donderdag 15 september 2022

Brief van Asjer, 9 september 2022

In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn lieve zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.


Lieve Pap,

Ik begrijp dat je enigszins teleurgesteld bent dat het zo lang heeft moeten duren voordat je een fatsoenlijke brief van mij hebt ontvangen. Misschien een schrale troost: een kort onderzoek in mijn persoonlijk archief leert dat je niet meer of minder brieven van mij hebt ontvangen dan anderen in mijn omgeving. Zal het de leeftijd zijn? Wie stuurt er nou nog brieven in de 21e eeuw?

Nu we het toch over leeftijd hebben: hoe kom je erbij dat ik jullie te oud zou vinden om naar Irak (want daar ligt Koerdistan hè) te reizen? Ben je mal. Ik word juist knettergek van al mijn leeftijdsgenoten die continu commentaar hebben op wat hun ouders allemaal wel en niet zouden mogen doen. Alsof de rollen nu volledig zijn omgedraaid en die ouders opeens de kinderen zijn, die aan hun eigen kinderen toestemming moeten vragen om ergens naartoe op vakantie te gaan. Ik stel voor dat we een dergelijke situatie zo lang mogelijk uitstellen en jullie lekker doen waar je zin in hebt. Deal?

Maar als je het per se wilt weten: nee, Erbil staat niet bovenaan mijn lijstje van plaatsen waarvan ik graag heb dat mijn ouders ze bezoeken. Niet omdat ik jullie geen mooie vakantie gun – en Erbil lijkt mij een prachtige bestemming – maar inderdaad omdat ik niet weet hoe veilig het er is. Het ministerie van BuZa geeft niet voor niets het advies om alleen noodzakelijke reizen naar Erbil te maken, denk ik dan. En wat is er mis met een ontmoeting met Badr in Istanboel? Nederland heeft toch niet voor niets 175 militairen in de regio van Erbil gestationeerd?

Het geeft een dubbel gevoel, de aanwezigheid van die militairen in Erbil. Want naast dat die aanwezigheid duidt op een zeker veiligheidsrisico, geeft het ook weer een gevoel van verhoogde veiligheid. Militairen zorgen immers voor bescherming, toch? Die ambivalentie kennen wij als Joden in Nederland natuurlijk maar al te goed. Dat de Joodse gemeenschap in Nederland beveiliging nodig heeft, lijkt mij vanzelfsprekend als je kijkt naar de aanslagen bij Joodse instellingen in landen om ons heen. Maar wat doet die aanwezigheid van die beveiliging met ons? Maakt het dat we ons veilig voelen, of worden we er juist banger van? Wat denkt een kind dat opgroeit op de Joodse scholen over de wereld om ons heen? Over wat men van ‘ons Joden’ denkt? Het is volgens mij onmogelijk dat de aanwezigheid van beveiliging daar geen negatieve invloed op heeft. En wie zal ooit het lef hebben om, wanneer dat kan, de beveiliging weer af te schalen? Beveiliging opschalen is een relatief makkelijke keuze, er is niemand die tegen meer veiligheid is. Maar wanneer is het ‘veilig genoeg’? Ik maak mij daar steeds vaker zorgen om.

Eén van de dingen die ik aan jou en mama nou juist zo bewonder is dat jullie je niet laten leiden door angst. Angst om naar Erbil te reizen, of om een vluchteling in huis te nemen. Daar ben ik trots op, misschien juist omdat ik niet weet of ik altijd dezelfde keuze zou durven maken. Dus wie ben ik om te zeggen of jullie wel of niet weer iemand in huis zouden moeten nemen? Zou ik het een goede daad vinden? Natuurlijk. Denk ik dat het een mitswe is dit soort dingen te doen? Absoluut. Zou ik zelf in dezelfde situatie hetzelfde doen? Daarop blijf ik het antwoord schuldig.

Soms denk ik wel eens dat we er in Nederland heel goed in zijn geworden om dingen te roepen, maar dat we het vaak nalaten ook dingen te doen. En al helemaal wanneer die beslissingen mogelijk ten koste gaan van ons persoonlijke gemak. Kijk naar Ter Apel - waar zijn wij als (Joodse) gemeenschap om daar iets aan te doen? Misschien idealiseer ik het verleden te veel, maar mijn gevoel zegt dat dat ‘in jouw tijd’ anders was. Verbeeld ik het me dat mijn generatie misschien wel hard roept, maar wat betreft daden ver onderpresteert vergeleken met die van jou?

Liefs,

Asjer


Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 9 september 2022.

donderdag 1 september 2022

Brief aan Asjer, 26 augustus 2022

In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn lieve zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.


Lieve Asjer,

Dank voor de heerlijke fruitmand die jullie lieten bezorgen. Wat lief! Ondanks dat ik zo voorzichtig mogelijk ben gebleven, had corona me plotseling toch te pakken. Die zag ik niet aankomen. Nou goed, gelukkig was ik niet heel ziek, het viel allemaal mee, ik ben er goed doorheen gerold. Misschien dat vier vaccinaties daarbij toch hebben geholpen?

Terwijl ik achter m’n Mac kruip om deze brief te schrijven, realiseer ik me ineens dat dit een primeur is. Jij bent nu 30 (mag ik dat verklappen?) en volgens mij hebben we elkaar nog nooit geschreven. Ja, we hebben regelmatig contact via de familie-app of één-op-één op WhatsApp. We ‘spreken’ elkaar vaak, dat doet me goed. Maar een echte brief? Volgens mij nog nooit. Het laatste papieren epistel dat ik van jou kreeg – als ik me goed herinner - was toen jij zes was. Je begon je melkgebit te wisselen en toen ik op een dag thuiskwam, lag er een kladblaadje op tafel, waarop met de hanenpoten van een zesjarige was gekalkt: “Hoi Pap, begin maar vast te sparen. Want … me tant is eruit!”

Ik vind het een spannend idee om met jou op deze manier te corresponderen. Jouw mening doet er voor mij toe. Je bent een slimme en snelle denker en je hebt een aangenaam links hart. Sterker nog: ik beschouw mezelf ook als links, maar volgens mij haal jij me gierend van de lach links in. Ik leer regelmatig van je, zeker nu jij je zo bekwaamt in Joodse studiën. En ik vind het fijn om mijn (politieke) mening aan die van jou te scherpen.

Zo ben jij het, denk ik, niet zo eens met mijn bestuurslidmaatschap van CIDI. Jij hebt nogal wat aan te merken op de CIDI-publicaties. En dat laat je me weten ook. Gelijk heb je! Ik ben het niet altijd helemaal met je oneens, maar ik vind het belangrijk dat in het Nederlands-Joodse landschap een organisatie als CIDI actief is. Daarom zit ik in dat bestuur en ben ik van plan twee termijnen vol te maken.

Ik wil je iets vragen, waar wij het nog niet echt over gehad hebben. Toen je moeder en ik op vakantie waren in Frankrijk, had ik ‘onze Badr’ aan de telefoon, de Irakese vluchteling die bijna anderhalf jaar bij ons gewoond heeft. Hij wil ons graag weer zien. En wij hem ook. Hij was net terug uit Erbil (Noord-Irak/Koerdistan) en hij vertelde dat het daar volledig veilig is. Ook voor ons. En dus heb ik tickets geboekt en gaan wij in oktober, direct nà alle feestdagen, naar Erbil. Om Badr te ontmoeten – hij komt daar met de auto heen, uit Bagdad – en omdat ik best heel nieuwsgierig ben naar dit avontuur.

Volgens mij ben jij niet wild-enthousiast. Je hebt je daar niet echt over uitgelaten, maar ik meen iets te proeven van ‘moet dat nou?’ Wat zijn jouw bedenkingen? Vind je ons te oud voor zo’n trip? Vind je dat we zo’n land überhaupt niet moeten bezoeken? Maak je je zorgen over onze veiligheid? Denk je dat het voor ons als Joden extra onveilig is?

Nu ik het over Badr heb: vanmorgen hebben je moeder en ik er over gesproken of we ons huis misschien toch weer open moeten stellen voor één of twee vluchtelingen. In ons relatief kleine huis betekent dat het opgeven van een behoorlijk stuk privacy. Dat valt niet altijd mee, dat hebben we in onze ‘Badr-tijd’ ervaren. Maar het gevoel dat we tacheles iets moeten doen wordt sterker. Afgelopen week zag ik die wethouder en die andere mevrouw uit Tubbergen bij Op1. Dat nimby-gewauwel … stuitend gewoon. Het zet ons opnieuw aan het denken. Moeten we ja of nee iets doen? Wat vind jij?

Je liefhebbende vader,

Michel


Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 26 augustus 2022.

donderdag 25 augustus 2022

Toerist in eigen stad

J. ken ik nu tien jaar. We ontmoetten elkaar in 2012, in Marseille, waar ECJC (European Council of Jewish Communities) een conferentie organiseerde. J. was afgevaardigd door de Einheitsgemeinde in Stockholm, waar hij destijds de spin in het web was, verantwoordelijk voor de hele programmering, culturele evenementen, LImmoed, et cetera. Ik was er, samen met de liefde van mijn leven, als directeur van Crescas.

Eén van de activiteiten was een bezoek aan, en een gesprek met de leiding van het Joods Cultureel Centrum. De conferentie was goed georganiseerd, dit bezoek was echter een teleurstelling. Ik hoopte er ideeën te kunnen uitwisselen. Het gesprek ging echter alleen over antisemitisme, de grote moslimgemeenschap die als bedreigend werd ervaren, de onveiligheid. Ik probeerde het gespreksonderwerp te veranderen en vroeg naar hun programmering. Binnen een minuut ging het weer over antisemitisme.

Begrijp me goed. Natuurlijk heb ik ook oog voor de voortdurende noodzaak van beveiliging. Maar als de angst overheerst, de inhoud – in dit geval de programmering – niet eens aan bod komt, dan krijg ik het benauwd. We moeten als Joodse gemeenschap, ook hier in Nederland, blijven werken aan het uitdragen van onze zo rijke cultuur. Naar binnen, in de Joodse gemeenschap, én naar buiten. We hebben als Joden zó veel te bieden, daar moet de nadruk liggen. Vooruitkijken, luiken openen en niet blijven hangen in onze al dan niet terechte angst.

Na een uur had ik er genoeg van. Ik keek mijn lieve echtgenote aan, zij knikte, en we stapten op. Bij het diner kwam J. naar ons toe. Hij vond het moedig dat we niet waren gebleven. Niets moedigs aan, antwoordde ik, ga volgende keer gewoon mee. En dat geschiedde.

J. bleek een ontzettend sympathieke en interessante gozer. De rest van de conferentie trokken we veel samen op. En daaruit is, ondanks de afstand Stockholm-Amstelveen, een warme vriendschap gegroeid. Op vrijdagochtend hebben we steevast contact. We informeren naar elkaars kinderen, we bespreken de problemen in de Joodse wereld, lossen en passant een aantal van die problemen op, en wensen elkaar gut sjabbes. En we zoeken elkaar in onze woonplaatsen op. Wij waren een paar jaar geleden in Stockholm, J. in Amstelveen. Maart 2020 hadden wij de logeerkamer al op orde gebracht voor zijn volgende bezoek, dat hij helaas om de overbekende redenen moest afblazen. “Tot over een paar maanden,” zei ik. “Een paar jaar, bedoel je,” antwoordde J. Hij blijft altijd aan de pessimistisch-realistische kant. En deze keer had hij helaas gelijk.

Nu kwam het er eindelijk van. Een week lang waren we samen op stap, onwijs gezellig. Op J.’s programma stonden, tot mijn lichte verbazing, nogal wat typisch toeristische bezienswaardigheden. We maakten een rondvaart door de grachten van Amsterdam, we bezochten Edam (inclusief de kleine Joodse begraafplaats) en Monnickendam, ook met een Joodse begraafplaats. Deze was groter en recenter gebruikt, mede doordat de Joodse gemeenschap van Edam eind 19e eeuw werd samengevoegd met die van Monnickendam.

Ook échte cultuur ontbrak niet. Zo bezochten we in Wassenaar Museum Voorlinden. Wat een geweldig museum is dat toch! En de beeldententoonstelling van Antony Gormley – ik had tot mijn schande nooit van deze kunstenaar gehoord – was adembenemend. Op weg naar het restaurant op het Voorlindenterrein stonden we stil bij een beeldengroep. “Zie jij wat ik zie?” vroeg J. “Sjoa, bedoel je?” was mijn reactie. “Yep,” zei J. We zagen hetzelfde en realiseerden ons eens te meer wat ons bindt.


Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 19 augustus 2022.

donderdag 14 juli 2022

Dichtbij

“Change of plans,” roept N. al bij de voordeur. Hij zet een boodschappentas op het aanrecht en legt uit dat het plan om het ontbijtbuffet in het Turkse restaurant Şerifoğlu te proberen, moet wachten tot de volgende keer. “Ik maak straks zelf een lunch, jouw favoriete Reuben-sandwich, ik heb alle spullen meegenomen.”

N. is één van mijn beste vrienden en één van mijn meest Joodse vrienden. Als je hem naast een scherp afgestelde halachische meetlat zou leggen, dan is er op dat Joods-zijn misschien wat af te dingen. Maar zo’n meetlat hoort niet tot mijn attributen. En áls ik zo’n ding al zou gebruiken, dan zou ik ‘m zeker niet scherp afstellen. Het zal mij de hakken roesten.

Met N. deel ik een aantal liefdes. Allereerst de liefde voor lekker eten. Ik kan me qua culinaire kennis niet met hem meten – N. is een heel goede, professionele kok – maar met hem over eten praten, is altijd fijn. Als N. en ik elkaar aan de telefoon hebben gehad, weet de liefde van mijn leven precies te melden hoe weinig minuten het heeft geduurd voor we bij ons favoriete gespreksonderwerp waren aangeland. “Zelfs als jullie een discussie hebben over de voor- en nadelen van kernfusie, gaat het in no time over eten.”

Israël is een andere, vanzelfsprekende liefde die we delen. Door familieomstandigheden is het voor N. even niet mogelijk om op reis te gaan, maar zodra het weer kan, zijn we in Tel Aviv te vinden. We genieten er volop, we voelen ons er thuis, we zoeken vrienden op en … we gaan eten in onze favoriete restaurants. Op dat gebied heeft N. een goed excuus: hij moet op de hoogte blijven van culinaire ontwikkelingen. En ik volg hem graag. We bezoeken niet alléén onze favoriete tenten, maar juist ook restaurants van bekende Israëlische chefs die hard aan de weg timmeren.

Natuurlijk zijn er ook de minder vrolijke momenten die we samen beleven. ‘De oorlog’ heeft ons beiden gevormd. Lang geleden ging ik met N. mee naar het Amsterdamse Stadsarchief waar hij gegevens wilde zoeken van zijn tientallen familieleden aan moederskant die in de Sjoa zijn vermoord. En sommige herdenkingen bezoeken we samen. Ook al moet hij er een eindje voor rijden, de Nationale Holocaust Herdenking slaat N. bijna nooit over.

Wat ons écht bindt is jodendom in het algemeen. N. woont niet, zoals ik, in het zelfgekozen getto. Hij begeeft zich ook wat minder in de ‘Joodse incrowd’. Maar hij kan er volop van genieten. En het houdt hem bezig. Met het vorderen der jaren meer en meer. Het geeft mij een warm gevoel daar een rol in te mogen spelen. Dat is jaren geleden ontstaan en dat is zo gebleven. Dat weten we beiden. Toch was ik verrast – aangenaam verrast – en voelde ik me bijna opgelaten toen N. me laatst, zo maar uit het niets, een WhatsAppje stuurde:
“Ik realiseerde mij vandaag dat ik heel wat dichter bij het jodendom sta dan bijvoorbeeld tien jaar geleden en dat ik dat helemaal aan jou te danken heb. Ik ben je daar dankbaar voor! Wou ik ff gezegd hebben.”
Het duurde even voor ik hem een antwoord stuurde:
“Jeetje, N., sta ik hier, op kantoor, een beetje te blozen. Simpel gezegd: isn’t that what friends are for?”
N.: “Jazeker, maar ik wou het wel een keer tegen je gezegd hebben.”

Eén van mijn rabbijnen hield me ooit voor dat jodendom zich niet laat wegstoppen. “In iedere Jood brandt een vlammetje,” zei hij. “Dat vlammetje kan bijna doven, maar het zal nooit helemaal uitgaan, zodat het ieder moment weer kan opflakkeren.”

N. staat misschien wel nòg dichter bij het jodendom dan hij zelf vermoedt.


Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 8 juli 2022.

donderdag 16 juni 2022

Joods Béziers

Dankzij de gastvrijheid van mijn niet-biologische zus M. waren we de afgelopen maand weer op vakantie in Montagnac, Zuid-Frankrijk. Deze keer waren we er maar liefst vier hele weken. Het was niet alleen vakantie, af en toe moest er ook wat gewerkt worden, vooral door de liefde van mijn leven. Maar je hoort ons niet klagen, de combi ’s morgens een paar uurtjes werken en daarna genieten van het goede Franse leven, is goed vol te houden.

Een bezoek aan het Office de Tourisme, de plaatselijke VVV, is één van mijn vaste uitjes. Op het raam van het kantoortje op de Esplanade, de wandelpromenade met een paar winkels en drie cafeetjes, zijn de openingstijden duidelijk vermeld: van 9:00 tot 13:00. Maar dan alleen op vrijdag. Vier uur per week dus! In die tijd kun je veel toeristen aan informatie helpen. Not! Echt leuk wordt het als je het pand binnenstapt. Verscholen achter een tussenmuur zit de enige medewerker. Dat bemerkte ik nadat ik niemand zag maar een stem ‘bonjour’ hoorde zeggen. In mijn beste Frans vroeg ik wat er tussen half mei en half juni in deze streek te doen is. Het antwoord was verbluffend: “Niets!” De beste man wilde wel weten waar ik vandaan kwam, zodat hij keurig zijn statistieken kon bijhouden. Op mijn tweede vraag, of ik een paar folders mocht meenemen, antwoordde hij gul, maar niet ál te geïnteresseerd: ”Natuurlijk, zoek maar uit.” Zijn plaats achter het muurtje had hij intussen weer ingenomen.

Montagnac en omgeving kennen we na al die jaren al heel behoorlijk. We weten ook wel zo’n beetje wat er in de verschillende seizoenen te doen is. Een wandelparcours door de wijnvelden, een proeverij bij één van de ‘Domaines’, een concert. En natuurlijk gaan we op zoek naar Joods erfgoed. Dat doen we immers altijd en overal.

Béziers, op een half uurtje rijden van Montagnac, is de dichtstbijzijnde stad die zich met recht stad mag noemen. Er is een vrij grote Arabische wijk, waar we graag boodschappen doen. En er is een bescheiden Joodse gemeenschap die teruggaat tot de tweede helft van de 12e eeuw. Midden in het centrum, tegenover de overdekte markthallen, in een statig gebouw, zijn de sjoel, het mikwe en het Joods museum te vinden. We hebben er al vaker voor de deur gestaan en aangebeld, steeds zonder succes.

Dat doen we deze keer anders, bedacht ik. Via e-mail zocht ik contact met de Joodse gemeente en ik viel met m’n neus in de boter. “Kom naar het Middeleeuws festival,” schreef Chantal, die de spin in het web van de Joodse gemeente bleek te zijn. Het festival duurt drie dagen en wij staan er met een stand met de naam ‘La Juderia’. Maken we meteen een afspraak voor een bezoek aan ons museum en de sjoel.”

Bij het woord festival had ik iets in m’n hoofd dat vele malen groter is dan wat we aantroffen. De kneuterigheid van het geheel was aandoenlijk. We hebben ons best vermaakt. De stand van de Joodse gemeente paste hier goed in. Er stonden wat gebruiksartikelen, zoals een kiddoesjbeker en twee kandelaars. Paul, de echtgenoot van Chantal – met keppel, voor de gelegenheid vermoed ik – legde de bezoekers uit dat hij het ‘sjabbatbrood’ ging aansnijden en dat iedereen een stukje van dat brood mocht proeven. Al met al was ik aangenaam verrast. Verdeeld over het plein telde ik zes stands, waarvan dus één van de Joodse gemeente. Chantal en Paul stonden hier, in de hitte, drie hele dagen. Ze vertelden over de Joodse geschiedenis van Béziers én ze maakten de bezoekers duidelijk dat de Joodse gemeenschap hier een geïntegreerd deel van het leven uitmaakt. Aan hun inzet kunnen sommige Joodse gemeenschappen een voorbeeld nemen, ook in ons eigen Nederland.

Een paar dagen later werden we ontvangen voor een privébezoek aan het museum, de sjoel en het mikwe. Chantal bleek een enthousiaste verteller die over de nodige kennis beschikt. Dat zij iets teveel kowed voor Béziers opeiste (oudste dit, eerste dat), vergeef ik haar graag. Met haar ideeën over het stadsbestuur heb ik wat meer moeite. Dat de burgemeester tot het extreemrechtse Front National behoort, bagatelliseerde ze. “Hij is goed voor de Joden,” was haar verklaring, “we beschouwen hem als een vriend.”

De politieke discussie die dreigde te ontstaan, heb ik afgekapt. Daarvoor waren we niet gekomen. De bewondering voor alles dat Chantal en Paul voor de Joodse gemeenschap in Béziers doen, blijft overeind.


Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 10 juni 2022.

donderdag 19 mei 2022

Middelvinger

Ooit hoorde ik hoe één van onze rabbijnen mijn moeder troostte, nadat haar tweede echtgenoot veel te jong was overleden: "Koddesj Borchoe haalt de mensen die hem het liefst zijn het eerste naar zich toe.” Mijn moeder had hier wel iets aan, denk ik. Op mij, ongelovige Thomas, maakten die woorden minder indruk. Maar toch, toen ik in 2017 hoorde dat Rob was overleden, met z’n 55 jaar ook veel te jong, zaten deze woorden direct in m’n hoofd. Misschien hadden ze toch meer betekenis voor me dan ik dacht.

Rob was niet alleen een bijzondere en aimabele gozer, iemand die altijd te porren was voor een biertje in een leuke kroeg, hij was ook de integriteit zelve. Hij was onkreukbaar, hij deugde, op iedere denkbare manier. Zo besloten hij en zijn vrouw bijvoorbeeld een hulp in de huishouding te nemen. Prima, goed idee, maar de werkster wordt wel ‘wit’ betaald, geen gesodemieter hè.

Tot aan zijn plotselinge dood had Rob een leidinggevende functie bij de Belastingdienst. Daarmee krijg je niet bij iedereen de handen op elkaar. Als je bij de Belastingdienst werkt, maak je jezelf niet populair. Het is over het algemeen niet iets waarmee je tijdens een verjaardagsfeestje het gesprek opent. Daarom vind ik het belangrijk om Rob in deze column te noemen. Beschouw het als een disclaimer. Ik denk oprecht dat bij de Belastingdienst aardige, integere mensen werken. Rob was daarvan het voorbeeld bij uitstek. Helaas – ik trap even een open deur in – geldt dat niet voor alle werknemers bij de fiscus.

De Belastingdienst ligt al een tijdje onder vuur. Terecht. Van de toeslagenaffaire zakt je broek af. Ongelooflijk wat er gebeurd is, onvergeeflijk ook. Helaas bleek het niet de enige misstand bij de hoeders van de staatsinkomsten. Terwijl de toeslagenaffaire nog regelmatig veel stof doet opwaaien, kwam een nieuwe affaire aan het licht. Er bleek jarenlang een zwarte lijst te zijn bijgehouden. Hartstikke illegaal natuurlijk. Op die lijst stonden 270.000 mensen die, veelal onterecht, als fraudeur te boek stonden.

Dit was zelfs de overheid te gortig, hier moest tegen worden opgetreden. Goed idee! Begin een grondig onderzoek, lijkt me, spoor de kwaadwilligen op en stuur ze de laan uit. Ehhh, daar denken de betrokken ministeries anders over, ze kwamen met een andere oplossing. De Belastingdienst krijgt een boete, een recordboete zelfs van maar liefst 3,7 miljoen euro. Ik kreeg een lachstuip toen ik dit las, maar die maakte snel plaats voor ongeloof en ergernis. Een boete? Serieus? En wie tref je daarmee? Want dat is toch de bedoeling van een boete, die moet een beetje pijn doen. Pijn in je portemonnee. Een boete krijg je bijvoorbeeld voor te hard rijden, zodat je dat de volgende keer wel uit je hoofd laat. Maar dit? Vestzak-broekzak. De ene overheidsdienst betaalt – met belastinggeld! – een boete aan de andere. Wie zal hiervan wakker liggen?

De Belastingdienst heeft een serieus probleem met zijn integriteit. Te nemen maatregelen moeten erop gericht zijn die integriteit te herstellen. Het opleggen van een boete helpt daar niet bij. Dat is een sanctie die meer iets wegheeft van een opgestoken middelvinger.

Rob is er al bijna vijf jaar niet meer. Hij wordt gemist, heel erg gemist. Door zijn vrouw, zijn kinderen en zijn kleinkind dat hij helaas nooit heeft gekend. Ik mis hem ook. Maar het meest wordt hij gemist, vind ik, bij zijn eigen Belastingdienst. Als je kijkt naar de twee grote schandalen die spelen, naar het gebrek aan integriteit, naar de lachwekkende sanctie, dan kun je nauwelijks meer vertrouwen hebben in de Dienst waar iedere Nederlander mee te maken heeft. Wat ik zou willen? Gooi iedereen eruit die verantwoordelijk is voor de toeslagenaffaire en voor de illegale lijst met fraudeurs en vervang ze door alleen maar Robs.

Gelukkig heeft Rob dit niet meer meegemaakt, hij had zich kapot geschaamd.


Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 13 mei 2022.

donderdag 7 april 2022

Kastanjeklucht

In een oorlog gaat veel verloren. Altijd. Nog maar een uur geleden keek ik naar het Acht-uur-journaal en kwamen de beelden uit de Oekraïense stad Marioepol keihard binnen. Stad? Voormalige stad moet ik zeggen: er staat werkelijk geen steen meer op de andere. Je verstand staat stil bij weloverwogen verwoestingen van deze omvang.

Ook cultureel erfgoed is in oorlogstijd in groot gevaar. Denk aan Palmyra, één van de belangrijkste archeologische vindplaatsen in het Midden-Oosten, dat nog maar zes jaar geleden opzettelijk werd vernietigd door de bendes van Islamitische Staat.

Het zijn slechts twee voorbeelden. Zinloze en afschuwwekkende destructie zie je in iedere oorlog.

Ik ga me nu op glad ijs begeven: er is in mijn ogen namelijk een ‘maar’. Op geen enkele manier wil ik zo’n verwoesting tijdens een oorlog bagatelliseren, maar hoeveel steden er ook platgebombardeerd worden, hoeveel cultureel erfgoed ons ook ontnomen wordt, dit alles zinkt in het niet bij het vernietigen van mensenlevens. Over dát leed, dat doorwerkt tot in de tweede en derde generatie na de getroffene, hoef ik hier niet uit te wijden. Daar weten wij helaas alles van.

Stenen zijn niet heilig, vind ik. Nooit. Mensenlevens wel. Ik ga me een stuk verder op het gladde ijs begeven en ongetwijfeld op zere tenen staan met een geschiedenis die al drie decennia actueel is. Een klucht in mijn ogen.

Het verhaal begint in 1993. In het centrum van Amsterdam blijkt een boom te staan die er slecht aan toe is. Vervuiling door een vlakbij gelegen ondergrondse olietank en houtrot zijn de oorzaken. De gemeente Amsterdam besluit de boom te redden en trekt 365.000 gulden uit – 165.000 keiharde euro’s – om de boom te redden. Disclaimer: ook ik vind bomen belangrijk. Maar zelfs grote en sterke bomen hebben niet het eeuwige leven. De meeste bomen gaan een keer dood. En voor een, in verhouding tot 165.000 euro, miniem bedrag plant je nieuwe bomen. Goed, boom gered. Eind 2006 blijkt bij een onderzoek dat de boom voor 42 procent verrot is en alsnog gekapt moet worden. Dat gaat echter zomaar niet! Buurtbewoners, gesteund door de Bomenstichting, tekenen bezwaar aan tegen de kapvergunning. Contra-expertise volgt. Conclusie: de boom kan zeker nog 15 jaar mee, maar moet dan wel met een metalen beugel gestut worden om, bij een stevige storm, omwaaien te voorkomen. Kosten van deze operatie: 50.000 euro. Peuleschil toch? Maar … niets blijft de bomenknuffelaars bespaard: 23 augustus 2010, ’s middags om 13:30 uur, werd de boom door een storm geveld en brak een meter boven de grond af. Een gevaarte van 30 ton kwam in een tuin terecht. Niemand raakte gewond, er was geen schade aan gebouwen, wonder boven wonder.

De klucht is nog niet ten einde. De nagedachtenis aan de boom, een kastanje, moest worden gewaarborgd. Twee stichtingen, Elementree en Wereldboom, verzamelden kastanjes van de boom. Een derde stichting liet driehonderd stekjes van de boom kweken. Een gerenommeerde boomkwekerij in Sint-Oedenrode wordt ingeschakeld. Het lukt om de op kweek gebrachte kastanjes tot wasdom te brengen. De boom heeft nakomelingen! Deze bijzondere zaailingen worden te koop aangeboden.

Nee, we zijn er nog niet. Afgelopen week was er weer aandacht voor één van de nakomelingen van de boom. Het Parool kopte dat ‘een telg van de boom was herplant’. Ja, u leest het goed. Ons deel van de wereld staat in brand, tienduizenden mensenlevens worden verwoest, maar het herplanten van ‘een telg van de boom’ is nieuws.

De boom in kwestie heeft een naam. U heeft het misschien al geraden, ik heb het over ‘De-boom-waar-Anne-Frank-op-uitkeek’.

Anne Frank was een Joods meisje dat niet ouder werd dan 15 jaar. In maart 1945 overleed zij in Bergen-Belsen aan de gevolgen van vlektyfus en uitputting. Van juli 1942 tot augustus 1944 zat zij ondergedoken in het achterhuis van een pand aan de Prinsengracht. Ze hield een dagboek bij waarmee zij postuum wereldberoemd is geworden. Dat is het verhaal. Door haar dagboek is zij hèt symbool van de Sjoa geworden. Het zij zo. Maar het, tot in het belachelijke, vereren van een willekeurige boom, omdat zij die vanuit haar schuiladres kon zien … het gaat mij te ver. Veel te ver. Laten we bij de kern blijven en ons beperken tot het belang van mensenlevens. De flauwekul er omheen mag achterwege blijven.


Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 1 april 2022.