In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
Er is zoveel dat ik met je wil bespreken, waar moet ik beginnen?
Eerst een korte reactie op jouw laatste brief van 2022. Die kwam bij mij stevig binnen. Je haalt Rutger Bregman aan, een overtuigd veganist, die ervoor pleit om geen vlees en zuivel meer te consumeren. Zelf ben je nog niet zover, ook al eet je thuis tegenwoordig vegetarisch. “Het lukt mij blijkbaar niet het inzicht om te zetten in daden en mij te voegen bij de morele pioniers die de verandering waar ik zo op hoop, al ingezet hebben,” schrijf je. Thuis-vegetariër is een goed begin toch?
Hoewel het misschien niet je bedoeling was, voel ik me aangesproken. Ik ben niet zover als jij en ik denk dat ik ook nooit zover zal komen. Vlees vind ik tè lekker. Toch eten wij, zoals je weet, steeds vaker vegetarisch. En we letten erop dat we geen bio-industrie-producten in huis halen. Het dier dat wij consumeren moet een goed leven hebben gehad. Dat laatste zouden wij Joden trouwens moeten toevoegen aan de regels over kosjer slachten. Niet alleen strenge regels hanteren over de sjechita zelf, maar ook regels opstellen over de manier waarop een dier geleefd moet hebben. Iets voor de ideeënbus?
Iets anders: ik heb me deze week weer te vaak geërgerd. Om te beginnen over een radioprogramma en een tv-programma.
Bart Wallet was te gast bij het radioprogramma Dit is de dag. Gespreksonderwerp: ‘Antisemitisme en complotdenkers’. Bart noemde onder andere het vervalste boek De protocollen van de wijzen van Sion, over een fictieve vergadering van Joodse leiders, die in 1897 zou hebben plaatsgevonden. Na Barts heldere uitleg, zoals we van hem gewend zijn, concludeerde presentatrice Margje Fikse: “Maar voor u is het heel duidelijk dat het pure onzin is.” Bart víndt dat niet, het is een bewezen feit. Nou goed, dit houd ik maar op onwetendheid.
Erger was het op tv, bij Op1, waar ChristenUnie-voorman Gert-Jan Segers aan tafel zat. Het gesprek ging over zijn oproep aan het kabinet, samen met negen andere fractievoorzitters, om harde maatregelen te nemen tegen het misdadige regime in Iran. De presentatrices Natasja Gibbs en Nadia Moussaid (ja, zij ook, zo jammer) hadden een val opgezet. “Laten we even naar Palestina kijken,” was de geniepige opmerking van Gibbs, “het apartheidsregime van Israël: komt er ook een open brief …” Verder kwam zij niet. Segers onderbrak haar en pareerde uitstekend. “In Iran worden tieners en twintigers opgehangen omdat ze demonstreren voor vrijheid,” waren zijn woorden. De vergelijking noemde hij misplaatst. Te zacht uitgedrukt naar mijn smaak. De redactie van Op1, Gibbs en Moussaid moeten zich diep schamen. Blijkbaar zijn ook zij geobsedeerd door alles dat in Israël gebeurt. Dat ze impliciet de misdaden in Iran downplayen, hebben ze zich blijkbaar niet gerealiseerd. Knap stom!
Nou, nog één ergernis dan. Die heeft te maken met het Verzetsmuseum. Nee, schrik niet, een andere ergernis dan je denkt.
Na alle ophef over het vernieuwde Verzetsmuseum wilde ik wel eens met eigen ogen zien wat er allemaal mis was. Het zwakke media-optreden van directeur Liesbeth van der Horst deed mij eigenlijk het ergste vrezen. En de eerste teksten die ik las, direct na binnenkomst, hielpen ook niet mee. “Koningin Wilhelmina en de ministers wijken uit naar Engeland, daar sluiten zij zich aan bij de Geallieerden,” kan bij mij niet op goedkeuring rekenen, dat weet je. En Anton Mussert, de NSB-leider, Anton noemen … “Anton verwelkomt de Duitse nazi’s enthousiast” – het is mij wat te amicaal. Maar daarmee heb ik m’n belangrijkste kritiekpunten wel genoemd. We zagen een uitgebalanceerde tentoonstelling. Het verzet van Marokkanen, het verzet van de Surinamer Anton de Kom, vrouwen in het verzet, Joden in het verzet – het zit er allemaal in. En als ik, om een voorbeeld te noemen, lees over een pastoor, Henri Vullinghs, die vanaf de preekstoel oproept tot verzet, die onderduikadressen regelt en dit alles moet bekopen met de dood in Bergen-Belsen, dan hoeft daar niet het woord ‘held’ bij vermeld te worden. Dat kan ik zelf wel bedenken, dat hoeft niemand me voor te kauwen. Al die schreeuwerds op sociale media moeten écht zelf gaan kijken en daarna eerlijk oordelen.
Wanneer komen jullie eten? Dan praten we verder.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 13 januari 2023.
donderdag 19 januari 2023
donderdag 22 december 2022
Brief van Asjer, 16 december 2022
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Pap,
Jammer dat ik dit jaar niet mee kon naar IDFA. Vorig jaar kregen wij jullie kaartjes voor de ‘Groene Amsterdammerdag’ waar jullie zelf niet naartoe konden. En zoals je terecht schrijft, die films bekrachtigen de wens de zaken eens door een andere bril te bekijken. Grossman is zeker een goed voorbeeld. Maar vooral omdat hij niet alleen de zaken door andere ogen weet te bekijken, maar die frisse blik vervolgens ook zijn handelen laat vormen. Iemand die de daad bij het woord voegt.
Want ik moet bekennen, een enigszins ambivalent gevoel bekroop mij bij het lezen van je brief. Zaken door de ogen van een ander kunnen zien, is belangrijk. Ik denk dat de meesten dat zullen beamen. Maar elkaar feliciteren met de inzichten die we verkrijgen op enigszins elitaire filmfestivals, daar schieten we weinig mee op. En als we de daad niet bij het woord voegen, loopt het daar al snel op uit. De vraag is: hoe nu verder? Waar leiden de nieuwe perspectieven toe?
Of is dat te cynisch? Misschien heeft dat wel te maken met een persoonlijke worsteling: een nieuw inzicht leidt niet direct tot handelen in mijn eigen leven. Gisteren luisterde ik naar een podcast van Rutger Bregman, bekend van de bestseller Alle mensen deugen. Bregman is overtuigd veganist en las in de podcast een essay van eigen hand voor, waarin hij zich afvraagt hoe we kunnen weten of we aan de verkeerde kant van de geschiedenis staan. Tijdens de slavernij waren er weinig mensen die slaven houden als moreel verwerpelijk zagen, terwijl die gedachte nu vanzelfsprekend is. Maar hoe kon je driehonderd jaar geleden weten dat we er vandaag de dag zo naar zouden kijken? Hoe had je toen al kunnen weten dat we aan de verkeerde kant van de geschiedenis stonden? Slavernij is natuurlijk maar een van de vele voorbeelden, de geschiedenis zit er vol mee. En het is heel waarschijnlijk dat soortgelijke situaties vandaag de dag ook spelen. Wat zijn de zaken die wij nu heel normaal vinden waarop ze over vijftig of honderd jaar zullen terugkijken met een blik van walging, zoals wij nu naar slavernij kijken?
Je raadt het al: Bregman meent dat vlees en zuivel eten, en dan vooral de bio-industrie die dat voor ons mogelijk maakt, een van die dingen is. Als je leest en hoort hoe er met dieren wordt omgegaan om ons van vlees en kaas te voorzien, valt moeilijk vol te houden dat we dat maar normaal moeten vinden. Ik denk dat Bregman weleens gelijk kan hebben. Over honderd jaar zullen ze vast van ons walgen als ze in geschiedenisboeken lezen over de bio-industrie. Er voor het gemak even van uitgaande dat we inderdaad op een soort kantelpunt zitten in de geschiedenis, en dat er over een eeuw geen bio-industrie meer bestaat. Het inzicht deel ik, Bregman en anderen hebben mij door de ogen van een ander, het dier in dit geval, laten kijken. En toch ben ik (nog?) geen overtuigd veganist. Je weet dat ik geen vlees meer in huis haal, maar buiten de deur wil ik nog weleens een stukje vlees eten. En zuivelproducten consumeer ik nog dagelijks. Het lukt mij blijkbaar niet het inzicht om te zetten in daden en mij te voegen bij de morele pioniers die de verandering waar ik zo op hoop, al ingezet hebben.
Morele pioniers zijn geen heiligen, zegt Bregman. Ze lopen alleen voorop. Wie loopt er vandaag voorop? Als Joodse gemeenschap zijn we doorgaans heel trots op Joden die in het verleden vooropliepen in wereldveranderingen. We zijn trots op Aletta Jacobs en wat zij heeft betekend voor de vrouwenemancipatie, trots op Harvey Milk of Benno Premsela als voorvechters van homorechten, en op rabbijn Heschel die met Martin Luther King vooropliep in de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Achteraf trots zijn is gemakkelijk. Wie steunde deze mensen toen het er écht toe deed? Feliciteren we elkaar met het morele gelijk dat vanwege de gedeelde geschiedenis met deze pioniers toch een beetje - zo lijken we te denken - op ons afstraalt? Of laten we ons er ook door inspireren om zelf anders te handelen in soortgelijke situaties?
Hoe zorgen we ervoor dat nieuw inzicht leidt tot nieuw handelen? En kunnen we over honderd jaar trots zijn op iemand uit onze gemeenschap die vooropliep op de weg naar afschaffing van de bio-industrie? Die de kippensoep wist te vervangen door een diervriendelijk alternatief?
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 16 december 2022.
Lieve Pap,
Jammer dat ik dit jaar niet mee kon naar IDFA. Vorig jaar kregen wij jullie kaartjes voor de ‘Groene Amsterdammerdag’ waar jullie zelf niet naartoe konden. En zoals je terecht schrijft, die films bekrachtigen de wens de zaken eens door een andere bril te bekijken. Grossman is zeker een goed voorbeeld. Maar vooral omdat hij niet alleen de zaken door andere ogen weet te bekijken, maar die frisse blik vervolgens ook zijn handelen laat vormen. Iemand die de daad bij het woord voegt.
Want ik moet bekennen, een enigszins ambivalent gevoel bekroop mij bij het lezen van je brief. Zaken door de ogen van een ander kunnen zien, is belangrijk. Ik denk dat de meesten dat zullen beamen. Maar elkaar feliciteren met de inzichten die we verkrijgen op enigszins elitaire filmfestivals, daar schieten we weinig mee op. En als we de daad niet bij het woord voegen, loopt het daar al snel op uit. De vraag is: hoe nu verder? Waar leiden de nieuwe perspectieven toe?
Of is dat te cynisch? Misschien heeft dat wel te maken met een persoonlijke worsteling: een nieuw inzicht leidt niet direct tot handelen in mijn eigen leven. Gisteren luisterde ik naar een podcast van Rutger Bregman, bekend van de bestseller Alle mensen deugen. Bregman is overtuigd veganist en las in de podcast een essay van eigen hand voor, waarin hij zich afvraagt hoe we kunnen weten of we aan de verkeerde kant van de geschiedenis staan. Tijdens de slavernij waren er weinig mensen die slaven houden als moreel verwerpelijk zagen, terwijl die gedachte nu vanzelfsprekend is. Maar hoe kon je driehonderd jaar geleden weten dat we er vandaag de dag zo naar zouden kijken? Hoe had je toen al kunnen weten dat we aan de verkeerde kant van de geschiedenis stonden? Slavernij is natuurlijk maar een van de vele voorbeelden, de geschiedenis zit er vol mee. En het is heel waarschijnlijk dat soortgelijke situaties vandaag de dag ook spelen. Wat zijn de zaken die wij nu heel normaal vinden waarop ze over vijftig of honderd jaar zullen terugkijken met een blik van walging, zoals wij nu naar slavernij kijken?
Je raadt het al: Bregman meent dat vlees en zuivel eten, en dan vooral de bio-industrie die dat voor ons mogelijk maakt, een van die dingen is. Als je leest en hoort hoe er met dieren wordt omgegaan om ons van vlees en kaas te voorzien, valt moeilijk vol te houden dat we dat maar normaal moeten vinden. Ik denk dat Bregman weleens gelijk kan hebben. Over honderd jaar zullen ze vast van ons walgen als ze in geschiedenisboeken lezen over de bio-industrie. Er voor het gemak even van uitgaande dat we inderdaad op een soort kantelpunt zitten in de geschiedenis, en dat er over een eeuw geen bio-industrie meer bestaat. Het inzicht deel ik, Bregman en anderen hebben mij door de ogen van een ander, het dier in dit geval, laten kijken. En toch ben ik (nog?) geen overtuigd veganist. Je weet dat ik geen vlees meer in huis haal, maar buiten de deur wil ik nog weleens een stukje vlees eten. En zuivelproducten consumeer ik nog dagelijks. Het lukt mij blijkbaar niet het inzicht om te zetten in daden en mij te voegen bij de morele pioniers die de verandering waar ik zo op hoop, al ingezet hebben.
Morele pioniers zijn geen heiligen, zegt Bregman. Ze lopen alleen voorop. Wie loopt er vandaag voorop? Als Joodse gemeenschap zijn we doorgaans heel trots op Joden die in het verleden vooropliepen in wereldveranderingen. We zijn trots op Aletta Jacobs en wat zij heeft betekend voor de vrouwenemancipatie, trots op Harvey Milk of Benno Premsela als voorvechters van homorechten, en op rabbijn Heschel die met Martin Luther King vooropliep in de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Achteraf trots zijn is gemakkelijk. Wie steunde deze mensen toen het er écht toe deed? Feliciteren we elkaar met het morele gelijk dat vanwege de gedeelde geschiedenis met deze pioniers toch een beetje - zo lijken we te denken - op ons afstraalt? Of laten we ons er ook door inspireren om zelf anders te handelen in soortgelijke situaties?
Hoe zorgen we ervoor dat nieuw inzicht leidt tot nieuw handelen? En kunnen we over honderd jaar trots zijn op iemand uit onze gemeenschap die vooropliep op de weg naar afschaffing van de bio-industrie? Die de kippensoep wist te vervangen door een diervriendelijk alternatief?
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 16 december 2022.
donderdag 8 december 2022
Brief aan Asjer, 2 december 2022
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
Dank voor je brief van twee weken geleden. Zelden ben ik het zó met je eens geweest. We moeten blijvend waakzaam zijn en antisemitisme bestrijden waar en wanneer dat nodig is. Maar we moeten niet shoppen in onderzoeksresultaten en alleen de resultaten gebruiken die ons van pas komen. Met dit standpunt krijgen we niet bij iedereen de handen op elkaar, ik weet het. Er zal ons inderdaad al gauw worden verweten dat we het probleem bagatelliseren. Het zij zo.
Je hebt het mij al vaker horen zeggen: Wij, Joden, moeten het niet te vaak over het A-woord hebben. Daar worden we niet vrolijker van. We hebben het daar in onze brieven genoeg over gehad, tijd voor iets anders.
Als hard core fan van IDFA, al vanaf de allereerste editie in 1988, heb ik tussen 10 en 20 november weer veel documentaires gezien, 18 films! Voor aanvang van iedere film hebben de sponsors een minuutje ‘zendtijd’. Eén van de hoofdsponsors, Deloitte, sloot zijn boodschap af met een uitspraak die mij iedere keer weer pakte: Als je eens door de ogen van iemand anders kijkt, zie je daarna twee keer zoveel.
Dat zinnetje spookte deze week meerdere keren door m’n hoofd. Bijvoorbeeld toen ik een interview zag met Joyce Sylvester, voorzitter van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme. Met haar werd gesproken over de commotie over het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden door de Nederlandse regering. Ik had daar al over gelezen en ik moet eerlijk bekennen dat mij heel even – echt héél even, maar toch – de gedachte bekroop ‘Is het dan nooit goed’. Ik realiseerde me al snel dat ik door de ogen van de ander moest kijken. En ja, dan is er op de manier waarop de regering dit wil aanpakken, wel het een en ander aan te merken. Je kunt erover discussiëren wie de regering moet vertegenwoordigen. Armand Zunder, voorzitter van de Nationale Reparatie Commissie Suriname (nee, ik had ook nooit van hem gehoord) vindt dat de koning dat moet doen. En als die niet beschikbaar is, dan maar premier Rutte. Zunder zet hoog in. Te hoog? Ik weet het niet. Maar dat Zunder de keuze voor Franc Weerwind, onze minister voor rechtsbescherming, erg vreemd vindt, ja daar kan ik wel inkomen. Weerwind is zelf een nakomeling van tot slaaf gemaakten. Hij kan die excuses dus mooi aan zichzelf aanbieden. Dat kan niet de bedoeling zijn. Zunder benadrukt verder dat de formulering van de spijtbetuiging belangrijk is. De datum van 19 december komt veel te vroeg, zegt hij. Zijn advies: uitstellen tot 1 juli 2023, dan is het op de kop af 150 jaar geleden dat de slavernij in Suriname en op de Antillen officieel werd beëindigd. En het geeft de regering tijd om de tekst goed te formuleren. Je kunt die excuses immers maar één keer aanbieden. Ja, die formulering is belangrijk. Het aanbieden van excuses behoor je niet voor jezelf te doen, het is geen middel om je eigen geweten te zuiveren. Alleen de ander proberen tevreden te stellen, is ook niet voldoende. Met het aanbieden van excuses moeten stereotypen worden afgebroken, het moet het startpunt van verzoening zijn. Dat kan maar op één manier. Inderdaad: het geheel bekijken door de ogen van een ander, door de ogen van dè ander.
In hetzelfde tv-programma, Buitenhof, zag ik een interview met David Grossman. Hij stond in Nederland natuurlijk extra in de belangstelling vanwege de Erasmusprijs die hem is toegekend. De liefde van mijn leven – ja, jouw moeder – was naar een avond in ITA waar hij werd geïnterviewd door Arnon Grünberg. ‘Ge-wel-dig’ vond ze het. Ik had die avond een dinerafspraak met J., mijn oude webmaster, en moest het daardoor doen met twee latere interviews, één in de krant en één op tv. Zelfs van papier of van het beeldscherm spat Grossman’s kracht je tegemoet. Zoals hij het Israëlisch-Palestijns probleem weet te benoemen, zonder wraakgevoelens (ondanks het verdriet om zijn in Libanon gesneuvelde zoon Uri), zoals hij uitlegt dat je moet proberen de vijand te begrijpen, echt prachtig. Zijn verhaal geeft ook hoop. Grossman benadrukt dat Israël een sterk leger nodig heeft, maar daarnaast moeten beide partijen actief naar vrede streven. Door het eigen verhaal met andere woorden te vertellen, maar vooral door de vijand te begrijpen. En dat doe je, voeg ik er zelf aan toe, als je probeert door de ogen van die vijand te kijken.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 2 december 2022.
Lieve Asjer,
Dank voor je brief van twee weken geleden. Zelden ben ik het zó met je eens geweest. We moeten blijvend waakzaam zijn en antisemitisme bestrijden waar en wanneer dat nodig is. Maar we moeten niet shoppen in onderzoeksresultaten en alleen de resultaten gebruiken die ons van pas komen. Met dit standpunt krijgen we niet bij iedereen de handen op elkaar, ik weet het. Er zal ons inderdaad al gauw worden verweten dat we het probleem bagatelliseren. Het zij zo.
Je hebt het mij al vaker horen zeggen: Wij, Joden, moeten het niet te vaak over het A-woord hebben. Daar worden we niet vrolijker van. We hebben het daar in onze brieven genoeg over gehad, tijd voor iets anders.
Als hard core fan van IDFA, al vanaf de allereerste editie in 1988, heb ik tussen 10 en 20 november weer veel documentaires gezien, 18 films! Voor aanvang van iedere film hebben de sponsors een minuutje ‘zendtijd’. Eén van de hoofdsponsors, Deloitte, sloot zijn boodschap af met een uitspraak die mij iedere keer weer pakte: Als je eens door de ogen van iemand anders kijkt, zie je daarna twee keer zoveel.
Dat zinnetje spookte deze week meerdere keren door m’n hoofd. Bijvoorbeeld toen ik een interview zag met Joyce Sylvester, voorzitter van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme. Met haar werd gesproken over de commotie over het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden door de Nederlandse regering. Ik had daar al over gelezen en ik moet eerlijk bekennen dat mij heel even – echt héél even, maar toch – de gedachte bekroop ‘Is het dan nooit goed’. Ik realiseerde me al snel dat ik door de ogen van de ander moest kijken. En ja, dan is er op de manier waarop de regering dit wil aanpakken, wel het een en ander aan te merken. Je kunt erover discussiëren wie de regering moet vertegenwoordigen. Armand Zunder, voorzitter van de Nationale Reparatie Commissie Suriname (nee, ik had ook nooit van hem gehoord) vindt dat de koning dat moet doen. En als die niet beschikbaar is, dan maar premier Rutte. Zunder zet hoog in. Te hoog? Ik weet het niet. Maar dat Zunder de keuze voor Franc Weerwind, onze minister voor rechtsbescherming, erg vreemd vindt, ja daar kan ik wel inkomen. Weerwind is zelf een nakomeling van tot slaaf gemaakten. Hij kan die excuses dus mooi aan zichzelf aanbieden. Dat kan niet de bedoeling zijn. Zunder benadrukt verder dat de formulering van de spijtbetuiging belangrijk is. De datum van 19 december komt veel te vroeg, zegt hij. Zijn advies: uitstellen tot 1 juli 2023, dan is het op de kop af 150 jaar geleden dat de slavernij in Suriname en op de Antillen officieel werd beëindigd. En het geeft de regering tijd om de tekst goed te formuleren. Je kunt die excuses immers maar één keer aanbieden. Ja, die formulering is belangrijk. Het aanbieden van excuses behoor je niet voor jezelf te doen, het is geen middel om je eigen geweten te zuiveren. Alleen de ander proberen tevreden te stellen, is ook niet voldoende. Met het aanbieden van excuses moeten stereotypen worden afgebroken, het moet het startpunt van verzoening zijn. Dat kan maar op één manier. Inderdaad: het geheel bekijken door de ogen van een ander, door de ogen van dè ander.
In hetzelfde tv-programma, Buitenhof, zag ik een interview met David Grossman. Hij stond in Nederland natuurlijk extra in de belangstelling vanwege de Erasmusprijs die hem is toegekend. De liefde van mijn leven – ja, jouw moeder – was naar een avond in ITA waar hij werd geïnterviewd door Arnon Grünberg. ‘Ge-wel-dig’ vond ze het. Ik had die avond een dinerafspraak met J., mijn oude webmaster, en moest het daardoor doen met twee latere interviews, één in de krant en één op tv. Zelfs van papier of van het beeldscherm spat Grossman’s kracht je tegemoet. Zoals hij het Israëlisch-Palestijns probleem weet te benoemen, zonder wraakgevoelens (ondanks het verdriet om zijn in Libanon gesneuvelde zoon Uri), zoals hij uitlegt dat je moet proberen de vijand te begrijpen, echt prachtig. Zijn verhaal geeft ook hoop. Grossman benadrukt dat Israël een sterk leger nodig heeft, maar daarnaast moeten beide partijen actief naar vrede streven. Door het eigen verhaal met andere woorden te vertellen, maar vooral door de vijand te begrijpen. En dat doe je, voeg ik er zelf aan toe, als je probeert door de ogen van die vijand te kijken.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 2 december 2022.
donderdag 24 november 2022
Brief van Asjer, 18 november 2022
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn lieve zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Pap,
De foto’s uit Koerdistan zagen er prachtig uit. Stiekem ben ik wel een beetje jaloers op jullie reis. Maar ach, met mijn vakantiereis naar Suriname had ik ook niets te klagen. Vergelijken moet je nooit doen, niet van leed maar misschien ook niet van plezier. Maar toch, je ontkomt er niet aan. En zoals je terecht schrijft: een beetje leed vergelijken kan misschien geen kwaad. Het zorgt ervoor dat we onze eigen sores in perspectief kunnen plaatsen.
Ik moest aan die opmerking uit jouw laatste brief denken toen wij een tijdje terug bij de Ronny Naftaniëllezing aanwezig waren. Die werd uitgesproken door onze minister van Justitie en Veiligheid die in haar toespraak het ene antisemitische incident na het andere oplepelde. De stijgende cijfers uit de antisemitismemonitor werden aangehaald, evenals het FRA-rapport uit 2018 waaruit blijkt dat 62 procent van de ondervraagden heeft overwogen Nederland te verlaten uit angst voor antisemitisme.
Allemaal betrouwbare cijfers, maar is dat het volledige plaatje? Ik vraag me af waarom ik in alle verhalen over het groeiende antisemitisme nooit iets hoor over de onderzoeksresultaten die CIDI en CJO in juni van dit jaar publiceerden. Het is een onderzoek naar antisemitische attitudes onder de Nederlandse bevolking en is ontzettend interessant. Anders dan andere studies in Nederland, laat dit rapport het niet bij meldingen of ervaringen van individuen. Het vergelijkt ook Joden met andere minderheden. Verrassend genoeg concluderen de onderzoekers dat mensen veel negatiever staan tegenover andere minderheden, zoals Marokkanen, Turken, Antillianen, Koerden of Surinamers, dan tegenover Joden. Mensen vinden het doorgaans erger als een goede vriend een relatie krijgt met iemand die gereformeerd of een politicus is, dan als hij bevriend raakt met een Jood. Bijna 9 procent van de ondervraagden wil liever geen Jood als buurman. Best veel, denk je in eerste instantie. Totdat je ziet dat het percentage stijgt naar 45 procent wanneer de potentiële buurman uit Polen komt, en dat er maar één type is dat zij liever naast zich zien wonen, namelijk een Belg. Na de Belgen zijn de Joden dus de buren bij uitstek, als je het de gemiddelde Nederlander vraagt. Vergelijken geeft soms inzicht
Ik vraag me al maanden af waar de artikelen blijven die over deze conclusies berichten. Ja, het CIDI stuurde zelf een persbericht uit over het onderzoek en de media besteedden er hier en daar aandacht aan. De informatie beperkte zich echter tot de conclusie dat er nog steeds hardnekkige vooroordelen over Joden leven onder een deel van de Nederlanders. Met geen woord werd gerept over de vergelijking met andere minderheden, laat staan dat de vraag wordt gesteld hoe het kan dat andere minderheden het volgens dit onderzoek een stuk erger lijken te hebben.
Als je naar de lezing van de minister luistert, krijg je het idee dat we leven in de jaren dertig van de vorige eeuw. Sterker nog, die vergelijking maakte ze rechtstreeks, zonder blikken of blozen. Alle feiten en cijfers die de minister noemde, zijn waar. En het moet gezegd, ook ik maak mij zorgen om een partij als FvD die ervoor zorgt dat antisemitische complottheorieën salonfähig worden. Ik ben blij dat we een minister hebben die zich inzet voor de veiligheid van onze gemeenschap. Maar, en dit is waar ik mij zo aan stoor, andere cijfers die niet in het angstaanjagende plaatje passen, laat de minister voor het gemak buiten beschouwing. En zij is zeker niet de enige, in onze gemeenschap is het een veelvoorkomend fenomeen. Een vorm van intellectuele luiheid als je het mij vraagt: feiten die op gespannen voet met elkaar staan niet willen benoemen. Alsof je een deel van de onderzoeksresultaten voor het gemak maar even verzwijgt, omdat de conclusie dan makkelijker te trekken is.
David Wertheim schreef niet lang geleden in een essay dat antisemitisme te vaak een excuus wordt om niet meer na te hoeven denken. Als Baudet in de Tweede Kamer terecht wordt aangesproken op zijn antisemitisme, slokt dat alle aandacht op en blijft de andere gevaarlijke onzin die hij verkondigt ongenoemd. Ik meen dat voor de manier waarop de Joodse gemeenschap omgaat met antisemitisme iets soortgelijks geldt. We vertikken het na te denken, serieus te kijken naar cijfers die niet kloppen in het plaatje van toenemend antisemitisme. Als je dat wel doet, word je verweten dat je het probleem bagatelliseert. Maar kunnen we überhaupt weten wat het probleem behelst als we niet meer willen nadenken?
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 18 november 2022.
Lieve Pap,
De foto’s uit Koerdistan zagen er prachtig uit. Stiekem ben ik wel een beetje jaloers op jullie reis. Maar ach, met mijn vakantiereis naar Suriname had ik ook niets te klagen. Vergelijken moet je nooit doen, niet van leed maar misschien ook niet van plezier. Maar toch, je ontkomt er niet aan. En zoals je terecht schrijft: een beetje leed vergelijken kan misschien geen kwaad. Het zorgt ervoor dat we onze eigen sores in perspectief kunnen plaatsen.
Ik moest aan die opmerking uit jouw laatste brief denken toen wij een tijdje terug bij de Ronny Naftaniëllezing aanwezig waren. Die werd uitgesproken door onze minister van Justitie en Veiligheid die in haar toespraak het ene antisemitische incident na het andere oplepelde. De stijgende cijfers uit de antisemitismemonitor werden aangehaald, evenals het FRA-rapport uit 2018 waaruit blijkt dat 62 procent van de ondervraagden heeft overwogen Nederland te verlaten uit angst voor antisemitisme.
Allemaal betrouwbare cijfers, maar is dat het volledige plaatje? Ik vraag me af waarom ik in alle verhalen over het groeiende antisemitisme nooit iets hoor over de onderzoeksresultaten die CIDI en CJO in juni van dit jaar publiceerden. Het is een onderzoek naar antisemitische attitudes onder de Nederlandse bevolking en is ontzettend interessant. Anders dan andere studies in Nederland, laat dit rapport het niet bij meldingen of ervaringen van individuen. Het vergelijkt ook Joden met andere minderheden. Verrassend genoeg concluderen de onderzoekers dat mensen veel negatiever staan tegenover andere minderheden, zoals Marokkanen, Turken, Antillianen, Koerden of Surinamers, dan tegenover Joden. Mensen vinden het doorgaans erger als een goede vriend een relatie krijgt met iemand die gereformeerd of een politicus is, dan als hij bevriend raakt met een Jood. Bijna 9 procent van de ondervraagden wil liever geen Jood als buurman. Best veel, denk je in eerste instantie. Totdat je ziet dat het percentage stijgt naar 45 procent wanneer de potentiële buurman uit Polen komt, en dat er maar één type is dat zij liever naast zich zien wonen, namelijk een Belg. Na de Belgen zijn de Joden dus de buren bij uitstek, als je het de gemiddelde Nederlander vraagt. Vergelijken geeft soms inzicht
Ik vraag me al maanden af waar de artikelen blijven die over deze conclusies berichten. Ja, het CIDI stuurde zelf een persbericht uit over het onderzoek en de media besteedden er hier en daar aandacht aan. De informatie beperkte zich echter tot de conclusie dat er nog steeds hardnekkige vooroordelen over Joden leven onder een deel van de Nederlanders. Met geen woord werd gerept over de vergelijking met andere minderheden, laat staan dat de vraag wordt gesteld hoe het kan dat andere minderheden het volgens dit onderzoek een stuk erger lijken te hebben.
Als je naar de lezing van de minister luistert, krijg je het idee dat we leven in de jaren dertig van de vorige eeuw. Sterker nog, die vergelijking maakte ze rechtstreeks, zonder blikken of blozen. Alle feiten en cijfers die de minister noemde, zijn waar. En het moet gezegd, ook ik maak mij zorgen om een partij als FvD die ervoor zorgt dat antisemitische complottheorieën salonfähig worden. Ik ben blij dat we een minister hebben die zich inzet voor de veiligheid van onze gemeenschap. Maar, en dit is waar ik mij zo aan stoor, andere cijfers die niet in het angstaanjagende plaatje passen, laat de minister voor het gemak buiten beschouwing. En zij is zeker niet de enige, in onze gemeenschap is het een veelvoorkomend fenomeen. Een vorm van intellectuele luiheid als je het mij vraagt: feiten die op gespannen voet met elkaar staan niet willen benoemen. Alsof je een deel van de onderzoeksresultaten voor het gemak maar even verzwijgt, omdat de conclusie dan makkelijker te trekken is.
David Wertheim schreef niet lang geleden in een essay dat antisemitisme te vaak een excuus wordt om niet meer na te hoeven denken. Als Baudet in de Tweede Kamer terecht wordt aangesproken op zijn antisemitisme, slokt dat alle aandacht op en blijft de andere gevaarlijke onzin die hij verkondigt ongenoemd. Ik meen dat voor de manier waarop de Joodse gemeenschap omgaat met antisemitisme iets soortgelijks geldt. We vertikken het na te denken, serieus te kijken naar cijfers die niet kloppen in het plaatje van toenemend antisemitisme. Als je dat wel doet, word je verweten dat je het probleem bagatelliseert. Maar kunnen we überhaupt weten wat het probleem behelst als we niet meer willen nadenken?
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 18 november 2022.
donderdag 10 november 2022
Brief aan Asjer, 4 november 2022
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn lieve zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
Je kunt opgelucht ademhalen. We zijn terug uit Koerdistan, Noord-Irak zo je wilt, gezond en wel.
We hadden een fantastische tijd. Het was natuurlijk fijn om ‘onze’ Badr na meer dan drie jaar weer te ontmoeten. Los daarvan is Koerdistan als vakantieland zeer de moeite waard.
Om nog even terug te komen op jouw twijfels over onze bestemmingskeuze: ik realiseer me dat een verblijf van een week niet voldoende is om een keiharde uitspraak te doen over de veiligheid. Maar geloof me, we hebben ons geen nanoseconde onplezierig of onveilig gevoeld. De sfeer was relaxed, we voelden geen spanning, ik zou er zo weer heen gaan.
Erbil is een lekker rommelige, Arabisch-aandoende stad. Omdat er weinig Westerse toeristen komen, wordt er in de sjoek niet aan je getrokken, niet in letterlijke zin en niet in woord of gebaar. Dat heb ik weleens anders meegemaakt. Buiten Erbil hebben we prachtige landschappen gezien. En de mensen zijn zó aardig, zó gastvrij. Daar gaan wij wat vaker een voorbeeld aan nemen (hebben we ons voorgenomen).
Wat me het meest van deze reis is bijgebleven, is dat wij Joden niet de enige ‘Joden’ zijn. De Koerden zijn het grootste volk ter wereld zonder eigen land. Ze worden gehaat door de hen omringende landen die ze, stuk voor stuk, het liefst geheel zouden elimineren. Zo bezochten we het monument waar de massamoord op 8.000 leden van de Barzani-stam (in 1983) herdacht wordt. In het bijbehorende museumpje zag ik als eerste ‘object’ een berg opgegraven schoenen. Ik hoef niet uit te leggen waar dat aan doet denken. Leed vergelijken doen we niet, maar het lot van de Koerden komt wel erg overeen met dat van ons. We waren verder in het bergdorpje Lalish, een Yezidi-heiligdom. Als het over vervolgde volken gaat, kunnen de Yezidi’s ook hun hand opsteken. Het zijn een paar voorbeelden, maar ze doen mij eens te meer beseffen dat we wat vaker moeten relativeren. Misschien moeten we ons nóg iets minder focussen op antisemitisme (dat er natuurlijk wel is), ons relatief comfortabele leven hier in het Westen wat vaker koesteren en meer oog hebben voor onderdrukte volkeren. Ik moest een paar keer terugdenken aan een paar jaar geleden, toen het Westen zonder gêne de Koerden liet vechten tegen IS en we zelf geen poot uitstaken.
Natuurlijk zijn we op zoek geweest naar sporen van Joods leven. In 1940 woonden er nog 45.000 Joden in Iraks Koerdistan, schrijft Judit Neurink. En ook vandaag-de-dag moeten er nog Joden wonen. We hebben ze helaas niet kunnen ontmoeten, wat ik graag had gewild. Het is me niet gelukt contacten te leggen, hoewel ik best goede ingangen had. Blijkbaar voelen die laatste Koerdische Joden zich niet helemaal vrij, willen ze toch niet als Joods bekend staan. En van het Joodse leven dat er ooit was, hebben we niets - nou ja, vrijwel niets – teruggevonden. Ik had mijn hoop gevestigd op het stadje Alqosh. Er bevindt zich een gerestaureerd gebouwtje dat ooit een synagoge was en waarin zich het graf van de profeet Nachoem zou bevinden. Het gebouwtje hebben we gezien, dat wil zeggen: van buiten. De sleutel is in handen van de burgemeester, vertelde onze gids Karwan. Maar de burgemeester liet zich niet zien …
Iets meer hebben we kunnen zien in het stadje Amadiya. Door een deels verroeste metalen deur, die met een touwtje werd dichtgehouden, kwamen we in een verwaarloosde tuin, die naar beneden afliep. Onderaan bevindt zich een gebouwtje dat bijna op instorten staat. Binnen troffen we een graf aan. Op een vierkante, deels vergane doek staat in het Hebreeuws wie hier begraven ligt. Volgens onze gids ligt hier “een geleerde die uit de Tora kon lezen.” Googlend vond ik de verklaring dat hier een onbekende profeet ligt, die bekend stond als Chazana, door de lokale bevolking beschreven als een zoon van David of een kleinzoon van Joseef. Een andere verklaring die ik vond, is dat dit het graf is van twee broers, Chazan David en Chazan Joseef, die bij de eerste Joden hoorden die zich in Amadiya vestigden.
Er móet meer te vinden zijn. Een goede reden om nog eens terug te gaan.
En nu ga ik met de billen bij elkaar zitten, wachten op de verkiezingsuitslag uit Israël. Ik ben er niet gerust op.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 4 november 2022.
Lieve Asjer,
Je kunt opgelucht ademhalen. We zijn terug uit Koerdistan, Noord-Irak zo je wilt, gezond en wel.
We hadden een fantastische tijd. Het was natuurlijk fijn om ‘onze’ Badr na meer dan drie jaar weer te ontmoeten. Los daarvan is Koerdistan als vakantieland zeer de moeite waard.
Om nog even terug te komen op jouw twijfels over onze bestemmingskeuze: ik realiseer me dat een verblijf van een week niet voldoende is om een keiharde uitspraak te doen over de veiligheid. Maar geloof me, we hebben ons geen nanoseconde onplezierig of onveilig gevoeld. De sfeer was relaxed, we voelden geen spanning, ik zou er zo weer heen gaan.
Erbil is een lekker rommelige, Arabisch-aandoende stad. Omdat er weinig Westerse toeristen komen, wordt er in de sjoek niet aan je getrokken, niet in letterlijke zin en niet in woord of gebaar. Dat heb ik weleens anders meegemaakt. Buiten Erbil hebben we prachtige landschappen gezien. En de mensen zijn zó aardig, zó gastvrij. Daar gaan wij wat vaker een voorbeeld aan nemen (hebben we ons voorgenomen).
Wat me het meest van deze reis is bijgebleven, is dat wij Joden niet de enige ‘Joden’ zijn. De Koerden zijn het grootste volk ter wereld zonder eigen land. Ze worden gehaat door de hen omringende landen die ze, stuk voor stuk, het liefst geheel zouden elimineren. Zo bezochten we het monument waar de massamoord op 8.000 leden van de Barzani-stam (in 1983) herdacht wordt. In het bijbehorende museumpje zag ik als eerste ‘object’ een berg opgegraven schoenen. Ik hoef niet uit te leggen waar dat aan doet denken. Leed vergelijken doen we niet, maar het lot van de Koerden komt wel erg overeen met dat van ons. We waren verder in het bergdorpje Lalish, een Yezidi-heiligdom. Als het over vervolgde volken gaat, kunnen de Yezidi’s ook hun hand opsteken. Het zijn een paar voorbeelden, maar ze doen mij eens te meer beseffen dat we wat vaker moeten relativeren. Misschien moeten we ons nóg iets minder focussen op antisemitisme (dat er natuurlijk wel is), ons relatief comfortabele leven hier in het Westen wat vaker koesteren en meer oog hebben voor onderdrukte volkeren. Ik moest een paar keer terugdenken aan een paar jaar geleden, toen het Westen zonder gêne de Koerden liet vechten tegen IS en we zelf geen poot uitstaken.
Natuurlijk zijn we op zoek geweest naar sporen van Joods leven. In 1940 woonden er nog 45.000 Joden in Iraks Koerdistan, schrijft Judit Neurink. En ook vandaag-de-dag moeten er nog Joden wonen. We hebben ze helaas niet kunnen ontmoeten, wat ik graag had gewild. Het is me niet gelukt contacten te leggen, hoewel ik best goede ingangen had. Blijkbaar voelen die laatste Koerdische Joden zich niet helemaal vrij, willen ze toch niet als Joods bekend staan. En van het Joodse leven dat er ooit was, hebben we niets - nou ja, vrijwel niets – teruggevonden. Ik had mijn hoop gevestigd op het stadje Alqosh. Er bevindt zich een gerestaureerd gebouwtje dat ooit een synagoge was en waarin zich het graf van de profeet Nachoem zou bevinden. Het gebouwtje hebben we gezien, dat wil zeggen: van buiten. De sleutel is in handen van de burgemeester, vertelde onze gids Karwan. Maar de burgemeester liet zich niet zien …
Iets meer hebben we kunnen zien in het stadje Amadiya. Door een deels verroeste metalen deur, die met een touwtje werd dichtgehouden, kwamen we in een verwaarloosde tuin, die naar beneden afliep. Onderaan bevindt zich een gebouwtje dat bijna op instorten staat. Binnen troffen we een graf aan. Op een vierkante, deels vergane doek staat in het Hebreeuws wie hier begraven ligt. Volgens onze gids ligt hier “een geleerde die uit de Tora kon lezen.” Googlend vond ik de verklaring dat hier een onbekende profeet ligt, die bekend stond als Chazana, door de lokale bevolking beschreven als een zoon van David of een kleinzoon van Joseef. Een andere verklaring die ik vond, is dat dit het graf is van twee broers, Chazan David en Chazan Joseef, die bij de eerste Joden hoorden die zich in Amadiya vestigden.
Er móet meer te vinden zijn. Een goede reden om nog eens terug te gaan.
En nu ga ik met de billen bij elkaar zitten, wachten op de verkiezingsuitslag uit Israël. Ik ben er niet gerust op.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 4 november 2022.
vrijdag 28 oktober 2022
Brief van Asjer, 21 oktober 2022
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn lieve zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Pap,
Laat ik dan, in een poging je ervan te overtuigen dat generatieverschillen bestaan, een voorbeeld geven. Een voorbeeld dat ook raakt aan je eerdere opmerking dat ik geen fan zou zijn van jouw bestuurslidmaatschap van CIDI. Dat klopt niet, maar er speelt wel een belangrijk verschil tussen ons tweeën. En dat heeft mijns inziens alles te maken met de generaties waartoe we behoren.
Wij denken redelijk hetzelfde over Israël. We vinden het belangrijk dat er een Joodse staat is. Een democratische Joods land en een goed functionerende rechtsstaat. Een land dat zich hard maakt voor de minderheden, ook als die niet-Joods zijn. We zien onze overtuiging terug in de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring, waarin dit wordt beloofd. Maar we moeten onszelf niet voor de gek houden. In de huidige Knesset zou een document als de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring niet meer worden aangenomen. Er zou geen meerderheid voor te vinden zijn. Israël voldoet nog niet aan het ideaalbeeld van die verklaring, sterker nog: het land lijkt steeds verder van dat beeld af te dwalen.
Israël is in de tijd waarin jij en ik opgroeiden sterk veranderd. Van een jonge staat die moest knokken om een klein beetje macht, tot een sterk land dat economisch en militair gezien met kop en schouder boven de omringende landen uitsteekt. Israël is uitgegroeid tot een absolute supermacht in de regio. En gelukkig maar. Want terwijl jouw generatie opgroeide in een situatie waarin Israël moest knokken om te overleven, heb ik mij nooit zorgen hoeven maken om het voortbestaan van de Joodse staat.
Dat het land tot een supermacht is uitgegroeid, is misschien ook wel te danken aan steun uit de diaspora. Wie niet naar Israël ging om letterlijk mee te vechten, probeerde zo veel mogelijk hier een steentje bij te dragen. Dat was de manier om Israël te helpen: door als Joodse gemeenschap in de diaspora de jonge, kwetsbare staat zoveel mogelijk te steunen. Door geld te geven of door Israëls beleid in het politieke debat te steunen. Met in het achterhoofd altijd de verschrikkingen van de Sjoa. Want in het naoorlogse Nederland waarin jij opgroeide was dat misschien wel allesbepalend: dit nooit weer.
Als Joodse gemeenschap lijken we vast te zitten in de omstandigheden die golden in de tijd waarin jouw generatie opgroeide. We leven in een oud narratief waarin Israël onze steun nodig zou hebben, zowel financieel als via het publieke debat. We vinden dat we als Joodse gemeenschap hier Israël moeten verdedigen.
Ja, Israël is van immens belang, ook voor mij. Maar de uitdagingen van het land liggen in de 21e eeuw op een ander vlak. Het gaat niet om macht verkrijgen, maar om de vraag hoe de moderne Joodse staat functioneert wanneer die oppermachtig is. Hoe je ervoor zorgt dat je die macht kunt beteugelen, kunt inperken. Hoe je de macht kunt hebben zonder immense schade te veroorzaken.
Het zijn die gesprekken die we moeten voeren, met elkaar en met Israël. Dat is waar wij, Joden in de diaspora, bij kunnen helpen, Wij mogen de discussie over ethiek en moraal niet laten kapen door het anti-Israël kamp, dat meent dat de wereld wel zonder Joodse staat kan. Dat debat, over de keerzijde van de macht die we als Joodse staat willen hebben, is ons gesprek. Een gesprek waaraan dat oude narratief dat leidend is voor jouw generatie, geen ruimte biedt.
Dat er verschillen zijn tussen generaties zie ik als iets positiefs. Het laat zien dat we als mensheid kunnen leren en groeien. Dat we kunnen veranderen, een generatie kunnen creëren die het beter gaat doen. Jij zegt dat mensen in elke generatie in feite hetzelfde soort mensen zijn, en ik herken wel wat je zegt. Ook generatieverschillen zeggen niet alles. Maar dat er hoop is voor de toekomst, juist omdat generaties wél verschillen, omdat we volgende generaties kunnen leren niet dezelfde fouten te maken, dat geeft mij hoop. En dat maakt het leven een stuk draaglijker. Een leugentje om bestwil misschien? Maar onthoud: wenn ihr wollt, ist es kein Märchen.
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 21 oktober 2022.
Lieve Pap,
Laat ik dan, in een poging je ervan te overtuigen dat generatieverschillen bestaan, een voorbeeld geven. Een voorbeeld dat ook raakt aan je eerdere opmerking dat ik geen fan zou zijn van jouw bestuurslidmaatschap van CIDI. Dat klopt niet, maar er speelt wel een belangrijk verschil tussen ons tweeën. En dat heeft mijns inziens alles te maken met de generaties waartoe we behoren.
Wij denken redelijk hetzelfde over Israël. We vinden het belangrijk dat er een Joodse staat is. Een democratische Joods land en een goed functionerende rechtsstaat. Een land dat zich hard maakt voor de minderheden, ook als die niet-Joods zijn. We zien onze overtuiging terug in de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring, waarin dit wordt beloofd. Maar we moeten onszelf niet voor de gek houden. In de huidige Knesset zou een document als de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring niet meer worden aangenomen. Er zou geen meerderheid voor te vinden zijn. Israël voldoet nog niet aan het ideaalbeeld van die verklaring, sterker nog: het land lijkt steeds verder van dat beeld af te dwalen.
Israël is in de tijd waarin jij en ik opgroeiden sterk veranderd. Van een jonge staat die moest knokken om een klein beetje macht, tot een sterk land dat economisch en militair gezien met kop en schouder boven de omringende landen uitsteekt. Israël is uitgegroeid tot een absolute supermacht in de regio. En gelukkig maar. Want terwijl jouw generatie opgroeide in een situatie waarin Israël moest knokken om te overleven, heb ik mij nooit zorgen hoeven maken om het voortbestaan van de Joodse staat.
Dat het land tot een supermacht is uitgegroeid, is misschien ook wel te danken aan steun uit de diaspora. Wie niet naar Israël ging om letterlijk mee te vechten, probeerde zo veel mogelijk hier een steentje bij te dragen. Dat was de manier om Israël te helpen: door als Joodse gemeenschap in de diaspora de jonge, kwetsbare staat zoveel mogelijk te steunen. Door geld te geven of door Israëls beleid in het politieke debat te steunen. Met in het achterhoofd altijd de verschrikkingen van de Sjoa. Want in het naoorlogse Nederland waarin jij opgroeide was dat misschien wel allesbepalend: dit nooit weer.
Als Joodse gemeenschap lijken we vast te zitten in de omstandigheden die golden in de tijd waarin jouw generatie opgroeide. We leven in een oud narratief waarin Israël onze steun nodig zou hebben, zowel financieel als via het publieke debat. We vinden dat we als Joodse gemeenschap hier Israël moeten verdedigen.
Ja, Israël is van immens belang, ook voor mij. Maar de uitdagingen van het land liggen in de 21e eeuw op een ander vlak. Het gaat niet om macht verkrijgen, maar om de vraag hoe de moderne Joodse staat functioneert wanneer die oppermachtig is. Hoe je ervoor zorgt dat je die macht kunt beteugelen, kunt inperken. Hoe je de macht kunt hebben zonder immense schade te veroorzaken.
Het zijn die gesprekken die we moeten voeren, met elkaar en met Israël. Dat is waar wij, Joden in de diaspora, bij kunnen helpen, Wij mogen de discussie over ethiek en moraal niet laten kapen door het anti-Israël kamp, dat meent dat de wereld wel zonder Joodse staat kan. Dat debat, over de keerzijde van de macht die we als Joodse staat willen hebben, is ons gesprek. Een gesprek waaraan dat oude narratief dat leidend is voor jouw generatie, geen ruimte biedt.
Dat er verschillen zijn tussen generaties zie ik als iets positiefs. Het laat zien dat we als mensheid kunnen leren en groeien. Dat we kunnen veranderen, een generatie kunnen creëren die het beter gaat doen. Jij zegt dat mensen in elke generatie in feite hetzelfde soort mensen zijn, en ik herken wel wat je zegt. Ook generatieverschillen zeggen niet alles. Maar dat er hoop is voor de toekomst, juist omdat generaties wél verschillen, omdat we volgende generaties kunnen leren niet dezelfde fouten te maken, dat geeft mij hoop. En dat maakt het leven een stuk draaglijker. Een leugentje om bestwil misschien? Maar onthoud: wenn ihr wollt, ist es kein Märchen.
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 21 oktober 2022.
donderdag 29 september 2022
Brief aan Asjer, 23 september 2022
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn lieve zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
Dank voor je brief en je eerlijke antwoorden, vooral over onze reis naar Erbil. Eigenlijk – en daarmee kunnen we dit punt wel afsluiten, denk ik – vond ik het wel mooi om te lezen dat je je zorgen over ons maakt. Dat gaf me een warm gevoel. En dat is geen omdraaiing van de ouder-kind-rol. Aan die rollen gaan we, zoals jij voorstelde, voorlopig ook niets veranderen. Onze kinderen mogen zich zorgen maken, jullie mogen ons adviseren en uiteindelijk trekken je moeder en ik ons eigen plan.
Toen ik je brief nog een keer las, merkte ik dat veel van wat je schreef over het opeenvolgen van generaties gaat. De laatste alinea van je brief vond ik verrassend. Je stelt de vraag of er een significant verschil is tussen jouw en mijn generatie. Of jouw generatie misschien wel hard roept, maar wat daden betreft onderpresteert ten opzichte van de mijne. Die vraag stellen, is hem beantwoorden. Denk je écht dat mijn generatie de daad vaker bij het woord voegt?
Ik ben dat niet met je eens. Ik geloof eigenlijk helemaal niet in verschillen tussen generaties. Ik heb, eerlijk gezegd, ook een beetje een hekel aan de veelgebruikte termen als Generatie X (en Y en Z), Babyboomers, de Verloren Generatie, et cetera. Natuurlijk verschillen de omstandigheden en natuurlijk hebben die verschillen invloed op het welzijn van opgroeiende jongeren. Maar ménsen in de zestiger jaren van de vorige eeuw of in het eerste decennium van deze eeuw – ik zie geen verschillen.
Als ik naar ‘mijn tijd’ kijk, dan zie ik wel een sterk verschil in omstandigheden. Mijn eigen jeugd is, uiteraard, bepaald door de eerste naoorlogse jaren. Sterk beïnvloed door twee ouders die als tieners ondergedoken zaten. Beïnvloed door de wens in heel Europa om de maatschappij weer op te bouwen. Beïnvloed door een opvoeding waarin jodendom niet centraal stond, hoewel me wel werd ingeprent dat ik trots moest zijn op mijn jodendom. En zo kan ik nog even doorgaan. Maar ondanks die omstandigheden groeide ik – in mijn ogen – niet anders op dan jongeren vandaag de dag. Wat ik wil zeggen: het gaat om individuen, niet om generaties. Jezelf ontwikkelen moet altijd centraal staan, en moet altijd lukken, in welke tijd je ook opgroeit.
Laat me hiervan een voorbeeld geven. Ik werd onlangs behoorlijk onaangenaam getroffen door een zinsnede in een column in het NIW. Een zinsnede die onderscheid maakte tussen mensen en Duitsers. Ongetwijfeld grappig bedoeld. En ongetwijfeld wordt mij nu voor de voeten geworpen dat ik geen gevoel voor humor heb. Het zij zo. Wat ik me realiseerde was dat ikzelf in de loop van mijn leven een ontwikkeling heb doorgemaakt. Toen ik opgroeide, relatief zo kort na de oorlog, was het anti-Duitse sentiment alom aanwezig. Ook bij mij. Jij kunt je bepaalde moppen over Duitsers waarschijnlijk nog wel herinneren. Omdat ik ze vertelde. Daar ben ik niet trots op. Maar, in alle eerlijkheid, ik schaam me er ook niet héél erg voor. Ik zou me pas schamen, echt de ogen uit m’n kop schamen, als ik dat sentiment na zoveel jaren niet achter me had kunnen laten. Misschien ben ik er juist wel trots op dat ik die switch heb kunnen maken en nu bevrijd ben, bijna letterlijk bevrijd, van die negatieve gevoelens.
Dit sterkt mij eens te meer in het idee dat generaties niet bepalend zijn voor de manier waarop mensen in het leven staan. Omstandigheden zijn dat wel, maar daar mag je je nooit achter verschuilen. Anti-Duitse sentimenten in de eerste jaren na de oorlog kan ik nog wel accepteren. Maar vandaag de dag, meer dan 75 jaar na de oorlog? Door iemand die lang na de oorlog geboren is? Ik vind het niet kunnen. Gedachten en gevoelens zijn vrij. Maar zoiets publiceren? Een beetje zelfcensuur kan geen kwaad.
Wat denk jij nu? Draaf ik door?
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 23 september 2022.
Lieve Asjer,
Dank voor je brief en je eerlijke antwoorden, vooral over onze reis naar Erbil. Eigenlijk – en daarmee kunnen we dit punt wel afsluiten, denk ik – vond ik het wel mooi om te lezen dat je je zorgen over ons maakt. Dat gaf me een warm gevoel. En dat is geen omdraaiing van de ouder-kind-rol. Aan die rollen gaan we, zoals jij voorstelde, voorlopig ook niets veranderen. Onze kinderen mogen zich zorgen maken, jullie mogen ons adviseren en uiteindelijk trekken je moeder en ik ons eigen plan.
Toen ik je brief nog een keer las, merkte ik dat veel van wat je schreef over het opeenvolgen van generaties gaat. De laatste alinea van je brief vond ik verrassend. Je stelt de vraag of er een significant verschil is tussen jouw en mijn generatie. Of jouw generatie misschien wel hard roept, maar wat daden betreft onderpresteert ten opzichte van de mijne. Die vraag stellen, is hem beantwoorden. Denk je écht dat mijn generatie de daad vaker bij het woord voegt?
Ik ben dat niet met je eens. Ik geloof eigenlijk helemaal niet in verschillen tussen generaties. Ik heb, eerlijk gezegd, ook een beetje een hekel aan de veelgebruikte termen als Generatie X (en Y en Z), Babyboomers, de Verloren Generatie, et cetera. Natuurlijk verschillen de omstandigheden en natuurlijk hebben die verschillen invloed op het welzijn van opgroeiende jongeren. Maar ménsen in de zestiger jaren van de vorige eeuw of in het eerste decennium van deze eeuw – ik zie geen verschillen.
Als ik naar ‘mijn tijd’ kijk, dan zie ik wel een sterk verschil in omstandigheden. Mijn eigen jeugd is, uiteraard, bepaald door de eerste naoorlogse jaren. Sterk beïnvloed door twee ouders die als tieners ondergedoken zaten. Beïnvloed door de wens in heel Europa om de maatschappij weer op te bouwen. Beïnvloed door een opvoeding waarin jodendom niet centraal stond, hoewel me wel werd ingeprent dat ik trots moest zijn op mijn jodendom. En zo kan ik nog even doorgaan. Maar ondanks die omstandigheden groeide ik – in mijn ogen – niet anders op dan jongeren vandaag de dag. Wat ik wil zeggen: het gaat om individuen, niet om generaties. Jezelf ontwikkelen moet altijd centraal staan, en moet altijd lukken, in welke tijd je ook opgroeit.
Laat me hiervan een voorbeeld geven. Ik werd onlangs behoorlijk onaangenaam getroffen door een zinsnede in een column in het NIW. Een zinsnede die onderscheid maakte tussen mensen en Duitsers. Ongetwijfeld grappig bedoeld. En ongetwijfeld wordt mij nu voor de voeten geworpen dat ik geen gevoel voor humor heb. Het zij zo. Wat ik me realiseerde was dat ikzelf in de loop van mijn leven een ontwikkeling heb doorgemaakt. Toen ik opgroeide, relatief zo kort na de oorlog, was het anti-Duitse sentiment alom aanwezig. Ook bij mij. Jij kunt je bepaalde moppen over Duitsers waarschijnlijk nog wel herinneren. Omdat ik ze vertelde. Daar ben ik niet trots op. Maar, in alle eerlijkheid, ik schaam me er ook niet héél erg voor. Ik zou me pas schamen, echt de ogen uit m’n kop schamen, als ik dat sentiment na zoveel jaren niet achter me had kunnen laten. Misschien ben ik er juist wel trots op dat ik die switch heb kunnen maken en nu bevrijd ben, bijna letterlijk bevrijd, van die negatieve gevoelens.
Dit sterkt mij eens te meer in het idee dat generaties niet bepalend zijn voor de manier waarop mensen in het leven staan. Omstandigheden zijn dat wel, maar daar mag je je nooit achter verschuilen. Anti-Duitse sentimenten in de eerste jaren na de oorlog kan ik nog wel accepteren. Maar vandaag de dag, meer dan 75 jaar na de oorlog? Door iemand die lang na de oorlog geboren is? Ik vind het niet kunnen. Gedachten en gevoelens zijn vrij. Maar zoiets publiceren? Een beetje zelfcensuur kan geen kwaad.
Wat denk jij nu? Draaf ik door?
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 23 september 2022.
Abonneren op:
Posts (Atom)