In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
Als je zesendertig jaar getrouwd bent, ook al is het met de liefde van je leven, ken je het verschil tussen een terloopse vraag en een vraag die een dwingend advies inhoudt. “Wat ben je aan het doen?” vraagt je moeder. Op mijn antwoord dat ik net begonnen ben met een brief aan jou, komt ze mijn werkkamertje inlopen. “Schrijf hem eens over iets leuks, niet weer over iets waar je je zorgen over maakt.”
Ik moest heel even nadenken. Daarna wiste ik de eerste drie alinea’s die ik al geschreven had. Ze heeft gelijk. Natuurlijk. Het A-woord, de oorlog, het zijn onderwerpen die ik bewust niet te vaak wil aanroeren. Dat lukt me aardig, toch? Zelfs over de situatie in Israël, die mij dag en nacht bezighoudt, waar ik mij ontzettend zorgen over maak, had ik nog geen letter geschreven. Ik was begonnen iets te schrijven over de homofobie die ons de laatste weken, zo lijkt het wel, overspoelt. Nee, ook geen vrolijk onderwerp, maar wel iets dat onder mijn huid is gaan zitten. Okay, okay, ik ben deze brief opnieuw begonnen.
Heb je wel eens gehoord van Klein Orkest? Ik denk het niet hè. Het was een Nederlandse muziekgroep die in 1985, ruim voor jouw geboorte dus, ophield te bestaan. “Oh, in de prehistorie,” ik hoor het je al zeggen. Klein Orkest was met name bekend door één nummer, dat mij door mijn DDR-verleden altijd erg aansprak: Over de Muur. Het lied gaat over het destijds door de Muur verdeelde Berlijn. Ze zongen:
“En de vogels vliegen van West naar Oost Berlijn,
Worden niet teruggefloten, ook niet neergeschoten,
Over de muur, over het IJzeren Gordijn,
Omdat ze soms in het oosten, soms ook in het westen willen zijn.”
Dit nummer zit al een paar weken in m’n hoofd. Vanwege een toneelstuk dat we onlangs zagen, Vogels. Omdat we Vriend van ITA zijn, kregen we kaartjes voor de première, waar we blij mee waren. Vogels is een fascinerend stuk, als je tijd hebt moet je het echt gaan zien.
De auteur van het stuk, de Libanees-Canadese schrijver Wajdi Mouawad, móet het lied van Klein Orkest bijna wel kennen, hij gebruikt hetzelfde thema, tot in de titel aan toe. Als hij het niet kende, moet de Nederlandse regisseur, Alize Zandwijk, dit er ingebracht hebben, dat kán bijna niet anders.
Uit de beschrijving die ik vooraf las, maakte ik op dat dit toneelstuk een soort moderne Romeo en Julia zou zijn. Nou, dat was het misschien een beetje, maar het was veel meer. De hoofdpersonen, Eitan, een jonge Joodse man en Wahida, een jonge Arabische vrouw, ontmoeten elkaar in New York en raken verliefd. Omdat Eitan het een en ander over zijn familie wil uitzoeken, gaan ze naar Israël. Dat levert een akelige confrontatie op: de vader van Eitan kan de keuze van zijn zoon voor een Arabisch meisje niet accepteren. Tot zover is het allemaal voorspelbaar. Daarna wordt het interessant. Er ontspint zich een fascinerend verhaal over identiteit en culturele verschillen. Wahida wordt geconfronteerd met haat, met onverbloemd racisme. Dit breekt het liefdeskoppel uiteindelijk op. In een prachtige monoloog maakt een woedende Wahida duidelijk waarom ze niet verder kunnen. Ze realiseert zich dat ze haar Arabische identiteit heeft verloochend en trekt op dat moment de streep.
Ik was aangenaam verrast. Eitans vader, gewoon een racist, komt er niet goed vanaf. Maar dit wordt op geen enkele manier doorgetrokken naar een veroordeling van Joodse Israëli’s of de Israëlische maatschappij in het algemeen. Heel fijn. Ik zat dus niet met kromme tenen.
Eh, dat laatste is niet helemaal waar. Er was een andere reden voor kromme tenen. Ik raad Alize Zandwijk aan om een volgende keer het taalgebruik en de uitspraak van onbekende namen even te checken. Eitan werd het hele stuk door uitgesproken als Ei-tan in plaats van Etan. Met de klemtoon op de eerste lettergreep, alsof het om een ei ging. Pasen en Pesach is niet hetzelfde, de seider is geen gebed. En dan nog het woord rabbi. Brrr. Rabbijn, alsjeblieft.
Zo, heb ik me toch even kunnen ergeren. Maar je moet Vogels echt gaan zien, geloof me.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 21 april 2023.
donderdag 27 april 2023
donderdag 30 maart 2023
Brief van Asjer, 24 maart 2023
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Pap,
Eigenlijk wil ik het niet te veel over Israël hebben, het land dat ook voor mij een bijzondere plek is. Er wordt momenteel zoveel over gezegd dat alles wat in mij opkomt al snel clichématig klinkt. Eén ding moge duidelijk zijn: Israël is niet geworden wat we ervan hadden gehoopt. We lijken steeds verder af te dwalen van de Joodse en democratische staat die de grondleggers voor ogen hadden. Eén van de beloftes van het zionisme was dat onafhankelijkheid het Joodse leven zou normaliseren. ‘Wanneer we Joodse prostituees en dieven hebben, zal Israël een normaal land zijn,’ zei Ben Goerion ooit. Als normalisatie van het jodendom inhoudt dat we Joodse ministers hebben die ertoe oproepen een Arabisch dorpje van de aarde weg te vagen, doe mij dan maar het jodendom in de gola.
Niet dat dat Joodse leven hier wel normaal genoemd kan worden. Als ik deze brief schrijf, kom ik net terug van de derde en laatste opname van de nieuwe podcastserie die we bij JMW maken. Naar aanleiding van een onderhoud met het Nationaal Comité 4 en 5 mei wilden we een serie gesprekken opnemen waarin Joodse Nederlanders met een familielid van een andere generatie praten over de toekomst van herdenken in Nederland. Vandaag hadden we vader en dochter Hertzberger te gast, en ook uit dat gesprek bleek wat mij betreft weer eens dat Joods-zijn in Nederland eigenlijk nog steeds niet normaal is.
En dat heeft te maken met de oorlog. Als je het mij vraagt niet alleen met het feit dat de oorlog ons is overkomen, maar ook met hoe we zelf met dat verleden omgaan. De grote nadruk die wij als gemeenschap nog steeds leggen op dat deel van onze geschiedenis. Hoe we het onze kalender laten domineren, met vrijwel elke maand een andere herdenking. En hoe we dat verleden verbinden met potentieel antisemitisme in de huidige samenleving. En elkaar gek maken door elkaar te overspoelen met berichten over de stijging daarvan.
Die grote nadruk op de oorlog en op antisemitisme is niet zonder gevolgen. Het kan niet anders dan dat de verhalen die we elkaar vertellen, invloed hebben op de manier waarop Joden zich in de Nederlandse samenleving bewegen. Als een vanzelfsprekend onderdeel daarvan, of – op een bepaalde manier – als buitenstaanders die wanneer het erop aankomt er tóch niet bij horen. Het maakt de gemeenschap angstig, wantrouwend. We veranderen in mensen die altijd het gevoel hebben op hun hoede te moeten zijn. Waakzaam.
Dat is niet alleen maar negatief. Ik ben een groot voorstander van een gezonde basis waakzaamheid. Daarmee kunnen we opkomend antisemitisme eerder signaleren en proberen de kop in te drukken. En niet alleen jodenhaat trouwens, ook andere vormen van discriminatie en uitsluiting. Maar ik zie steeds meer om mij heen dat het naast die waakzaamheid vooral leidt tot een irrationele angst om in het openbaar Joods te zijn. Om een mezoeza aan de deur te hangen of een ketting met een davidster te dragen. Mensen die in alledaagse situaties op werk of op straat zoveel mogelijk proberen te vermijden dat ze moeten zeggen Joods te zijn. Allemaal verhalen van mensen die nog nooit met antisemitisme in aanraking zijn gekomen. En die zelf eigenlijk ook geen mensen kennen die antisemitisch bejegend worden. Sterker nog, wanneer je veel van deze mensen vraagt wat er nou daadwerkelijk gebeurt als mensen erachter komen dat ze Joods zijn, hoor je dat daar meestal juist heel positieve reacties op komen.
De verhalen die we elkaar vertellen zijn niet zonder gevolgen. De Amerikaanse historicus Salo Baron kwam al eens in het geweer tegen wat hij ‘de larmoyante visie op de Joodse geschiedenis’ noemde. Die historie, zo meende hij, wordt vooral verteld aan de hand van vervolging van het Joodse volk, terwijl er nog veel meer te vertellen is. Door op de vervolgingen te focussen, ontstaat een bepaald beeld van de Joodse geschiedenis dat misschien niet altijd even accuraat is. En die manier van geschiedschrijving is niet zonder gevolgen.
Volgens mij hebben we behoefte aan nieuwe verhalen. Misschien dat Joods-zijn in Nederland dan eindelijk normaal wordt.
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 24 maart 2023.
Lieve Pap,
Eigenlijk wil ik het niet te veel over Israël hebben, het land dat ook voor mij een bijzondere plek is. Er wordt momenteel zoveel over gezegd dat alles wat in mij opkomt al snel clichématig klinkt. Eén ding moge duidelijk zijn: Israël is niet geworden wat we ervan hadden gehoopt. We lijken steeds verder af te dwalen van de Joodse en democratische staat die de grondleggers voor ogen hadden. Eén van de beloftes van het zionisme was dat onafhankelijkheid het Joodse leven zou normaliseren. ‘Wanneer we Joodse prostituees en dieven hebben, zal Israël een normaal land zijn,’ zei Ben Goerion ooit. Als normalisatie van het jodendom inhoudt dat we Joodse ministers hebben die ertoe oproepen een Arabisch dorpje van de aarde weg te vagen, doe mij dan maar het jodendom in de gola.
Niet dat dat Joodse leven hier wel normaal genoemd kan worden. Als ik deze brief schrijf, kom ik net terug van de derde en laatste opname van de nieuwe podcastserie die we bij JMW maken. Naar aanleiding van een onderhoud met het Nationaal Comité 4 en 5 mei wilden we een serie gesprekken opnemen waarin Joodse Nederlanders met een familielid van een andere generatie praten over de toekomst van herdenken in Nederland. Vandaag hadden we vader en dochter Hertzberger te gast, en ook uit dat gesprek bleek wat mij betreft weer eens dat Joods-zijn in Nederland eigenlijk nog steeds niet normaal is.
En dat heeft te maken met de oorlog. Als je het mij vraagt niet alleen met het feit dat de oorlog ons is overkomen, maar ook met hoe we zelf met dat verleden omgaan. De grote nadruk die wij als gemeenschap nog steeds leggen op dat deel van onze geschiedenis. Hoe we het onze kalender laten domineren, met vrijwel elke maand een andere herdenking. En hoe we dat verleden verbinden met potentieel antisemitisme in de huidige samenleving. En elkaar gek maken door elkaar te overspoelen met berichten over de stijging daarvan.
Die grote nadruk op de oorlog en op antisemitisme is niet zonder gevolgen. Het kan niet anders dan dat de verhalen die we elkaar vertellen, invloed hebben op de manier waarop Joden zich in de Nederlandse samenleving bewegen. Als een vanzelfsprekend onderdeel daarvan, of – op een bepaalde manier – als buitenstaanders die wanneer het erop aankomt er tóch niet bij horen. Het maakt de gemeenschap angstig, wantrouwend. We veranderen in mensen die altijd het gevoel hebben op hun hoede te moeten zijn. Waakzaam.
Dat is niet alleen maar negatief. Ik ben een groot voorstander van een gezonde basis waakzaamheid. Daarmee kunnen we opkomend antisemitisme eerder signaleren en proberen de kop in te drukken. En niet alleen jodenhaat trouwens, ook andere vormen van discriminatie en uitsluiting. Maar ik zie steeds meer om mij heen dat het naast die waakzaamheid vooral leidt tot een irrationele angst om in het openbaar Joods te zijn. Om een mezoeza aan de deur te hangen of een ketting met een davidster te dragen. Mensen die in alledaagse situaties op werk of op straat zoveel mogelijk proberen te vermijden dat ze moeten zeggen Joods te zijn. Allemaal verhalen van mensen die nog nooit met antisemitisme in aanraking zijn gekomen. En die zelf eigenlijk ook geen mensen kennen die antisemitisch bejegend worden. Sterker nog, wanneer je veel van deze mensen vraagt wat er nou daadwerkelijk gebeurt als mensen erachter komen dat ze Joods zijn, hoor je dat daar meestal juist heel positieve reacties op komen.
De verhalen die we elkaar vertellen zijn niet zonder gevolgen. De Amerikaanse historicus Salo Baron kwam al eens in het geweer tegen wat hij ‘de larmoyante visie op de Joodse geschiedenis’ noemde. Die historie, zo meende hij, wordt vooral verteld aan de hand van vervolging van het Joodse volk, terwijl er nog veel meer te vertellen is. Door op de vervolgingen te focussen, ontstaat een bepaald beeld van de Joodse geschiedenis dat misschien niet altijd even accuraat is. En die manier van geschiedschrijving is niet zonder gevolgen.
Volgens mij hebben we behoefte aan nieuwe verhalen. Misschien dat Joods-zijn in Nederland dan eindelijk normaal wordt.
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 24 maart 2023.
donderdag 16 maart 2023
Brief aan Asjer, 10 maart 2023
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
Als ik deze brief verstuurd heb, ga ik weer door met het inpakken van m’n koffer. Ik breek er even tussenuit omdat ik graag m’n gedachten en gevoelens met je wil delen. Die koffer komt straks wel.
Morgenavond zit ik in Tel Aviv. Mijn geliefde Tel Aviv kan ik wel zeggen. Het is, denk ik, voor het eerst dat ik dit opschrijf. En ook voor het eerst dat ik daarover nadenk. En dat is op zich weer bijzonder. Ik beschouw mezelf – geen nieuws voor je – als een doorgewinterde zionist. En toch, toch was er even twijfel. Héél even, maar toch.
Naast mijn toetsenbord ligt een column van Hans Knoop, uit het NIW van 16 december vorig jaar. Een goede column, vond ik meteen toen ik ‘m een paar maanden geleden las. De kop boven zijn relaas, Afscheid van Israël?, was behoorlijk confronterend, je begrijpt meteen waar hij het over gaat hebben. Ik ga alle zorgelijke ontwikkelingen in de Israëlische politiek hier niet noemen, die kennen we allebei, jij bent bovendien een stuk beter op de hoogte dan ik. Knoop krijgt nogal eens de vraag voorgelegd wanneer hij zijn steun aan Israël zou heroverwegen. Zijn antwoord: “… als het land mensenrechten zou schenden of het pad van de democratische rechtsstraat zou verlaten.”
Ik merk dat ik het lastig vind, tegenover mezelf, om te rechtvaardigen dat ik ‘gewoon’ naar Israël ga. Want dat staat voor mij als een paal boven water: ik ga. Na die halve seconde twijfel, was de beslissing snel genomen: ik laat mij door niemand, zelfs niet door een in mijn (en veler) ogen verderfelijke regeringsploeg, weerhouden om ‘mijn’ Israël te bezoeken. Sterker nog: misschien wil ik er juist nu wel heen. Dat komt natuurlijk ook omdat het, door Corona, zo lang geleden is dat ik er voor het laatst was. Maar misschien ook wel een beetje door een soort solidariteits-idee. Ik zou zaterdagavond zo maar kunnen aansluiten bij één van de demonstraties. Gevoelens zijn soms moeilijk te doorgronden.
Tegelijkertijd realiseer ik me dat ik discrimineer. Dat is misschien het laatste dat je van je vader verwacht, het is in ieder geval het laatste dat ik van mezelf verwacht. Gelukkig is het geen discriminatie van een persoon of van personen, maar van landen. Ik wéét dat ik in een vergelijkbare situatie in elk ander land écht getwijfeld zou hebben of ik wel of niet zou gaan. En dat ik dan waarschijnlijk voor een andere reisbestemming zou hebben gekozen. Dat gevoel en die afweging spelen nu niet, ik ga!
Misschien is dat liefde, liefde voor het land. Wie zal het zeggen. Ik heb mezelf ingeprent dat regeringen gaan en komen. Dat ook deze desastreuze ploeg er maar tijdelijk zit en dat er altijd betere tijden komen. Ja, misschien sus ik mezelf daarmee in slaap. Bewust. Het zij zo.
Deze vakantie onderbreek ik één dag voor ‘werk’. Ik breng een bezoek aan een jeugddorp, Ramat Hadassah, een project van Keren Hayesod, waar ik voor Israëlactie dit jaar veel over zal schrijven. Goed om dit mooie project met eigen ogen te kunnen zien, hopelijk met veel mensen daar te kunnen spreken. Maar vooral ook goed om iets van de mooie kant van Israël te kunnen zien. Een sociaal project van hoge kwaliteit om kinderen en jongeren uit een slechte thuissituatie (vaak met huiselijk geweld) te halen, ze te begeleiden en ze zicht te geven op een hoopvolle toekomst. Want ook dat is Israël, dat moeten we niet vergeten. Bovendien versterken dit soort projecten, die deels door giften uit het buitenland gefinancierd worden, de band tussen Israël en de gola. Minstens zo belangrijk.
Ondertussen schieten mijn gedachten – je merkt het - van links naar rechts en blijft de column van Hans Knoop door mijn hoofd spoken. Nou goed. Samen met Nino ga ik eerst genieten, niet in de laatste plaats van culinaire verrassingen. Ik heb altijd veel moeite gehad met mensen die de grond kussen, dat ga ik ook zeker niet doen, maak je geen zorgen. Maar over die grond rondslenteren, dat moet kunnen.
Kan ik iets voor je meenemen? Kruiden? Iets anders?
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 10 maart 2023.
Lieve Asjer,
Als ik deze brief verstuurd heb, ga ik weer door met het inpakken van m’n koffer. Ik breek er even tussenuit omdat ik graag m’n gedachten en gevoelens met je wil delen. Die koffer komt straks wel.
Morgenavond zit ik in Tel Aviv. Mijn geliefde Tel Aviv kan ik wel zeggen. Het is, denk ik, voor het eerst dat ik dit opschrijf. En ook voor het eerst dat ik daarover nadenk. En dat is op zich weer bijzonder. Ik beschouw mezelf – geen nieuws voor je – als een doorgewinterde zionist. En toch, toch was er even twijfel. Héél even, maar toch.
Naast mijn toetsenbord ligt een column van Hans Knoop, uit het NIW van 16 december vorig jaar. Een goede column, vond ik meteen toen ik ‘m een paar maanden geleden las. De kop boven zijn relaas, Afscheid van Israël?, was behoorlijk confronterend, je begrijpt meteen waar hij het over gaat hebben. Ik ga alle zorgelijke ontwikkelingen in de Israëlische politiek hier niet noemen, die kennen we allebei, jij bent bovendien een stuk beter op de hoogte dan ik. Knoop krijgt nogal eens de vraag voorgelegd wanneer hij zijn steun aan Israël zou heroverwegen. Zijn antwoord: “… als het land mensenrechten zou schenden of het pad van de democratische rechtsstraat zou verlaten.”
Ik merk dat ik het lastig vind, tegenover mezelf, om te rechtvaardigen dat ik ‘gewoon’ naar Israël ga. Want dat staat voor mij als een paal boven water: ik ga. Na die halve seconde twijfel, was de beslissing snel genomen: ik laat mij door niemand, zelfs niet door een in mijn (en veler) ogen verderfelijke regeringsploeg, weerhouden om ‘mijn’ Israël te bezoeken. Sterker nog: misschien wil ik er juist nu wel heen. Dat komt natuurlijk ook omdat het, door Corona, zo lang geleden is dat ik er voor het laatst was. Maar misschien ook wel een beetje door een soort solidariteits-idee. Ik zou zaterdagavond zo maar kunnen aansluiten bij één van de demonstraties. Gevoelens zijn soms moeilijk te doorgronden.
Tegelijkertijd realiseer ik me dat ik discrimineer. Dat is misschien het laatste dat je van je vader verwacht, het is in ieder geval het laatste dat ik van mezelf verwacht. Gelukkig is het geen discriminatie van een persoon of van personen, maar van landen. Ik wéét dat ik in een vergelijkbare situatie in elk ander land écht getwijfeld zou hebben of ik wel of niet zou gaan. En dat ik dan waarschijnlijk voor een andere reisbestemming zou hebben gekozen. Dat gevoel en die afweging spelen nu niet, ik ga!
Misschien is dat liefde, liefde voor het land. Wie zal het zeggen. Ik heb mezelf ingeprent dat regeringen gaan en komen. Dat ook deze desastreuze ploeg er maar tijdelijk zit en dat er altijd betere tijden komen. Ja, misschien sus ik mezelf daarmee in slaap. Bewust. Het zij zo.
Deze vakantie onderbreek ik één dag voor ‘werk’. Ik breng een bezoek aan een jeugddorp, Ramat Hadassah, een project van Keren Hayesod, waar ik voor Israëlactie dit jaar veel over zal schrijven. Goed om dit mooie project met eigen ogen te kunnen zien, hopelijk met veel mensen daar te kunnen spreken. Maar vooral ook goed om iets van de mooie kant van Israël te kunnen zien. Een sociaal project van hoge kwaliteit om kinderen en jongeren uit een slechte thuissituatie (vaak met huiselijk geweld) te halen, ze te begeleiden en ze zicht te geven op een hoopvolle toekomst. Want ook dat is Israël, dat moeten we niet vergeten. Bovendien versterken dit soort projecten, die deels door giften uit het buitenland gefinancierd worden, de band tussen Israël en de gola. Minstens zo belangrijk.
Ondertussen schieten mijn gedachten – je merkt het - van links naar rechts en blijft de column van Hans Knoop door mijn hoofd spoken. Nou goed. Samen met Nino ga ik eerst genieten, niet in de laatste plaats van culinaire verrassingen. Ik heb altijd veel moeite gehad met mensen die de grond kussen, dat ga ik ook zeker niet doen, maak je geen zorgen. Maar over die grond rondslenteren, dat moet kunnen.
Kan ik iets voor je meenemen? Kruiden? Iets anders?
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 10 maart 2023.
vrijdag 3 maart 2023
Brief van Asjer, 24 februari 2023
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Pap,
Een paar weken geleden was heel de wereld in de ban van ChatGPT. Paniek onder docenten en journalisten. De eerste groep zag de bruikbaarheid van schrijfopdrachten die jarenlang een succesvolle toetsingsmogelijkheid was plotseling in rook opgaan. Leerlingen zouden valsspelen door ChatGPT hun huiswerk te laten maken. En de freelancejournalist zag zijn toekomstige opdrachten in dezelfde rook verdwijnen. Wie huurt er nu nog een tekstschrijver in wanneer een gratis app de meest prachtige teksten in enkele luttele seconden op het scherm doet verschijnen?
ChatGPT breekt met onze norm en dat werkt enigszins beangstigend. Mensen houden nu eenmaal niet van verandering. Teksten worden geschreven door mensen en dat vergt talent, oefening en noeste arbeid. En wanneer de wereld lijkt te veranderen, als we bepaalde technologie geïntroduceerd zien worden die de norm ter discussie stelt en mogelijk zal veranderen, is dat niet voor iedereen even makkelijk. De lichte paniek is begrijpelijk, maar interessanter waren de commentaren die vooruitkeken naar een wereld waarin ChatGPT en soortgelijke technologieën een vanzelfsprekend onderdeel van onze samenleving zouden zijn geworden. Wat leren we leerlingen dan nog, en hoe kunnen we dat effectief toetsen? Hoe kun je ChatGPT inzetten voor het schrijven van teksten en wat is dan nog de toegevoegde waarde van de mens?
Onwillekeurig moest ik hieraan denken toen de recente rapporten gepubliceerd werden over de stand van kennis over de Holocaust bij jongeren. De norm is dat jongeren gedetailleerde feitenkennis over gebeurtenissen uit de Sjoa moeten hebben. Dat, zo lijkt de oudere generatie te zeggen, hebben wij immers ook. We weten in welke maand de deportaties vanuit Westerbork begonnen en wanneer het dragen van een jodenster verplicht werd. Sterker nog, we kunnen de namen noemen van families die fout waren in de oorlog, bij welke zaak je nu dus absoluut niet je schoenen mag kopen, en welke krant je toch liever links laat liggen. Wanneer blijkt dat een nieuwe generatie soortgelijke kennis ontbeert, breekt er lichte paniek uit. Hoe moet het nu verder met de jongeren? Wat voor barre toekomst gaan we tegemoet?
Het onderzoek van de Claims Conference heeft mij aan het denken gezet. Dat het ontbreken van kennis in het onderzoek gelijkgesteld lijkt te worden aan holocaustontkenning, vind ik problematisch. Dat 8 procent van de jongeren denkt dat Anne Frank een dader in plaats van slachtoffer was, wekt mijn verbazing. Dat er in brede zin minder kennis is over de Sjoa verbaast mij dan weer niet. En ik denk ook dat een bepaalde mate van basiskennis essentieel is om de herinnering aan de Sjoa te doen standhouden. En dat is belangrijk. Want, om Arnon Grünberg te parafraseren, als je leert over het verleden en de herinnering in stand houdt, voorkom je dat het nog een keer gebeurt.
Maar hebben we te maken met een situatie van grote nalatigheid op het gebied van educatie over de Sjoa? Of eerder met een verandering van de norm waarbij gedetailleerde feitenkennis niet meer centraal staat? Ik betwijfel of de jongeren van de 21e eeuw dit soort kennis wel hebben van andere recente historische gebeurtenissen. Van de oorlog in Srebrenica of in Irak en Afghanistan. En als we heel eerlijk zijn, hoe zinvol is het om kinderen vol te stampen met feiten die ze op elk gewenst moment van de dag via de telefoon in hun broekzak kunnen opzoeken? Interessanter zou zijn om na te gaan hoe we onderwijs vormgeven waarin het herkennen van uitsluiting en discriminatie een plek heeft. Hoe je kinderen laat inzien dat de geschiedenis door mensen wordt gevormd, en dat individuen daar invloed op hebben. Hoe je een generatie creëert die niet dezelfde fouten maakt. Hoe voorkom je dat het nog een keer gebeurt? Dat daar in onze samenleving enige kennis van de Sjoa bij komt kijken lijkt mij logisch, maar dat we die feitenkennis uitsluitend als norm nemen is misschien niet meer van deze tijd.
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 24 februari 2023.
Lieve Pap,
Een paar weken geleden was heel de wereld in de ban van ChatGPT. Paniek onder docenten en journalisten. De eerste groep zag de bruikbaarheid van schrijfopdrachten die jarenlang een succesvolle toetsingsmogelijkheid was plotseling in rook opgaan. Leerlingen zouden valsspelen door ChatGPT hun huiswerk te laten maken. En de freelancejournalist zag zijn toekomstige opdrachten in dezelfde rook verdwijnen. Wie huurt er nu nog een tekstschrijver in wanneer een gratis app de meest prachtige teksten in enkele luttele seconden op het scherm doet verschijnen?
ChatGPT breekt met onze norm en dat werkt enigszins beangstigend. Mensen houden nu eenmaal niet van verandering. Teksten worden geschreven door mensen en dat vergt talent, oefening en noeste arbeid. En wanneer de wereld lijkt te veranderen, als we bepaalde technologie geïntroduceerd zien worden die de norm ter discussie stelt en mogelijk zal veranderen, is dat niet voor iedereen even makkelijk. De lichte paniek is begrijpelijk, maar interessanter waren de commentaren die vooruitkeken naar een wereld waarin ChatGPT en soortgelijke technologieën een vanzelfsprekend onderdeel van onze samenleving zouden zijn geworden. Wat leren we leerlingen dan nog, en hoe kunnen we dat effectief toetsen? Hoe kun je ChatGPT inzetten voor het schrijven van teksten en wat is dan nog de toegevoegde waarde van de mens?
Onwillekeurig moest ik hieraan denken toen de recente rapporten gepubliceerd werden over de stand van kennis over de Holocaust bij jongeren. De norm is dat jongeren gedetailleerde feitenkennis over gebeurtenissen uit de Sjoa moeten hebben. Dat, zo lijkt de oudere generatie te zeggen, hebben wij immers ook. We weten in welke maand de deportaties vanuit Westerbork begonnen en wanneer het dragen van een jodenster verplicht werd. Sterker nog, we kunnen de namen noemen van families die fout waren in de oorlog, bij welke zaak je nu dus absoluut niet je schoenen mag kopen, en welke krant je toch liever links laat liggen. Wanneer blijkt dat een nieuwe generatie soortgelijke kennis ontbeert, breekt er lichte paniek uit. Hoe moet het nu verder met de jongeren? Wat voor barre toekomst gaan we tegemoet?
Het onderzoek van de Claims Conference heeft mij aan het denken gezet. Dat het ontbreken van kennis in het onderzoek gelijkgesteld lijkt te worden aan holocaustontkenning, vind ik problematisch. Dat 8 procent van de jongeren denkt dat Anne Frank een dader in plaats van slachtoffer was, wekt mijn verbazing. Dat er in brede zin minder kennis is over de Sjoa verbaast mij dan weer niet. En ik denk ook dat een bepaalde mate van basiskennis essentieel is om de herinnering aan de Sjoa te doen standhouden. En dat is belangrijk. Want, om Arnon Grünberg te parafraseren, als je leert over het verleden en de herinnering in stand houdt, voorkom je dat het nog een keer gebeurt.
Maar hebben we te maken met een situatie van grote nalatigheid op het gebied van educatie over de Sjoa? Of eerder met een verandering van de norm waarbij gedetailleerde feitenkennis niet meer centraal staat? Ik betwijfel of de jongeren van de 21e eeuw dit soort kennis wel hebben van andere recente historische gebeurtenissen. Van de oorlog in Srebrenica of in Irak en Afghanistan. En als we heel eerlijk zijn, hoe zinvol is het om kinderen vol te stampen met feiten die ze op elk gewenst moment van de dag via de telefoon in hun broekzak kunnen opzoeken? Interessanter zou zijn om na te gaan hoe we onderwijs vormgeven waarin het herkennen van uitsluiting en discriminatie een plek heeft. Hoe je kinderen laat inzien dat de geschiedenis door mensen wordt gevormd, en dat individuen daar invloed op hebben. Hoe je een generatie creëert die niet dezelfde fouten maakt. Hoe voorkom je dat het nog een keer gebeurt? Dat daar in onze samenleving enige kennis van de Sjoa bij komt kijken lijkt mij logisch, maar dat we die feitenkennis uitsluitend als norm nemen is misschien niet meer van deze tijd.
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 24 februari 2023.
vrijdag 17 februari 2023
Brief aan Asjer, 10 februari 2023
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
‘Joden zijn net gewone mensen’ schreef je in je brief van twee weken geleden. Ik roep dat zelf ook nog wel eens. En dan wordt er heftig geknikt: natuurlijk zijn Joden gewone mensen. Voor de meeste Joden die ik ken – en dat zijn er best een paar – geldt dat zeker. De meeste? Ja, niet voor allemaal. Op zich is dat ook weer niet zo vreemd, overal vind je immers mensen die niet zo normaal zijn, dus ook onder Joden. Maar hoe zit dat voor ons Joden als groep? Kunnen wij ons als groep ook beroepen op ‘normaal zijn’?
Ik vrees dat het antwoord ‘nee’ is. En daar hoeven we ons niet voor te schamen. Dat heeft in mijn ogen alles te maken met de nasleep van de Sjoa. Boaz Blokhuis, één van de sprekers tijdens de Nationale Holocaust Herdenking, benoemde dat zijdelings. Hij refereerde aan onderzoek dat uitwijst dat een dergelijk zwaar oorlogstrauma zijn sporen nalaat tot in de vijfde generatie. (Even terzijde: Boaz moet verre, héél verre familie van ons zijn. De opa van zijn opa, die in Polen vermoord is, heette Alexander Waterman, net zoals mijn opa). Wij Joden hebben een excuus om een beetje mesjogge te zijn, om niet altijd te reageren als ‘normale mensen’. Denk maar eens aan onze goede vriend Jaap, ziwrona liwracha, die nog wel eens opmerkingen maakte waar wij kromme tenen van kregen, die had besloten zich na de oorlog niets meer te laten gezeggen. Opzettelijk Onaangepast Gedrag noem ik dat. Ik kon en kan dat goed hebben, overlevenden van de Sjoa hebben mij bij, zoals je weet, een vrijwel onbeperkt krediet.
Vervelend en onacceptabel wordt het wanneer leden van onze Joodse gemeenschap Calimero-gedrag vertonen. Of, erger nog, zich discriminatie, racisme of uitsluiting denken te kunnen permitteren wanneer zij vinden dat wij als Joden belaagd worden of in het gedrang komen.
Dit speelde weer na publicatie van het onderzoek van het Amerikaanse Schoen Cooperman Research (in opdracht van de Claims Conference) onder tweeduizend Nederlandse jongeren. De uitkomst van dat onderzoek is op z’n minst opvallend. Nou ja, niet alleen opvallend, ik vind die uitkomst eigenlijk schokkend. Zo’n grote groep, 23 procent van de ondervraagde jongeren, kent de feiten over de Sjoa niet óf verdraait die feiten bewust.
Wat vond jij trouwens van de reacties op die publicatie? Reacties in de pers en reacties van hen die ‘net normale mensen’ zijn?
Met een oordeel over reacties in de pers ben ik voorzichtig. Hoewel Schoen Cooperman een gerenommeerd onderzoeksbureau is, kan het natuurlijk zijn dat zij fouten hebben gemaakt en dat hun steekproef niet representatief is. Ik kan daar niet over oordelen. Het cijfer dat ik tijdens mijn studie in Breda voor statistiek haalde, kwam nooit hoger dan een vier. Toch viel de gretigheid waarmee de kritiek werd geuit, me op. Maar, nogmaals, misschien is die kritiek terecht.
Over die andere reacties ben ik minder mild. Ik las weer verschrikkelijke dingen. Natuurlijk hield die 23 procent me bezig, vroeg ook ik me af hoe dit mogelijk is. Ik heb niet de illusie dat ik wel even het antwoord heb. Maar, als ik toch een bescheiden poging mag wagen, de oorzaak in het onderwijs zoeken lijkt me niet vreemd. Of eigenlijk niet in het onderwijs, maar bij onze regering. Het curriculum voor het onderwijs is immers een overheidszaak. Het vak geschiedenis is in de loop der jaren steeds minder belangrijk gemaakt. Op het vmbo bijvoorbeeld, is geschiedenis alleen in de onderbouw (de eerste twee jaren) een verplicht vak. Tsja, wat verwacht je dan aan kennis aan het eind van de schooltijd.
Niet iedereen zocht het meteen in het onderwijs. De bekende Pavlov-reactie kwam weer op: het zijn de Moslims! De hele riedel kwam voorbij: op alle scholen in Nederland worden docenten door Moslim-leerlingen bedreigd, Moslims hebben zo’n jodenhaat dat zij voorkomen dat er onderwijs wordt gegeven over de Sjoa, et cetera. Dat die 23 procent werd bepaald door Moslim-jongeren, dat is voor sommigen zonneklaar. Elke vorm van onderbouwing ontbreekt. Ik word er zo moedeloos van …
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 10 februari 2023.
Lieve Asjer,
‘Joden zijn net gewone mensen’ schreef je in je brief van twee weken geleden. Ik roep dat zelf ook nog wel eens. En dan wordt er heftig geknikt: natuurlijk zijn Joden gewone mensen. Voor de meeste Joden die ik ken – en dat zijn er best een paar – geldt dat zeker. De meeste? Ja, niet voor allemaal. Op zich is dat ook weer niet zo vreemd, overal vind je immers mensen die niet zo normaal zijn, dus ook onder Joden. Maar hoe zit dat voor ons Joden als groep? Kunnen wij ons als groep ook beroepen op ‘normaal zijn’?
Ik vrees dat het antwoord ‘nee’ is. En daar hoeven we ons niet voor te schamen. Dat heeft in mijn ogen alles te maken met de nasleep van de Sjoa. Boaz Blokhuis, één van de sprekers tijdens de Nationale Holocaust Herdenking, benoemde dat zijdelings. Hij refereerde aan onderzoek dat uitwijst dat een dergelijk zwaar oorlogstrauma zijn sporen nalaat tot in de vijfde generatie. (Even terzijde: Boaz moet verre, héél verre familie van ons zijn. De opa van zijn opa, die in Polen vermoord is, heette Alexander Waterman, net zoals mijn opa). Wij Joden hebben een excuus om een beetje mesjogge te zijn, om niet altijd te reageren als ‘normale mensen’. Denk maar eens aan onze goede vriend Jaap, ziwrona liwracha, die nog wel eens opmerkingen maakte waar wij kromme tenen van kregen, die had besloten zich na de oorlog niets meer te laten gezeggen. Opzettelijk Onaangepast Gedrag noem ik dat. Ik kon en kan dat goed hebben, overlevenden van de Sjoa hebben mij bij, zoals je weet, een vrijwel onbeperkt krediet.
Vervelend en onacceptabel wordt het wanneer leden van onze Joodse gemeenschap Calimero-gedrag vertonen. Of, erger nog, zich discriminatie, racisme of uitsluiting denken te kunnen permitteren wanneer zij vinden dat wij als Joden belaagd worden of in het gedrang komen.
Dit speelde weer na publicatie van het onderzoek van het Amerikaanse Schoen Cooperman Research (in opdracht van de Claims Conference) onder tweeduizend Nederlandse jongeren. De uitkomst van dat onderzoek is op z’n minst opvallend. Nou ja, niet alleen opvallend, ik vind die uitkomst eigenlijk schokkend. Zo’n grote groep, 23 procent van de ondervraagde jongeren, kent de feiten over de Sjoa niet óf verdraait die feiten bewust.
Wat vond jij trouwens van de reacties op die publicatie? Reacties in de pers en reacties van hen die ‘net normale mensen’ zijn?
Met een oordeel over reacties in de pers ben ik voorzichtig. Hoewel Schoen Cooperman een gerenommeerd onderzoeksbureau is, kan het natuurlijk zijn dat zij fouten hebben gemaakt en dat hun steekproef niet representatief is. Ik kan daar niet over oordelen. Het cijfer dat ik tijdens mijn studie in Breda voor statistiek haalde, kwam nooit hoger dan een vier. Toch viel de gretigheid waarmee de kritiek werd geuit, me op. Maar, nogmaals, misschien is die kritiek terecht.
Over die andere reacties ben ik minder mild. Ik las weer verschrikkelijke dingen. Natuurlijk hield die 23 procent me bezig, vroeg ook ik me af hoe dit mogelijk is. Ik heb niet de illusie dat ik wel even het antwoord heb. Maar, als ik toch een bescheiden poging mag wagen, de oorzaak in het onderwijs zoeken lijkt me niet vreemd. Of eigenlijk niet in het onderwijs, maar bij onze regering. Het curriculum voor het onderwijs is immers een overheidszaak. Het vak geschiedenis is in de loop der jaren steeds minder belangrijk gemaakt. Op het vmbo bijvoorbeeld, is geschiedenis alleen in de onderbouw (de eerste twee jaren) een verplicht vak. Tsja, wat verwacht je dan aan kennis aan het eind van de schooltijd.
Niet iedereen zocht het meteen in het onderwijs. De bekende Pavlov-reactie kwam weer op: het zijn de Moslims! De hele riedel kwam voorbij: op alle scholen in Nederland worden docenten door Moslim-leerlingen bedreigd, Moslims hebben zo’n jodenhaat dat zij voorkomen dat er onderwijs wordt gegeven over de Sjoa, et cetera. Dat die 23 procent werd bepaald door Moslim-jongeren, dat is voor sommigen zonneklaar. Elke vorm van onderbouwing ontbreekt. Ik word er zo moedeloos van …
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 10 februari 2023.
donderdag 2 februari 2023
Brief van Asjer, 27 januari 2023
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Pap,
Ik was blij om te lezen dat mama en jij zijn gaan kijken in het Verzetsmuseum. Al dat geschreeuw over die nieuwe tentoonstelling, ik word er niet vrolijk van. Als we de energie die loskomt bij dit soort opstootjes nou eens zouden steken in het organiseren van een wedstrijd viskoekjes bakken, of een Joods festival zoals laatst in de rubriek Mensch geopperd werd. Als je niet beter zou weten, zou je denken dat Joods-zijn in Nederland vooral betekent dat je je opwindt over iets waar je het niet mee eens bent. Niet dat je om die reden nooit ergens tegenin zou mogen gaan, maar toch …
Ach, Joden zijn ook net mensen. En dat schijnt al eeuwenlang het geval te zijn, zoals afgelopen week weer eens bleek. Tijdens mijn werk als catalograaf bij de Bibliotheca Rosenthaliana – de Joodse collectie van de Universiteitsbibliotheek van de UvA – kwam ik een mooi boekje tegen. Het boekje komt uit de collectie Cassuto en heet Chanças del ingenio y dislates de la Musa. Geschreven door Manuel de Pina - die we hier in Amsterdam ook wel Jacob noemden – en waarschijnlijk gedrukt in Amsterdam in 1656.
De Pina was een converso, geboren in Lissabon waar hij leefde als katholiek, maar in 1660 naar Amsterdam gekomen waar hij Joods ging doen. Maar zoals voor veel converso’s gold, betekende dit allerminst dat hij zijn Iberische cultuur achter zich liet. Integendeel. Die cultuur floreerde in het Amsterdam van de zeventiende eeuw, en De Pina’s boekje is daar een voorbeeld van. Het bevat erotische gedichten en een burleske komedie. De Pina droeg zijn boekje op aan Mozes Curiel, een bekende figuur onder de Portugese Joden in Amsterdam en een vooraanstaand man die fungeerde als agent van de Portugese koning.
Dat soort erotische literatuur was populair op het Iberisch Schiereiland, maar in Amsterdam was niet iedereen er even blij mee. De vrijere seksuele moraal strookte niet helemaal met de ideeën over zedelijkheid die de Portugese rabbijnen hier voor ogen hadden. Maar daar leek de gemiddelde Portugese Jood zich niets van aan te trekken. Het boek vond gretig aftrek. Joden zijn net gewone mensen, zullen we maar zeggen.
De parnassiem, bestuurders van de Portugese gemeente, deden het boek daarom in de ban. Tenminste, aanvankelijk. Toen Mozes Curiel parnas werd, verdween het boek ineens weer van de lijst met verboden boeken. Had ik al gezegd dat Joden net gewone mensen zijn? Later werd het boek tóch weer verbannen. Dat verbannen is trouwens ook helemaal niet zo bijzonder. Je zou kunnen zeggen dat de zeventiende eeuw zo’n beetje de gouden eeuw van verbannen was in het Amsterdamse jodendom. Een paar dagen nadat de ban op het boek van De Pina was uitgevaardigd, werd onze grote vriend Spinoza verbannen. Zelfs rabbijnen waren er niet van uitgezonderd. In 1640 leidde een conflict ertoe dat de beroemde rabbijn Menasseh ben Israel in de ban werd gedaan.
Nu we het toch over rabbijnen hebben, die blijken óók al net mensen te zijn. De Hamburgse rabbijn Samuel Abas en zijn Haagse collega David Nunes Torres hadden namelijk een kopie van het boek van De Pina in hun bibliotheek. Ik snap die rabbijnen wel. Ergens is het jammer dat we vandaag de dag geen boeken meer verbannen. Bijna niets klinkt zo spannend als het lezen van een verboden boek. Het zou direct met stip bovenaan mijn verlanglijstje komen te staan. Maar goed, dat is voor een andere keer.
Ik zou zo graag willen dat we in het publieke debat, in het nieuws, in de maatschappij, wat vaker zouden zien dat Joden gewone mensen zijn. Wanneer het over Joden gaat, is dat al snel in de context van de Sjoa of Israël, en al snel omdat ‘we’ weer ergens boos over zijn. Terwijl de ruim 50.000 Joden in Nederland doorgaans heel gewone levens leiden, links zijn of juist rechts, van Feyenoord houden (ik kan het me nauwelijks voorstellen, maar okay) of juist van Ajax, graag naar Ibiza op vakantie gaan of juist willen fietsen in Duitsland. Net als alle andere Nederlanders. Kunnen we het daar misschien een keer over hebben?
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 27 januari 2023.
Lieve Pap,
Ik was blij om te lezen dat mama en jij zijn gaan kijken in het Verzetsmuseum. Al dat geschreeuw over die nieuwe tentoonstelling, ik word er niet vrolijk van. Als we de energie die loskomt bij dit soort opstootjes nou eens zouden steken in het organiseren van een wedstrijd viskoekjes bakken, of een Joods festival zoals laatst in de rubriek Mensch geopperd werd. Als je niet beter zou weten, zou je denken dat Joods-zijn in Nederland vooral betekent dat je je opwindt over iets waar je het niet mee eens bent. Niet dat je om die reden nooit ergens tegenin zou mogen gaan, maar toch …
Ach, Joden zijn ook net mensen. En dat schijnt al eeuwenlang het geval te zijn, zoals afgelopen week weer eens bleek. Tijdens mijn werk als catalograaf bij de Bibliotheca Rosenthaliana – de Joodse collectie van de Universiteitsbibliotheek van de UvA – kwam ik een mooi boekje tegen. Het boekje komt uit de collectie Cassuto en heet Chanças del ingenio y dislates de la Musa. Geschreven door Manuel de Pina - die we hier in Amsterdam ook wel Jacob noemden – en waarschijnlijk gedrukt in Amsterdam in 1656.
De Pina was een converso, geboren in Lissabon waar hij leefde als katholiek, maar in 1660 naar Amsterdam gekomen waar hij Joods ging doen. Maar zoals voor veel converso’s gold, betekende dit allerminst dat hij zijn Iberische cultuur achter zich liet. Integendeel. Die cultuur floreerde in het Amsterdam van de zeventiende eeuw, en De Pina’s boekje is daar een voorbeeld van. Het bevat erotische gedichten en een burleske komedie. De Pina droeg zijn boekje op aan Mozes Curiel, een bekende figuur onder de Portugese Joden in Amsterdam en een vooraanstaand man die fungeerde als agent van de Portugese koning.
Dat soort erotische literatuur was populair op het Iberisch Schiereiland, maar in Amsterdam was niet iedereen er even blij mee. De vrijere seksuele moraal strookte niet helemaal met de ideeën over zedelijkheid die de Portugese rabbijnen hier voor ogen hadden. Maar daar leek de gemiddelde Portugese Jood zich niets van aan te trekken. Het boek vond gretig aftrek. Joden zijn net gewone mensen, zullen we maar zeggen.
De parnassiem, bestuurders van de Portugese gemeente, deden het boek daarom in de ban. Tenminste, aanvankelijk. Toen Mozes Curiel parnas werd, verdween het boek ineens weer van de lijst met verboden boeken. Had ik al gezegd dat Joden net gewone mensen zijn? Later werd het boek tóch weer verbannen. Dat verbannen is trouwens ook helemaal niet zo bijzonder. Je zou kunnen zeggen dat de zeventiende eeuw zo’n beetje de gouden eeuw van verbannen was in het Amsterdamse jodendom. Een paar dagen nadat de ban op het boek van De Pina was uitgevaardigd, werd onze grote vriend Spinoza verbannen. Zelfs rabbijnen waren er niet van uitgezonderd. In 1640 leidde een conflict ertoe dat de beroemde rabbijn Menasseh ben Israel in de ban werd gedaan.
Nu we het toch over rabbijnen hebben, die blijken óók al net mensen te zijn. De Hamburgse rabbijn Samuel Abas en zijn Haagse collega David Nunes Torres hadden namelijk een kopie van het boek van De Pina in hun bibliotheek. Ik snap die rabbijnen wel. Ergens is het jammer dat we vandaag de dag geen boeken meer verbannen. Bijna niets klinkt zo spannend als het lezen van een verboden boek. Het zou direct met stip bovenaan mijn verlanglijstje komen te staan. Maar goed, dat is voor een andere keer.
Ik zou zo graag willen dat we in het publieke debat, in het nieuws, in de maatschappij, wat vaker zouden zien dat Joden gewone mensen zijn. Wanneer het over Joden gaat, is dat al snel in de context van de Sjoa of Israël, en al snel omdat ‘we’ weer ergens boos over zijn. Terwijl de ruim 50.000 Joden in Nederland doorgaans heel gewone levens leiden, links zijn of juist rechts, van Feyenoord houden (ik kan het me nauwelijks voorstellen, maar okay) of juist van Ajax, graag naar Ibiza op vakantie gaan of juist willen fietsen in Duitsland. Net als alle andere Nederlanders. Kunnen we het daar misschien een keer over hebben?
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 27 januari 2023.
donderdag 19 januari 2023
Brief aan Asjer, 13 januari 2023
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
Er is zoveel dat ik met je wil bespreken, waar moet ik beginnen?
Eerst een korte reactie op jouw laatste brief van 2022. Die kwam bij mij stevig binnen. Je haalt Rutger Bregman aan, een overtuigd veganist, die ervoor pleit om geen vlees en zuivel meer te consumeren. Zelf ben je nog niet zover, ook al eet je thuis tegenwoordig vegetarisch. “Het lukt mij blijkbaar niet het inzicht om te zetten in daden en mij te voegen bij de morele pioniers die de verandering waar ik zo op hoop, al ingezet hebben,” schrijf je. Thuis-vegetariër is een goed begin toch?
Hoewel het misschien niet je bedoeling was, voel ik me aangesproken. Ik ben niet zover als jij en ik denk dat ik ook nooit zover zal komen. Vlees vind ik tè lekker. Toch eten wij, zoals je weet, steeds vaker vegetarisch. En we letten erop dat we geen bio-industrie-producten in huis halen. Het dier dat wij consumeren moet een goed leven hebben gehad. Dat laatste zouden wij Joden trouwens moeten toevoegen aan de regels over kosjer slachten. Niet alleen strenge regels hanteren over de sjechita zelf, maar ook regels opstellen over de manier waarop een dier geleefd moet hebben. Iets voor de ideeënbus?
Iets anders: ik heb me deze week weer te vaak geërgerd. Om te beginnen over een radioprogramma en een tv-programma.
Bart Wallet was te gast bij het radioprogramma Dit is de dag. Gespreksonderwerp: ‘Antisemitisme en complotdenkers’. Bart noemde onder andere het vervalste boek De protocollen van de wijzen van Sion, over een fictieve vergadering van Joodse leiders, die in 1897 zou hebben plaatsgevonden. Na Barts heldere uitleg, zoals we van hem gewend zijn, concludeerde presentatrice Margje Fikse: “Maar voor u is het heel duidelijk dat het pure onzin is.” Bart víndt dat niet, het is een bewezen feit. Nou goed, dit houd ik maar op onwetendheid.
Erger was het op tv, bij Op1, waar ChristenUnie-voorman Gert-Jan Segers aan tafel zat. Het gesprek ging over zijn oproep aan het kabinet, samen met negen andere fractievoorzitters, om harde maatregelen te nemen tegen het misdadige regime in Iran. De presentatrices Natasja Gibbs en Nadia Moussaid (ja, zij ook, zo jammer) hadden een val opgezet. “Laten we even naar Palestina kijken,” was de geniepige opmerking van Gibbs, “het apartheidsregime van Israël: komt er ook een open brief …” Verder kwam zij niet. Segers onderbrak haar en pareerde uitstekend. “In Iran worden tieners en twintigers opgehangen omdat ze demonstreren voor vrijheid,” waren zijn woorden. De vergelijking noemde hij misplaatst. Te zacht uitgedrukt naar mijn smaak. De redactie van Op1, Gibbs en Moussaid moeten zich diep schamen. Blijkbaar zijn ook zij geobsedeerd door alles dat in Israël gebeurt. Dat ze impliciet de misdaden in Iran downplayen, hebben ze zich blijkbaar niet gerealiseerd. Knap stom!
Nou, nog één ergernis dan. Die heeft te maken met het Verzetsmuseum. Nee, schrik niet, een andere ergernis dan je denkt.
Na alle ophef over het vernieuwde Verzetsmuseum wilde ik wel eens met eigen ogen zien wat er allemaal mis was. Het zwakke media-optreden van directeur Liesbeth van der Horst deed mij eigenlijk het ergste vrezen. En de eerste teksten die ik las, direct na binnenkomst, hielpen ook niet mee. “Koningin Wilhelmina en de ministers wijken uit naar Engeland, daar sluiten zij zich aan bij de Geallieerden,” kan bij mij niet op goedkeuring rekenen, dat weet je. En Anton Mussert, de NSB-leider, Anton noemen … “Anton verwelkomt de Duitse nazi’s enthousiast” – het is mij wat te amicaal. Maar daarmee heb ik m’n belangrijkste kritiekpunten wel genoemd. We zagen een uitgebalanceerde tentoonstelling. Het verzet van Marokkanen, het verzet van de Surinamer Anton de Kom, vrouwen in het verzet, Joden in het verzet – het zit er allemaal in. En als ik, om een voorbeeld te noemen, lees over een pastoor, Henri Vullinghs, die vanaf de preekstoel oproept tot verzet, die onderduikadressen regelt en dit alles moet bekopen met de dood in Bergen-Belsen, dan hoeft daar niet het woord ‘held’ bij vermeld te worden. Dat kan ik zelf wel bedenken, dat hoeft niemand me voor te kauwen. Al die schreeuwerds op sociale media moeten écht zelf gaan kijken en daarna eerlijk oordelen.
Wanneer komen jullie eten? Dan praten we verder.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 13 januari 2023.
Lieve Asjer,
Er is zoveel dat ik met je wil bespreken, waar moet ik beginnen?
Eerst een korte reactie op jouw laatste brief van 2022. Die kwam bij mij stevig binnen. Je haalt Rutger Bregman aan, een overtuigd veganist, die ervoor pleit om geen vlees en zuivel meer te consumeren. Zelf ben je nog niet zover, ook al eet je thuis tegenwoordig vegetarisch. “Het lukt mij blijkbaar niet het inzicht om te zetten in daden en mij te voegen bij de morele pioniers die de verandering waar ik zo op hoop, al ingezet hebben,” schrijf je. Thuis-vegetariër is een goed begin toch?
Hoewel het misschien niet je bedoeling was, voel ik me aangesproken. Ik ben niet zover als jij en ik denk dat ik ook nooit zover zal komen. Vlees vind ik tè lekker. Toch eten wij, zoals je weet, steeds vaker vegetarisch. En we letten erop dat we geen bio-industrie-producten in huis halen. Het dier dat wij consumeren moet een goed leven hebben gehad. Dat laatste zouden wij Joden trouwens moeten toevoegen aan de regels over kosjer slachten. Niet alleen strenge regels hanteren over de sjechita zelf, maar ook regels opstellen over de manier waarop een dier geleefd moet hebben. Iets voor de ideeënbus?
Iets anders: ik heb me deze week weer te vaak geërgerd. Om te beginnen over een radioprogramma en een tv-programma.
Bart Wallet was te gast bij het radioprogramma Dit is de dag. Gespreksonderwerp: ‘Antisemitisme en complotdenkers’. Bart noemde onder andere het vervalste boek De protocollen van de wijzen van Sion, over een fictieve vergadering van Joodse leiders, die in 1897 zou hebben plaatsgevonden. Na Barts heldere uitleg, zoals we van hem gewend zijn, concludeerde presentatrice Margje Fikse: “Maar voor u is het heel duidelijk dat het pure onzin is.” Bart víndt dat niet, het is een bewezen feit. Nou goed, dit houd ik maar op onwetendheid.
Erger was het op tv, bij Op1, waar ChristenUnie-voorman Gert-Jan Segers aan tafel zat. Het gesprek ging over zijn oproep aan het kabinet, samen met negen andere fractievoorzitters, om harde maatregelen te nemen tegen het misdadige regime in Iran. De presentatrices Natasja Gibbs en Nadia Moussaid (ja, zij ook, zo jammer) hadden een val opgezet. “Laten we even naar Palestina kijken,” was de geniepige opmerking van Gibbs, “het apartheidsregime van Israël: komt er ook een open brief …” Verder kwam zij niet. Segers onderbrak haar en pareerde uitstekend. “In Iran worden tieners en twintigers opgehangen omdat ze demonstreren voor vrijheid,” waren zijn woorden. De vergelijking noemde hij misplaatst. Te zacht uitgedrukt naar mijn smaak. De redactie van Op1, Gibbs en Moussaid moeten zich diep schamen. Blijkbaar zijn ook zij geobsedeerd door alles dat in Israël gebeurt. Dat ze impliciet de misdaden in Iran downplayen, hebben ze zich blijkbaar niet gerealiseerd. Knap stom!
Nou, nog één ergernis dan. Die heeft te maken met het Verzetsmuseum. Nee, schrik niet, een andere ergernis dan je denkt.
Na alle ophef over het vernieuwde Verzetsmuseum wilde ik wel eens met eigen ogen zien wat er allemaal mis was. Het zwakke media-optreden van directeur Liesbeth van der Horst deed mij eigenlijk het ergste vrezen. En de eerste teksten die ik las, direct na binnenkomst, hielpen ook niet mee. “Koningin Wilhelmina en de ministers wijken uit naar Engeland, daar sluiten zij zich aan bij de Geallieerden,” kan bij mij niet op goedkeuring rekenen, dat weet je. En Anton Mussert, de NSB-leider, Anton noemen … “Anton verwelkomt de Duitse nazi’s enthousiast” – het is mij wat te amicaal. Maar daarmee heb ik m’n belangrijkste kritiekpunten wel genoemd. We zagen een uitgebalanceerde tentoonstelling. Het verzet van Marokkanen, het verzet van de Surinamer Anton de Kom, vrouwen in het verzet, Joden in het verzet – het zit er allemaal in. En als ik, om een voorbeeld te noemen, lees over een pastoor, Henri Vullinghs, die vanaf de preekstoel oproept tot verzet, die onderduikadressen regelt en dit alles moet bekopen met de dood in Bergen-Belsen, dan hoeft daar niet het woord ‘held’ bij vermeld te worden. Dat kan ik zelf wel bedenken, dat hoeft niemand me voor te kauwen. Al die schreeuwerds op sociale media moeten écht zelf gaan kijken en daarna eerlijk oordelen.
Wanneer komen jullie eten? Dan praten we verder.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 13 januari 2023.
Abonneren op:
Posts (Atom)