese bevolking zullen vervangen. Frankrijk dreigt, volgens hem, een islamitische republiek te worden. “Als de grenzen niet snel dichtgaan, is een burgeroorlog onvermijdelijk,” waarschuwt hij, “als die niet allang begonnen is.” Als politiek commentator voor tv-zender CNews orakelde hij dat ‘minderjarige vreemdelingen dieven, moordenaars en verkrachters zijn’. In 2009 had Le Figaro hem al de laan uitgestuurd, nadat hij op televisie had geroepen dat ‘het merendeel van de drugshandelaren zwart of moslim is’. In 2011 werd hij veroordeeld voor het aanzetten tot rassendiscriminatie omdat hij volhardde in zijn mening dat werkgevers het recht moesten hebben om moslims en zwarten niet in dienst te nemen.
En zo zou ik nog even kunnen doorgaan. Met de drek die uit Zemmours pen en mond komt, kun je pagina’s vullen. Ik houd het even bij bovenstaande voorbeelden.
Zondag 10 april 2022 vinden in Frankrijk presidentsverkiezingen plaats. Zemmour heeft zich nog niet officieel gekandideerd, maar alom wordt verwacht dat hij zich in de strijd zal mengen en zal proberen de opvolger van Emmanuel Macron te worden.
Ik maak mij zorgen over de opkomst van types als Zemmour, dat zal u niet verbazen. Maar over deze Franse politicus – nee, eigenlijk meer over zijn aanhang - maak ik mij extra zorgen.
Zemmour werd 31 augustus 1958 geboren in Montreuil, een voorstadje van Parijs. Niet lang daarvoor, tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog, waren zijn ouders, Algerijnse Joden, van Algerije naar Frankrijk gekomen. En hoewel Zemmour zichzelf graag aanduidt als ‘Berbers’ - om vooral niet als ‘Arabisch’ beschouwd te worden - is hij dus gewoon Joods.
Nee, ik ben niet plotseling antisemiet geworden. Zemmours Joodse afkomst zal me worst zijn. Waar ik bij voorbaat echter doodsbang van word, is de reacties die ik verwacht uit Joodse hoek. In Frankrijk, maar ook elders, ook in Nederland. Ik voorzie dat veel Joden zo blij zullen worden van een Joodse presidentskandidaat dat ze zijn gedachtegoed zo maar voor lief zullen nemen. Dat ze zó trots zullen zijn op het idee dat Frankrijk misschien een Joodse president krijgt, dat ze de rest voor lief nemen. ‘Islamofoob? Nou ja, valt wel mee toch … Racist? Ach …’ Enzovoort.
Moge Hakadosj Baroech Hoe verhoeden dat deze man ooit zelfs maar in de buurt komt van het hoogste politieke ambt in Frankrijk.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 26 november 2021.
woensdag 3 november 2021
Blij bij een matseiwe
“En? Hoe was het in Elburg?” wilde goede vriend L. weten. “Eh, ja, leuk,” antwoordde ik. “Nou, het enthousiasme spat er niet vanaf,” vond L. Eigenlijk had hij wel een punt.
Ka, de liefde-van-mijn-leven, en ik waren nog nooit in Elburg geweest. We begonnen ons er bijna voor te schamen: iedereen in onze omgeving had het erover. “Zo’n leuk stadje, zo’n rijk Joods verleden, zo’n mooi museum …” En hoewel het niet veel meer dan een uurtje rijden is, hadden wij het nog steeds laten afweten.
Eerder deze maand opende in Museum Sjoel Elburg een nieuwe tentoonstelling, Judaica2 – ceremoniële objecten van Jet Naftaniel-Joëls en Piet Cohen. We zijn fan van beide kunstenaars. Bij Jet kochten we in de loop der jaren het één en ander. Ka heeft in haar verzameling moderne sieraden diverse ‘Jets’ en ook mijn favoriete keppel is door Jet gemaakt. De zilveren, strak vormgegeven ceremoniële objecten van Piet Cohen vinden we ronduit práchtig.
We waren vereerd met de uitnodiging die Jet ons stuurde om de opening van deze dubbeltentoonstelling bij te wonen. “Doen we,” zei ik meteen, “en dan gaan we twee dagen, kunnen we eindelijk Elburg eens verkennen.”
Elburg weert auto’s van bezoekers uit de stad. Heel verstandig! We zetten de auto op één van de parkeerplaatsen en een paar minuten later wandelen we het stadje in. Zo ongeveer het eerste gebouw dat we tegenkomen, is de voormalige sjoel, nu een museum. Ik waardeer alle goede bedoelingen van de initiatiefnemers, de vrijwilligers, al die mensen die zich al sinds 2008 inspannen om het verhaal te vertellen over de Joodse gemeenschap van weleer, maar toch heb ik op zo’n plaats, in zo’n gebouw, altijd dubbele gevoelens. Ik krijg het ‘wat als’ niet uit m’n hoofd. Toen de deportaties begonnen, in 1942, woonden er nog maar 22 Joden in Elburg. Waren die, in zo’n kleine, hechte gemeenschap nou echt niet te redden? Ik weet het, zo moet of mag ik niet denken, maar toch …
We schaften het boekje Stadswandeling door Joods Elburg aan en gingen op pad. Elburg is inderdaad prachtig, een openluchtmuseum noemde Ka het. Piet Paulusma had alles perfect geregeld, de zon scheen uitbundig. Onderweg namen we, op een terras, een biertje van de lokale brouwerij en in het haventje een portie verse kibbeling. We hadden niets te klagen. En toch kwam de stemming er niet echt in. Eigenlijk was die hele wandeling knap deprimerend. Het woonhuis en het op een steenworp afstand van zijn huis gelegen onderduikadres van Joop Cohen waren een lichtpuntje: Joop overleefde de oorlog. De rest van de wandeling kan beter ‘Sjoa-wandeling’ genoemd worden. Ik wil uw sjabbes niet versjteren, dus ik zal geen volledige opsomming geven, maar over vrijwel ieder huis waar ooit Joden woonden, lees ik in welk van de ons zo bekende kampen de bewoners zijn vermoord. Brrr.
Natuurlijk, Elburg is geen uitzondering. En ik vind, net zoals u, dat we de verhalen over de Sjoa moeten blijven vertellen. Ja, inderdaad, ‘zolang hun namen worden genoemd, etc.’ Maar is dit nu echt het énige dat er te vertellen valt? Blijft de geschiedenis van Joden in Nederland, in dit geval de Joden van Elburg, beperkt tot de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw? Ik heb Stadswandeling door Joods Elburg er nog eens op nageslagen en ik lees een paar zinnen over de vestiging van de eerste Joden in Elburg en hoe de gemeenschap groeide. Halverwege de 19e eeuw woonden hier 120 Joden, vijf procent van de hele bevolking. Valt daar niets over te vertellen? Hoe is het hen vergaan? Wat deden zij? Wat hebben zij bijgedragen aan de gemeenschap? Waar zijn zij heen getrokken? En waarom?
Ook al raakten we wat in mineur, toch hebben we de hele route gelopen. Die eindigde bij de kleine Joodse begraafplaats. Ik werd bijna vrolijk bij het zien van de oude matseiwes (grafstenen). Hoe cynisch het ook mag klinken: eindelijk Joden die ‘normaal’ zijn overleden en een graf hebben …
Overigens loopt de tentoonstelling Judaica2 nog tot en met 8 januari 2022. Die tentoonstelling maakt een dagje Elburg toch wel de moeite waard.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 29 oktober 2021.
Ka, de liefde-van-mijn-leven, en ik waren nog nooit in Elburg geweest. We begonnen ons er bijna voor te schamen: iedereen in onze omgeving had het erover. “Zo’n leuk stadje, zo’n rijk Joods verleden, zo’n mooi museum …” En hoewel het niet veel meer dan een uurtje rijden is, hadden wij het nog steeds laten afweten.
Eerder deze maand opende in Museum Sjoel Elburg een nieuwe tentoonstelling, Judaica2 – ceremoniële objecten van Jet Naftaniel-Joëls en Piet Cohen. We zijn fan van beide kunstenaars. Bij Jet kochten we in de loop der jaren het één en ander. Ka heeft in haar verzameling moderne sieraden diverse ‘Jets’ en ook mijn favoriete keppel is door Jet gemaakt. De zilveren, strak vormgegeven ceremoniële objecten van Piet Cohen vinden we ronduit práchtig.
We waren vereerd met de uitnodiging die Jet ons stuurde om de opening van deze dubbeltentoonstelling bij te wonen. “Doen we,” zei ik meteen, “en dan gaan we twee dagen, kunnen we eindelijk Elburg eens verkennen.”
Elburg weert auto’s van bezoekers uit de stad. Heel verstandig! We zetten de auto op één van de parkeerplaatsen en een paar minuten later wandelen we het stadje in. Zo ongeveer het eerste gebouw dat we tegenkomen, is de voormalige sjoel, nu een museum. Ik waardeer alle goede bedoelingen van de initiatiefnemers, de vrijwilligers, al die mensen die zich al sinds 2008 inspannen om het verhaal te vertellen over de Joodse gemeenschap van weleer, maar toch heb ik op zo’n plaats, in zo’n gebouw, altijd dubbele gevoelens. Ik krijg het ‘wat als’ niet uit m’n hoofd. Toen de deportaties begonnen, in 1942, woonden er nog maar 22 Joden in Elburg. Waren die, in zo’n kleine, hechte gemeenschap nou echt niet te redden? Ik weet het, zo moet of mag ik niet denken, maar toch …
We schaften het boekje Stadswandeling door Joods Elburg aan en gingen op pad. Elburg is inderdaad prachtig, een openluchtmuseum noemde Ka het. Piet Paulusma had alles perfect geregeld, de zon scheen uitbundig. Onderweg namen we, op een terras, een biertje van de lokale brouwerij en in het haventje een portie verse kibbeling. We hadden niets te klagen. En toch kwam de stemming er niet echt in. Eigenlijk was die hele wandeling knap deprimerend. Het woonhuis en het op een steenworp afstand van zijn huis gelegen onderduikadres van Joop Cohen waren een lichtpuntje: Joop overleefde de oorlog. De rest van de wandeling kan beter ‘Sjoa-wandeling’ genoemd worden. Ik wil uw sjabbes niet versjteren, dus ik zal geen volledige opsomming geven, maar over vrijwel ieder huis waar ooit Joden woonden, lees ik in welk van de ons zo bekende kampen de bewoners zijn vermoord. Brrr.
Natuurlijk, Elburg is geen uitzondering. En ik vind, net zoals u, dat we de verhalen over de Sjoa moeten blijven vertellen. Ja, inderdaad, ‘zolang hun namen worden genoemd, etc.’ Maar is dit nu echt het énige dat er te vertellen valt? Blijft de geschiedenis van Joden in Nederland, in dit geval de Joden van Elburg, beperkt tot de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw? Ik heb Stadswandeling door Joods Elburg er nog eens op nageslagen en ik lees een paar zinnen over de vestiging van de eerste Joden in Elburg en hoe de gemeenschap groeide. Halverwege de 19e eeuw woonden hier 120 Joden, vijf procent van de hele bevolking. Valt daar niets over te vertellen? Hoe is het hen vergaan? Wat deden zij? Wat hebben zij bijgedragen aan de gemeenschap? Waar zijn zij heen getrokken? En waarom?
Ook al raakten we wat in mineur, toch hebben we de hele route gelopen. Die eindigde bij de kleine Joodse begraafplaats. Ik werd bijna vrolijk bij het zien van de oude matseiwes (grafstenen). Hoe cynisch het ook mag klinken: eindelijk Joden die ‘normaal’ zijn overleden en een graf hebben …
Overigens loopt de tentoonstelling Judaica2 nog tot en met 8 januari 2022. Die tentoonstelling maakt een dagje Elburg toch wel de moeite waard.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 29 oktober 2021.
Abonneren op:
Posts (Atom)