“En wij dan? Wat doen wij nou helemaal? Toch ook niks. Niks, niks, niks,” riep de liefde van mijn leven. We zaten op de bank en keken naar het achtuurjournaal. Na ruim 34 jaar samen, waarvan bijna 33 jaar getrouwd, weet ik wanneer ik beter niet tegen La Ka kan ingaan. Dit was zo’n moment. Haar ogen stonden droevig en strijdbaar tegelijk. Bovendien was er weinig aanleiding om tegen haar in te gaan, we waren het honderd procent eens.
Het journaal opende met COVID-19, het coronavirus: nieuwe besmettingen, nu ook in Nederland, haperende economieën, instortende beurzen. Het zit allemaal niet mee. Er was echter meer nieuws waar je niet vrolijk van wordt. En dat gaat opnieuw over vluchtelingen.
Turkije meent het zich te kunnen permitteren Syrië binnen te vallen, voert een agressie-oorlog op Syrisch grondgebied en doet vervolgens een beroep op artikel vijf van het Noord-Atlantisch Verdrag (een gewapende aanval tegen één of meerdere leden, wordt beschouwd als een aanval tegen allen). De NAVO-partners schuiven dit beroep lachend ter zijde, en hoe reageert Turkije? In een poging NAVO-landen onder druk te zetten, misbruiken en slachtofferen ze de meest kwetsbaren: vluchtelingen. Turkije opent de grens aan zijn kant, Griekenland houdt de zijne stevig gesloten en vervolgens zitten duizenden vluchtelingen als ratten in de val, onder nóg onmenselijker omstandigheden dan daarvoor. Ze worden zonder scrupules ingezet voor een politiek spel.
Je hart breekt. Als je enig fatsoen in je donder hebt, voel je de urgentie om iets te doen, om niet machteloos toe te kijken.
Drie jaar geleden, toen de vluchtelingencrisis op z’n hevigst was, besloten Ka en ik om zelf een vluchteling op te vangen, bij ons in huis. B. woonde bijna anderhalf jaar bij ons. Hoewel hij het hier helaas niet gered heeft en besloot dat er niets anders op zat dan terug te gaan naar Irak, hebben wij toch het idee dat we iets voor hem hebben betekend.
Zoiets zouden we misschien weer moeten doen. Maar, eerlijk is eerlijk, makkelijk is het niet. Zijn we opnieuw bereid een dergelijk offer te brengen? Misschien niet, maar helemáál niets doen, is ook geen optie. R., met wie ik in een interessant clubje zit – daarover een andere keer misschien meer – bracht me op een idee. Hij maakte mij attent op de website van HIAS (www.hias.org), een Amerikaans-Joodse organisatie die (humanitaire) hulp biedt aan vluchtelingen.
De mail die R. aan me doorstuurde ging over de kabbalat sjabbatdienst van 20 maart, die ze bij HIAS de naam National Refugee Shabbat hebben gegeven, een sjabbat die helemaal in het teken staat van vluchtelingen.
“Moet dat nou?” Ik hoor het sommigen van u al zeggen. “Hebben we niet genoeg aan onze eigen sores? Worden vluchtelingen beter van zo’n sjabbatviering?” Ja, nee en ja, als u die drie vragen aan mij stelt. Ja, we móeten iets doen. We hebben onze eigen sores, maar die ontslaat ons niet van de plicht tot medemenselijkheid. En worden vluchtelingen er beter van? Misschien niet rechtstreeks. Maar als wij laten zien waar we voor staan, wat onze humanitaire én Joodse waarden zijn, dan helpen we misschien mee om deze wereld iets beter te maken. Die plicht hebben wij, als mensen, als Joden, als Joods individu en als Joodse gemeenschap.
Degene die bovenstaande regels met scepsis leest, raad ik aan nog eens goed na te denken over de betekenis van de zo bekende uitspraak van één van onze grootste geleerden, rabbijn Hillel de Oudere:
Iem één anie lie, mie lie? Oe-chesjee-anie le-atsmie, mah anie? We-iem lo achsjav, eematai?
Als ik niet voor mezelf ben, wie is dan voor mij? En als ik slechts voor mezelf ben, wat ben ik dan? En indien niet nu, wanneer dan wel?
HIAS organiseert een vluchtelingensjabbat in Los Angeles, op vrijdagavond 20 maart. Waarom zou dat in Amerika wel kunnen en hier niet? Ik daag iedere kehila in Nederland uit zo’n sjabbat te organiseren. Wie durft? Ik bied mezelf bij deze aan om te helpen organiseren. En een geschikte sjabbat is ook niet moeilijk te vinden. Wat dacht u van vrijdagavond 3 april, het begin van Sjabbat haGadol. De sjabbat die ons voorbereidt op Pesach, u weet wel, dat feest dat ons herinnert aan ónze bevrijding.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 6 maart 2020.
zaterdag 21 maart 2020
zondag 9 februari 2020
En wie niet springt …
Ajax is ons kluppie, in goede en minder goede tijden. A., de beste en liefste zoon die een mens zich kan wensen, en ik zijn steevast in de ArenA te vinden als Ajax thuis speelt. Competitie, Europa League, Champions League, we slaan geen wedstrijd over. Die vader-zoon-uurtjes vind ik belangrijk, ik geniet er met volle teugen van.
Al iets van 15 jaar hebben we een seizoenkaart, een abonnement met een vaste plaats op de tribune. In de loop der jaren zijn we een paar keer ‘verhuisd’. Toen de F-side, de fanatieke Ajax-aanhang, in het stadion werd verplaatst naar het vak naast het onze, vond ik het tijd om andere plaatsen te reserveren. A. was nog een jochie, vooral voor hem koos ik letterlijk voor wat meer afstand van de doorgeslagen, soms doorgesnoven meute. Nu zitten we beter, niet ver van de middenlijn, met goed zicht op het hele veld, en in een vak waarin de meeste mensen zich redelijk gedragen.
Redelijk. Voetbalsupporters zijn vaak rare wezens. De keurige boekhouder, die doordeweeks met zijn broodtrommeltje in zijn tas naar kantoor fietst, verandert op de tribune in een agressieve supporter. Maar ook de CEO, die zijn leasebak onder de ArenA parkeert, ondergaat een metamorfose, zit scheldend op de tribune en wenst de tegenstander en de scheidsrechter de meest dodelijke ziektes toe.
“En daar wil jij tussen zitten, Waterman?” Die vraag is mij meer dan eens gesteld. En ik heb het mezelf ook vaak afgevraagd. Het eerlijke antwoord is: nee, daar wil ik eigenlijk niet tussen zitten. Maar het plezier dat ik aan voetbal beleef, dat wil ik me niet laten ontnemen. We maken van de nood een deugd, A. en ik, en inmiddels beleven we ook plezier aan het observeren van die keurige huisvaders die op zondagmiddag, buiten het zicht van hun echtgenotes, een paar uurtjes losgaan.
Maar er is nog iets waar ik moeite mee heb. Waar ik maar niet aan kan wennen. De spreekkoren. Soms, heel soms, zit er wel iets van humor in. Zoals tijdens die wedstrijd tegen Feijenoord, een paar maanden geleden, die Ajax glorieus won. Jaap Stam, toen nog trainer van de Rotterdammers, speelde als voetballer ooit voor Ajax. Het legioen zong hem sarcastisch toe:
Japie Stam, wie kent hem niet,
Japie Stam, Japie Stam, is een echte Ajacied …
Maar meestal ontbreekt deze humor en zijn de spreekkoren racistisch, antisemitisch, homofoob, noem maar op. Het blijft een gruwel.
Met mijn Joodse vrienden – de meesten ook Ajacied – heb ik het daar wel eens over. Vooral als ik anderhalf uur lang heb mogen luisteren naar het overbekende ‘lied’ met de dubbele ontkenning: En wie niet springt, en wie niet springt die is geen Jood … “Ik hoor het al niet meer,” zeggen sommigen. Ik kan dat nauwelijks geloven. Ajax Jodenclub is inmiddels een soort geuzennaam, ik weet het. Maar dat wil niet zeggen dat ik het prettig vind om te horen. Het wekt bovendien ergere antisemitische reacties op bij de ‘supporters’ van de tegenstander.
Mijn goede vriend Marco z”l, die in november 2018 helaas overleed, was dol op sport en een trouwe Ajax-supporter. Tientallen jaren lang miste hij zowat geen thuiswedstrijd. Toen zijn gezondheid achteruitging, kostte het misschien wat meer moeite, maar hij bleef naar de ArenA komen. Er bleef hem weinig bespaard. Door veel te laat ontdekte diabetes moest hij een beenamputatie ondergaan. En tot overmaat van ramp moest een half jaar later ook zijn andere onderbeen worden afgezet. Marco was een ongelooflijke doorzetter. Met twee beenprotheses en een stok klom hij toch de tribune op.
Ook met Marco had ik het over de spreekkoren. Als oorlogswees moest het antisemitisme hem toch door merg en been gaan, vermoedde ik. Leuk vond hij het zeker niet. Maar hij vond een manier om hiermee om te gaan, waar ik van heb geleerd. Hij bestreed de onaangename gevoelens op zijn manier: met humor. Dat bleek wel uit het ééncouplettige gedicht dat hij, zittend tussen zijn zoon en schoonzoon, op zijn vaste plaats in het stadion, ten gehore bracht:
Ik heet De Groot,
Ik ben een Jood,
Ik wil wel springen,
Maar ik mis een poot.
De spreekkoren vind ik nog steeds even verschrikkelijk, maar ‘Wie niet springt’ kan ik tegenwoordig, denkend aan mijn goede vriend Marco, met een lichte glimlach aanhoren.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 7 februari 2020.
Al iets van 15 jaar hebben we een seizoenkaart, een abonnement met een vaste plaats op de tribune. In de loop der jaren zijn we een paar keer ‘verhuisd’. Toen de F-side, de fanatieke Ajax-aanhang, in het stadion werd verplaatst naar het vak naast het onze, vond ik het tijd om andere plaatsen te reserveren. A. was nog een jochie, vooral voor hem koos ik letterlijk voor wat meer afstand van de doorgeslagen, soms doorgesnoven meute. Nu zitten we beter, niet ver van de middenlijn, met goed zicht op het hele veld, en in een vak waarin de meeste mensen zich redelijk gedragen.
Redelijk. Voetbalsupporters zijn vaak rare wezens. De keurige boekhouder, die doordeweeks met zijn broodtrommeltje in zijn tas naar kantoor fietst, verandert op de tribune in een agressieve supporter. Maar ook de CEO, die zijn leasebak onder de ArenA parkeert, ondergaat een metamorfose, zit scheldend op de tribune en wenst de tegenstander en de scheidsrechter de meest dodelijke ziektes toe.
“En daar wil jij tussen zitten, Waterman?” Die vraag is mij meer dan eens gesteld. En ik heb het mezelf ook vaak afgevraagd. Het eerlijke antwoord is: nee, daar wil ik eigenlijk niet tussen zitten. Maar het plezier dat ik aan voetbal beleef, dat wil ik me niet laten ontnemen. We maken van de nood een deugd, A. en ik, en inmiddels beleven we ook plezier aan het observeren van die keurige huisvaders die op zondagmiddag, buiten het zicht van hun echtgenotes, een paar uurtjes losgaan.
Maar er is nog iets waar ik moeite mee heb. Waar ik maar niet aan kan wennen. De spreekkoren. Soms, heel soms, zit er wel iets van humor in. Zoals tijdens die wedstrijd tegen Feijenoord, een paar maanden geleden, die Ajax glorieus won. Jaap Stam, toen nog trainer van de Rotterdammers, speelde als voetballer ooit voor Ajax. Het legioen zong hem sarcastisch toe:
Japie Stam, wie kent hem niet,
Japie Stam, Japie Stam, is een echte Ajacied …
Maar meestal ontbreekt deze humor en zijn de spreekkoren racistisch, antisemitisch, homofoob, noem maar op. Het blijft een gruwel.
Met mijn Joodse vrienden – de meesten ook Ajacied – heb ik het daar wel eens over. Vooral als ik anderhalf uur lang heb mogen luisteren naar het overbekende ‘lied’ met de dubbele ontkenning: En wie niet springt, en wie niet springt die is geen Jood … “Ik hoor het al niet meer,” zeggen sommigen. Ik kan dat nauwelijks geloven. Ajax Jodenclub is inmiddels een soort geuzennaam, ik weet het. Maar dat wil niet zeggen dat ik het prettig vind om te horen. Het wekt bovendien ergere antisemitische reacties op bij de ‘supporters’ van de tegenstander.
Mijn goede vriend Marco z”l, die in november 2018 helaas overleed, was dol op sport en een trouwe Ajax-supporter. Tientallen jaren lang miste hij zowat geen thuiswedstrijd. Toen zijn gezondheid achteruitging, kostte het misschien wat meer moeite, maar hij bleef naar de ArenA komen. Er bleef hem weinig bespaard. Door veel te laat ontdekte diabetes moest hij een beenamputatie ondergaan. En tot overmaat van ramp moest een half jaar later ook zijn andere onderbeen worden afgezet. Marco was een ongelooflijke doorzetter. Met twee beenprotheses en een stok klom hij toch de tribune op.
Ook met Marco had ik het over de spreekkoren. Als oorlogswees moest het antisemitisme hem toch door merg en been gaan, vermoedde ik. Leuk vond hij het zeker niet. Maar hij vond een manier om hiermee om te gaan, waar ik van heb geleerd. Hij bestreed de onaangename gevoelens op zijn manier: met humor. Dat bleek wel uit het ééncouplettige gedicht dat hij, zittend tussen zijn zoon en schoonzoon, op zijn vaste plaats in het stadion, ten gehore bracht:
Ik heet De Groot,
Ik ben een Jood,
Ik wil wel springen,
Maar ik mis een poot.
De spreekkoren vind ik nog steeds even verschrikkelijk, maar ‘Wie niet springt’ kan ik tegenwoordig, denkend aan mijn goede vriend Marco, met een lichte glimlach aanhoren.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 7 februari 2020.
donderdag 16 januari 2020
Gaan of niet gaan?
Auschwitz en Sobibor heb ik nooit bezocht. Voor talloze familieleden en vrienden - 1e, 2e en 3e generatie – was een bezoek aan de vernietigingskampen een moeilijke maar troost biedende ervaring. Rondlopen op de plaats waar jouw geliefden hun laatste stappen hebben gezet, met eigen ogen het afschuwelijke ijzerwerk met ‘Arbeit macht frei’ zien, et cetera. Ik heb mezelf altijd voorgehouden dat ik in mijn leven genoeg over de oorlog heb gelezen en genoeg films/documentaires heb gezien om me een goed beeld te kunnen vormen van de ergste aller verschrikkingen. Ik heb een bezoek aan de kampen altijd gemeden. Het is mijn manier om voldoende afstand te houden, mijn manier van omgaan met de Sjoa. Psychologen en psychiaters, die ik overigens nooit geraadpleegd heb, weten hier ongetwijfeld raad mee. Mijn houding zal wel met verdringing en angst te maken hebben. Het zij zo, ik kan er goed mee leven.
Vorig jaar september opende in het Design Museum Den Bosch de tentoonstelling Design van het Derde Rijk. Wilde ik die tentoonstelling gaan zien? Daar moest ik even over denken, héél even maar. Mijn recalcitrantie en nieuwsgierigheid wonnen het al snel van mijn twijfel. Ruim voor de opening was half Joods Nederland over museumdirecteur Timo de Rijk gevallen. En het waren niet de minsten die zich tegen hem keerden: Ruben Vis, rabbijn Raph Evers, Herman Loonstein, Chaja Polak, Hans Knoop, zij allen vonden deze tentoonstelling ‘niet kunnen’. Ik begrijp de voorbehouden en de weerstand, ieder mogelijk eerbetoon aan de nazi’s moet vermeden worden. Maar ik denk dat het goed mogelijk is om dit duidelijk te maken, juist in een museum. Kortom: ik wilde dit met eigen ogen zien en mijn eigen mening vormen.
Amstelveen – Den Bosch is een uur rijden. Met de liefde van mijn leven aan het stuur, had ik alle tijd om nog eens na te denken en bij mezelf na te gaan of het bezoek aan deze tentoonstelling wel een goed idee was. Dacht ik hier misschien toch te licht over? En, ook niet onbelangrijk, zou ik van m’n stuk raken bij het zien van al die nazi-symbolen? Ging ik mezelf kwellen?
De protesten uit Joodse hoek hebben wel enige invloed gehad op de makers. Het woord nazi-design werd in Den Bosch niet gebruikt, het museum had het alleen over ‘design van het Derde Rijk’. En de woorden ‘mooi’ en ‘succesvol’ kwamen in relatie tot dit design niet voor. Het eerste paneel met informatie over de expositie dat de bezoeker te zien krijgt, laat aan duidelijkheid ook niets te wensen over. Zo las ik: “Hitlers Derde Rijk (1933-1945) werd gekenmerkt door terreur, geweld en grootschalige massamoord en is in de periode na de Tweede Wereldoorlog het symbool van het ultieme kwaad geworden.” En ook: “De serieuze aandacht voor het design van het Derde Rijk in dit museum is op geen enkele manier een poging tot nuancering van het kwaad.” Duidelijk toch?
Hiermee heb ik de meest positieve beoordeling van deze expositie wel gehad. Naarmate ik verder door de zaal liep, nam mijn teleurstelling toe. Ik hoopte hier een antwoord te vinden op de vraag wat het nazi-design teweeg had gebracht. Dat antwoord heb ik niet gevonden. Daarvoor ontbrak bij de meeste getoonde objecten de context. Hoe hebben de nazi’s hun design ingezet? Die vraag bleef hangen. Vooral ook doordat álles hier tot design wordt gerekend. De tentoonstelling opent met de welbekende Volkswagen Kever. Jazeker, direct te linken aan de nazi’s, maar nazi-design? En één van de laatste ‘objecten’ is een paneel met plattegronden van concentratiekampen en gaskamers. Belangrijk vanuit het oogpunt van geschiedenis. Maar design? Nee, echt niet.
Ik vond de tentoonstelling matig interessant, hij deed me niet veel. Tot ik, al op weg naar de uitgang, behoorlijk schrok. Vlak voor me stond een zwarte man aandachtig naar een groot doek met een hakenkruis te kijken. Zijn kledij was, zover ik kon beoordelen, traditioneel Afrikaans. Een linnen pak met verticaal streepdessin. Wit-grijs gestreept. Even, een fractie van een seconde, namen mijn hersenen iets anders waar dan mijn ogen zagen. Als ware het een wake-up call van mijn eigen brein: “Weet je wel wat je zojuist allemaal gezien hebt, Waterman?”
U kunt de tentoonstelling nog gaan zien, de openingsduur is verlengd tot en met zondag 1 maart.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 10 januari 2020.
Vorig jaar september opende in het Design Museum Den Bosch de tentoonstelling Design van het Derde Rijk. Wilde ik die tentoonstelling gaan zien? Daar moest ik even over denken, héél even maar. Mijn recalcitrantie en nieuwsgierigheid wonnen het al snel van mijn twijfel. Ruim voor de opening was half Joods Nederland over museumdirecteur Timo de Rijk gevallen. En het waren niet de minsten die zich tegen hem keerden: Ruben Vis, rabbijn Raph Evers, Herman Loonstein, Chaja Polak, Hans Knoop, zij allen vonden deze tentoonstelling ‘niet kunnen’. Ik begrijp de voorbehouden en de weerstand, ieder mogelijk eerbetoon aan de nazi’s moet vermeden worden. Maar ik denk dat het goed mogelijk is om dit duidelijk te maken, juist in een museum. Kortom: ik wilde dit met eigen ogen zien en mijn eigen mening vormen.
Amstelveen – Den Bosch is een uur rijden. Met de liefde van mijn leven aan het stuur, had ik alle tijd om nog eens na te denken en bij mezelf na te gaan of het bezoek aan deze tentoonstelling wel een goed idee was. Dacht ik hier misschien toch te licht over? En, ook niet onbelangrijk, zou ik van m’n stuk raken bij het zien van al die nazi-symbolen? Ging ik mezelf kwellen?
De protesten uit Joodse hoek hebben wel enige invloed gehad op de makers. Het woord nazi-design werd in Den Bosch niet gebruikt, het museum had het alleen over ‘design van het Derde Rijk’. En de woorden ‘mooi’ en ‘succesvol’ kwamen in relatie tot dit design niet voor. Het eerste paneel met informatie over de expositie dat de bezoeker te zien krijgt, laat aan duidelijkheid ook niets te wensen over. Zo las ik: “Hitlers Derde Rijk (1933-1945) werd gekenmerkt door terreur, geweld en grootschalige massamoord en is in de periode na de Tweede Wereldoorlog het symbool van het ultieme kwaad geworden.” En ook: “De serieuze aandacht voor het design van het Derde Rijk in dit museum is op geen enkele manier een poging tot nuancering van het kwaad.” Duidelijk toch?
Hiermee heb ik de meest positieve beoordeling van deze expositie wel gehad. Naarmate ik verder door de zaal liep, nam mijn teleurstelling toe. Ik hoopte hier een antwoord te vinden op de vraag wat het nazi-design teweeg had gebracht. Dat antwoord heb ik niet gevonden. Daarvoor ontbrak bij de meeste getoonde objecten de context. Hoe hebben de nazi’s hun design ingezet? Die vraag bleef hangen. Vooral ook doordat álles hier tot design wordt gerekend. De tentoonstelling opent met de welbekende Volkswagen Kever. Jazeker, direct te linken aan de nazi’s, maar nazi-design? En één van de laatste ‘objecten’ is een paneel met plattegronden van concentratiekampen en gaskamers. Belangrijk vanuit het oogpunt van geschiedenis. Maar design? Nee, echt niet.
Ik vond de tentoonstelling matig interessant, hij deed me niet veel. Tot ik, al op weg naar de uitgang, behoorlijk schrok. Vlak voor me stond een zwarte man aandachtig naar een groot doek met een hakenkruis te kijken. Zijn kledij was, zover ik kon beoordelen, traditioneel Afrikaans. Een linnen pak met verticaal streepdessin. Wit-grijs gestreept. Even, een fractie van een seconde, namen mijn hersenen iets anders waar dan mijn ogen zagen. Als ware het een wake-up call van mijn eigen brein: “Weet je wel wat je zojuist allemaal gezien hebt, Waterman?”
U kunt de tentoonstelling nog gaan zien, de openingsduur is verlengd tot en met zondag 1 maart.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 10 januari 2020.
zondag 24 november 2019
Tante Saar
Iedere rechtgeaarde Amsterdammer heeft een speciaal plekje in zijn hart voor het Rembrandtplein. Voor mij is dat niet anders.
Twee herinneringen uit mijn vroegste jeugd spelen zich af op het plein. Enigszins vage herinneringen, maar ze zijn in mijn geheugen blijven hangen. Ik was nog een klein kereltje, het was mijn verjaardag, mijn moeder nam me mee de stad in. Eerst naar de doorlopende bioscoopvoorstelling in de Cineac, daarna iets lekkers eten bij Ruteck’s Lunchroom op de hoek van het Rembrandtplein en de Reguliersbreestraat. Feest!
De andere herinnering is aan een zondagochtend. Guur weer, mijn vader fietst, met mij achterop, van onze woning in de Albert Cuyp naar het Rembrandtplein. Die middag wordt de ‘Derby der Lage Landen’, Nederland-België, gespeeld. Op het plein is een soort mini-zwarte-markt, als ik me goed herinner op de stoep vóór die andere lunchroom, De Grote Heck. Mijn vader kocht er twee, waarschijnlijk veel te dure kaartjes. Interland-voetbalwedstrijden waren toen nog een belevenis die je niet wilde missen.
Onze vriendin S. is weliswaar een paar jaar jonger dan ik, maar haar herinneringen aan ‘het Rembrandtplein van vroeger’ zijn veel sterker dan de mijne. Eén van de meest markante figuren van het plein én BA-er (Bekende Amsterdammer) was haar oma: Sara Bacharach, beter bekend als Tante Saar. Iedere keer dat S. over haar oma vertelt, glimt ze van trots.
Sara Bacharach was de Bloemenkoningin van het Rembrandtplein, ze verkocht er meer dan 60 jaar bloemen. Daarmee verdiende ze de kost voor zichzelf en haar negen kinderen. Bittere armoede, maar ze rooide het. Eigenlijk was Sara een feministe avant la lettre: omdat haar man-zonder-boterbriefje als diamantbewerker vaker werkloos was dan dat hij werkte, was zij de kostwinner van het gezin. Voor dag en dauw ging ze met het openbaar vervoer naar de veiling in Aalsmeer om haar bloemen in te kopen. De eerste jaren liep ze met een bloemenmand, later had ze haar eigen stalletje op het Rembrandtplein. Deze sterke vrouw overleefde meerdere concentratiekampen en verloor drie kinderen en zes kleinkinderen. Ze was een bekend figuur, Amsterdam benoemde haar tot ereburgeres. Bij haar jubilea als bloemenkoopvrouw, 35 jaar in 1947, 40 jaar in 1952 en 50 jaar in 1962, zat bekend Amsterdam op de eerste rij. Tante Saar overleed in 1982, op 95-jarige leeftijd. S. heeft haar markante oma dan ook nog goed gekend.
De meeste bruggen in Amsterdam hebben geen naam, maar een nummer. Drie jaar geleden las S. over de mogelijkheid om bij de gemeente Amsterdam een aanvraag in te dienen om een brug te laten vernoemen. Ze bedacht zich geen moment en verzocht de gemeente om één van die bruggen de naam van haar oma te geven. “Het is belangrijk dat niet alleen hooggeplaatste personen met belangrijke functies worden geëerd, maar ook iemand uit het oude Joodse proletariaat, een hardwerkende vrouw en een echte Amsterdamse,” hield zij de gemeenteraad voor. Het aantal aanvragen was overweldigend, maar er konden slechts een paar worden gehonoreerd. Na diverse overlegrondes en lang wachten, ontving S. goed nieuws: haar aanvraag had het gehaald!
En zo stonden wij vorige week woensdag op één van de meer dan 1.500 bruggen die Amsterdam telt. S. had ons uitgenodigd aanwezig te zijn bij de onthulling van de naam op ‘haar oma’s brug’. Vanaf brug 31, tussen Herengracht en Reguliersgracht, is nog net een klein stukje Rembrandtplein te zien, precies dát stukje waar de Bloemenkoningin ooit haar nerinkje dreef. S. hield een mooie toespraak en vertelde over het zware leven dat haar oma had geleid. Daarna schoof ze haar drie kleinzonen naar voren, die door het wegtrekken van de vlag met de drie Andreaskruisen, de tekst Tante Saarbrug onthulden, de naam die voor altijd herinnert aan hun betovergrootmoeder. Le dor vador, van generatie tot generatie …
In het jodendom geldt dat je pas echt bent vergeten als je naam niet meer wordt genoemd. Sara Bacharach z”l zal niet snel worden vergeten, zeker niet nu brug 31 duidelijk zichtbaar haar naam draagt.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 29 november 2019.
Twee herinneringen uit mijn vroegste jeugd spelen zich af op het plein. Enigszins vage herinneringen, maar ze zijn in mijn geheugen blijven hangen. Ik was nog een klein kereltje, het was mijn verjaardag, mijn moeder nam me mee de stad in. Eerst naar de doorlopende bioscoopvoorstelling in de Cineac, daarna iets lekkers eten bij Ruteck’s Lunchroom op de hoek van het Rembrandtplein en de Reguliersbreestraat. Feest!
De andere herinnering is aan een zondagochtend. Guur weer, mijn vader fietst, met mij achterop, van onze woning in de Albert Cuyp naar het Rembrandtplein. Die middag wordt de ‘Derby der Lage Landen’, Nederland-België, gespeeld. Op het plein is een soort mini-zwarte-markt, als ik me goed herinner op de stoep vóór die andere lunchroom, De Grote Heck. Mijn vader kocht er twee, waarschijnlijk veel te dure kaartjes. Interland-voetbalwedstrijden waren toen nog een belevenis die je niet wilde missen.
Onze vriendin S. is weliswaar een paar jaar jonger dan ik, maar haar herinneringen aan ‘het Rembrandtplein van vroeger’ zijn veel sterker dan de mijne. Eén van de meest markante figuren van het plein én BA-er (Bekende Amsterdammer) was haar oma: Sara Bacharach, beter bekend als Tante Saar. Iedere keer dat S. over haar oma vertelt, glimt ze van trots.
Sara Bacharach was de Bloemenkoningin van het Rembrandtplein, ze verkocht er meer dan 60 jaar bloemen. Daarmee verdiende ze de kost voor zichzelf en haar negen kinderen. Bittere armoede, maar ze rooide het. Eigenlijk was Sara een feministe avant la lettre: omdat haar man-zonder-boterbriefje als diamantbewerker vaker werkloos was dan dat hij werkte, was zij de kostwinner van het gezin. Voor dag en dauw ging ze met het openbaar vervoer naar de veiling in Aalsmeer om haar bloemen in te kopen. De eerste jaren liep ze met een bloemenmand, later had ze haar eigen stalletje op het Rembrandtplein. Deze sterke vrouw overleefde meerdere concentratiekampen en verloor drie kinderen en zes kleinkinderen. Ze was een bekend figuur, Amsterdam benoemde haar tot ereburgeres. Bij haar jubilea als bloemenkoopvrouw, 35 jaar in 1947, 40 jaar in 1952 en 50 jaar in 1962, zat bekend Amsterdam op de eerste rij. Tante Saar overleed in 1982, op 95-jarige leeftijd. S. heeft haar markante oma dan ook nog goed gekend.
De meeste bruggen in Amsterdam hebben geen naam, maar een nummer. Drie jaar geleden las S. over de mogelijkheid om bij de gemeente Amsterdam een aanvraag in te dienen om een brug te laten vernoemen. Ze bedacht zich geen moment en verzocht de gemeente om één van die bruggen de naam van haar oma te geven. “Het is belangrijk dat niet alleen hooggeplaatste personen met belangrijke functies worden geëerd, maar ook iemand uit het oude Joodse proletariaat, een hardwerkende vrouw en een echte Amsterdamse,” hield zij de gemeenteraad voor. Het aantal aanvragen was overweldigend, maar er konden slechts een paar worden gehonoreerd. Na diverse overlegrondes en lang wachten, ontving S. goed nieuws: haar aanvraag had het gehaald!
En zo stonden wij vorige week woensdag op één van de meer dan 1.500 bruggen die Amsterdam telt. S. had ons uitgenodigd aanwezig te zijn bij de onthulling van de naam op ‘haar oma’s brug’. Vanaf brug 31, tussen Herengracht en Reguliersgracht, is nog net een klein stukje Rembrandtplein te zien, precies dát stukje waar de Bloemenkoningin ooit haar nerinkje dreef. S. hield een mooie toespraak en vertelde over het zware leven dat haar oma had geleid. Daarna schoof ze haar drie kleinzonen naar voren, die door het wegtrekken van de vlag met de drie Andreaskruisen, de tekst Tante Saarbrug onthulden, de naam die voor altijd herinnert aan hun betovergrootmoeder. Le dor vador, van generatie tot generatie …
In het jodendom geldt dat je pas echt bent vergeten als je naam niet meer wordt genoemd. Sara Bacharach z”l zal niet snel worden vergeten, zeker niet nu brug 31 duidelijk zichtbaar haar naam draagt.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 29 november 2019.
maandag 28 oktober 2019
Sjoel
De herfstmanoeuvres, zoals Bloeme Evers z”l de Joodse najaarsfeestdagen steevast noemde, liggen op het moment dat u dit leest alweer een paar weken achter ons. Ik neem u nog even mee terug.
We waren weer op reis, de liefde van mijn leven, en ik. In principe reizen we niet in deze tijd van het jaar. Rosj Hasjana en Jom Kipoer brengen we het liefst in ‘onze eigen’ sjoel door. Voor Soekot en Simchat Tora geldt eigenlijk hetzelfde. Dit jaar liep het anders. M., mijn niet-biologische zus, verwachtte ons direct na Jom Kipoer in Zuid-Frankrijk. Soekot in Frankrijk dus. Moet kunnen, daar wonen ook Joden, dan vieren we dáár Soekot.
Eén van de voordelen van Jood-zijn is dat je altijd en overal, waar je je ook begeeft op deze aardbodem, ontmoetingen kunt hebben met Joden en Joodse gemeenschappen. Bij de LJG-studiereizen die ik jarenlang co-organiseerde, was het contact met de plaatselijke Joodse gemeente altijd het hoogtepunt van de reis. Ik keek dan ook uit naar het vieren van Soekot in den vreemde. De verwachtingen waren hooggespannen.
In de directe omgeving van onze verblijfplaats is één grote stad – nou ja, nog geen 300.000 inwoners – met een Joodse gemeente: Montpellier. Drie kwartier rijden, geen punt, je moet wàt voor je jodendom over hebben.
Van rabbijn Benhamou hadden we, dankzij de bemiddeling van C., een Montpellierse vriendin, de code van de toegangsdeur gekregen. We konden zò naar binnen. Op de ruime binnenplaats zagen we de soeka al staan. De dames gingen naar links, ik ging aan de rechterkant de sjoel binnen … Hé, wat was dit nou? Waren we te vroeg? Of was dit het Frans-Joodse kwartiertje? Ik telde drie mannen … Nadat er nog wat sjoelgangers binnendruppelden, kwam één van de aanwezigen op mij af. “Mogen we u meetellen voor minjan?” vroeg hij. Ik kon hem geruststellen: “Ja hoor, ik ben Joods.” “Bon,” zei hij en drukte me een machzor in de handen. “Asjkenaz?” wilde hij nog weten. “Mooi zo, dan zijn we met z’n drieën, de anderen zijn allemaal Sefardiem.”
De heren naast mij spraken me aan. “Op vakantie? Aha. Waar kom je vandaan? Amsterdaaam! Mooie stad. Ajax.” En ja hoor, ik voelde ‘m al aankomen. “Ajax, Joodse voetbalclub, goed hoor.” Als het gesprek niet te ingewikkeld wordt, kan ik me nog wel redden in het Frans. Maar nu moest ik, zoekend naar woorden, in het Frans uitleggen dat Ajax géén Joodse club is. Dat het eigenlijk een geuzennaam is … Ze keken me wantrouwend aan. Ik liet ze m’n seizoenkaart zien, dat maakte indruk. Maar het sterkte ze ook in hun mening: ik was immers Joods.
Er werd Minche gedawwend. De twee heren naast mij hielpen me met het vinden van de juiste bladzijde in de machzor. Door mijn beperkte kennis en lage leessnelheid in het Hebreeuws duurde het even voor ik de gebeden kon volgen. Veel tijd kreeg ik hier niet voor: na een paar minuten waren we al klaar. En nu? Iedereen begon te sjmoezen, maar niemand liep naar buiten. Was het pauze-programma ingegaan? Nee hoor, na een kwartiertje was het tijd voor Ma’ariew. Ook nu lag het tempo hoog. Zo’n 10 minuten later sloeg iedereen z’n machzor dicht. We liepen naar buiten, ik verheugde me op een gezellige afsluiting in de soeka. Fruit, nasj, plaatselijke Joden leren kennen. Dat soort dingen, gezellig Soekot vieren.
Gezellig is misschien niet de beste omschrijving. De helft van de aanwezigen liet de soeka links liggen en ging naar huis. De overigen liepen de soeka in. En bleven staan. Eén van de mannen maakte kiddoesj en moutsie. Staand. Bij de laatste beracha, de zegenspreuk voor het zitten in de soeka, drukte hij bij ‘lesjeev ba-soeka’ zijn toeches een nano-seconde op een stoel. Zó, hij had aan de mitswa voldaan, nu kon ook hij naar huis.
Teleurgesteld dropen we af. Ik moest aan Amsterdam denken, aan de LJG, waar op hetzelfde moment het begin van Soekot geviérd werd. In eigen LJG-gelederen sta ik bekend als kritisch, misschien soms tè kritisch. Maar boy oh boy, wat ben ik blij met mijn Amsterdamse sjoel!
Machzor: gebedenboek voor Rosj Hasjana en Jom Kipoer. In sommige gemeenten, zoals hier in Montpellier, is er ook een machzor voor de drie Pelgrimsfeesten.
Minche of mincha: middaggebed.
Ma’ariew: avondgebed.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 1 november 2019.
We waren weer op reis, de liefde van mijn leven, en ik. In principe reizen we niet in deze tijd van het jaar. Rosj Hasjana en Jom Kipoer brengen we het liefst in ‘onze eigen’ sjoel door. Voor Soekot en Simchat Tora geldt eigenlijk hetzelfde. Dit jaar liep het anders. M., mijn niet-biologische zus, verwachtte ons direct na Jom Kipoer in Zuid-Frankrijk. Soekot in Frankrijk dus. Moet kunnen, daar wonen ook Joden, dan vieren we dáár Soekot.
Eén van de voordelen van Jood-zijn is dat je altijd en overal, waar je je ook begeeft op deze aardbodem, ontmoetingen kunt hebben met Joden en Joodse gemeenschappen. Bij de LJG-studiereizen die ik jarenlang co-organiseerde, was het contact met de plaatselijke Joodse gemeente altijd het hoogtepunt van de reis. Ik keek dan ook uit naar het vieren van Soekot in den vreemde. De verwachtingen waren hooggespannen.
In de directe omgeving van onze verblijfplaats is één grote stad – nou ja, nog geen 300.000 inwoners – met een Joodse gemeente: Montpellier. Drie kwartier rijden, geen punt, je moet wàt voor je jodendom over hebben.
Van rabbijn Benhamou hadden we, dankzij de bemiddeling van C., een Montpellierse vriendin, de code van de toegangsdeur gekregen. We konden zò naar binnen. Op de ruime binnenplaats zagen we de soeka al staan. De dames gingen naar links, ik ging aan de rechterkant de sjoel binnen … Hé, wat was dit nou? Waren we te vroeg? Of was dit het Frans-Joodse kwartiertje? Ik telde drie mannen … Nadat er nog wat sjoelgangers binnendruppelden, kwam één van de aanwezigen op mij af. “Mogen we u meetellen voor minjan?” vroeg hij. Ik kon hem geruststellen: “Ja hoor, ik ben Joods.” “Bon,” zei hij en drukte me een machzor in de handen. “Asjkenaz?” wilde hij nog weten. “Mooi zo, dan zijn we met z’n drieën, de anderen zijn allemaal Sefardiem.”
De heren naast mij spraken me aan. “Op vakantie? Aha. Waar kom je vandaan? Amsterdaaam! Mooie stad. Ajax.” En ja hoor, ik voelde ‘m al aankomen. “Ajax, Joodse voetbalclub, goed hoor.” Als het gesprek niet te ingewikkeld wordt, kan ik me nog wel redden in het Frans. Maar nu moest ik, zoekend naar woorden, in het Frans uitleggen dat Ajax géén Joodse club is. Dat het eigenlijk een geuzennaam is … Ze keken me wantrouwend aan. Ik liet ze m’n seizoenkaart zien, dat maakte indruk. Maar het sterkte ze ook in hun mening: ik was immers Joods.
Er werd Minche gedawwend. De twee heren naast mij hielpen me met het vinden van de juiste bladzijde in de machzor. Door mijn beperkte kennis en lage leessnelheid in het Hebreeuws duurde het even voor ik de gebeden kon volgen. Veel tijd kreeg ik hier niet voor: na een paar minuten waren we al klaar. En nu? Iedereen begon te sjmoezen, maar niemand liep naar buiten. Was het pauze-programma ingegaan? Nee hoor, na een kwartiertje was het tijd voor Ma’ariew. Ook nu lag het tempo hoog. Zo’n 10 minuten later sloeg iedereen z’n machzor dicht. We liepen naar buiten, ik verheugde me op een gezellige afsluiting in de soeka. Fruit, nasj, plaatselijke Joden leren kennen. Dat soort dingen, gezellig Soekot vieren.
Gezellig is misschien niet de beste omschrijving. De helft van de aanwezigen liet de soeka links liggen en ging naar huis. De overigen liepen de soeka in. En bleven staan. Eén van de mannen maakte kiddoesj en moutsie. Staand. Bij de laatste beracha, de zegenspreuk voor het zitten in de soeka, drukte hij bij ‘lesjeev ba-soeka’ zijn toeches een nano-seconde op een stoel. Zó, hij had aan de mitswa voldaan, nu kon ook hij naar huis.
Teleurgesteld dropen we af. Ik moest aan Amsterdam denken, aan de LJG, waar op hetzelfde moment het begin van Soekot geviérd werd. In eigen LJG-gelederen sta ik bekend als kritisch, misschien soms tè kritisch. Maar boy oh boy, wat ben ik blij met mijn Amsterdamse sjoel!
Machzor: gebedenboek voor Rosj Hasjana en Jom Kipoer. In sommige gemeenten, zoals hier in Montpellier, is er ook een machzor voor de drie Pelgrimsfeesten.
Minche of mincha: middaggebed.
Ma’ariew: avondgebed.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 1 november 2019.
zondag 15 september 2019
Poëziealbum
NIW, 18 april 2012, pagina 45: “Oproep. Claudia Carli is op zoek naar informatie over Mimi Mok, Rosa Snijders en Lea Tirza Steinberg, die tussen 1941 en 1943 een versje hebben geschreven in het poëziealbum van Alida Lopes Dias (1929-1943). De meisjes zaten allemaal op de Herman Elteschool in de Van Ostadestraat in Amsterdam.”
Ik schrok, dat kan ik me meer dan zeven jaar later nog goed herinneren: één van de gezochte meisjes, Mimi Mok, was mijn moeder. Alie Lopes Dias was haar beste vriendinnetje. Ze woonden bij elkaar om de hoek en zaten samen op de Herman Elteschool, een Joodse lagere school.
Een week later zat ik tegenover Claudia Carli. We ontmoetten elkaar in de bibliotheek van Cinetol, in de Tolstraat in Amsterdam. Die locatie was niet toevallig gekozen, begreep ik al snel. De bibliotheek huisvestte op dat moment een kleine tentoonstelling, ‘Achterhuizen in De Pijp’, een tentoonstelling met bijdragen van … Claudia Carli. Het poëziealbum van Alie Lopes Dias had ze bij zich. Ik had eerst alleen maar vragen. “Hoe kom je hieraan? En wat is jouw fascinatie met Alie en haar vriendinnetjes?”
Alie Lopes Dias had een oudere zus, Gretha. Als enige van de familie ‘kwam zij terug’, zoals dat eufemistisch heet. Alie en haar moeder Esther werden in Sobibor vermoord. Vader Leendert zat in de Koselgroep en kwam terecht in een werkkamp in de buurt van Beuthen (Bytom), waar hij aan de ontberingen bezweek.
Gretha overleeft Auschwitz, waar ze in het beruchte Blok 10, het Experimentenblok, injecties kreeg om haar onvruchtbaar te maken. Na de bevrijding komt ze terug in Amsterdam. Ze gaat naar huis, althans dat dacht ze. Een vreemde man deed open. Hij woonde daar nu. Ze mocht een tijdje bij de benedenburen intrekken. Gretha heeft het poëziealbum van haar jongere zusje gevonden. In dat album schreven onder anderen negentien vriendinnetjes een versje. In december 1945 schrijft ook Gretha iets in het album. Geen versje, maar een soort nawoord, met een belofte:
“Lieve Alie.
Tot mijn groot verdriet is dit het einde van je album, van een groot noodlot. Je bent wel dood, maar nooit en nimmer zal ik jou vergeten, jij blijft steeds in mijn hart. Zoolang ik leef zal ik dat album bewaren …”
En die belofte heeft Gretha gehouden. Ze zorgde er zelfs voor dat het album na haar dood in goede handen kwam. Ze liet het na aan een goede vriend, Claudia’s vader. En zo kwam het in handen van Claudia, die er meteen door gegrepen was. Zij ging op zoek naar alle negentien vriendinnetjes, van wie slechts zes de oorlog overleefden. Alle verhalen, in dertien gevallen via nabestaanden, heeft zij weten te achterhalen. In 2011 begon zij met haar onderzoek. Acht jaar lang verzette ze bergen werk. Het laatste meisje, van wie ze alleen wist dat ze de oorlog had overleefd, heeft ze pas in mei van dit jaar opgespoord.
Met de schat aan gegevens en verhalen die Claudia Carli wist te verzamelen, werkte ze mee aan diverse projecten, zoals ‘Oorlog in mijn Buurt’ en ‘Open Joodse Huizen’. Projecten die werden gepresenteerd in de Derde Daltonschool, het gebouw van de vroegere Herman Elteschool.
En ze schreef een boek, grotendeels in romanvorm, Zoo lang ik hoop te leven, naar een zin uit het tekstje dat Alie Lopes Dias zelf in haar poëziealbum schreef. Ik mocht het manuscript meelezen en heb dat gedaan met tranen in mijn ogen. Het boek ontroerde mij, en niet alleen vanwege de ‘aanwezigheid’ van mijn moeder.
Maar wat was nu Claudia Carli’s drijfveer? Waarom is ze hier met zoveel energie in gedoken? Het antwoord is te vinden in haar voorwoord:
… Toen ik het album voor het eerst zag werd ik het meest geraakt door die belofte van Gretha … Na haar overlijden besefte ik dat er niemand meer was om het verhaal van Gretha en haar zusje te vertellen. Ik wilde al die verhalen kennen, ik wilde uitzoeken hoe Alie’s leven eruit zag en wie de vriendinnetjes waren die in haar album hadden geschreven. Ik was gefascineerd door hun mooie meisjeshandschriftjes en de lieve, ontroerende en soms grappige versjes voor Alie …”
Zoo lang ik hoop te leven ligt vanaf volgende week in de boekhandel. Een koopadvies hoef ik niet meer te geven, denk ik, mijn enthousiasme over dit boek zal nu wel duidelijk zijn. U kunt Claudia Carli zelf over haar onderzoek en haar boek horen vertellen, woensdagavond 25 september, bij Crescas. En in het voorjaar van 2020 komt er een (kinder)tentoonstelling, De lege klas, in het Stadsarchief van Amsterdam. Een tentoonstelling over de schoolklas van Alie Lopes Dias z"l.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 13 september 2019.
Ik schrok, dat kan ik me meer dan zeven jaar later nog goed herinneren: één van de gezochte meisjes, Mimi Mok, was mijn moeder. Alie Lopes Dias was haar beste vriendinnetje. Ze woonden bij elkaar om de hoek en zaten samen op de Herman Elteschool, een Joodse lagere school.
Een week later zat ik tegenover Claudia Carli. We ontmoetten elkaar in de bibliotheek van Cinetol, in de Tolstraat in Amsterdam. Die locatie was niet toevallig gekozen, begreep ik al snel. De bibliotheek huisvestte op dat moment een kleine tentoonstelling, ‘Achterhuizen in De Pijp’, een tentoonstelling met bijdragen van … Claudia Carli. Het poëziealbum van Alie Lopes Dias had ze bij zich. Ik had eerst alleen maar vragen. “Hoe kom je hieraan? En wat is jouw fascinatie met Alie en haar vriendinnetjes?”
Alie Lopes Dias had een oudere zus, Gretha. Als enige van de familie ‘kwam zij terug’, zoals dat eufemistisch heet. Alie en haar moeder Esther werden in Sobibor vermoord. Vader Leendert zat in de Koselgroep en kwam terecht in een werkkamp in de buurt van Beuthen (Bytom), waar hij aan de ontberingen bezweek.
Gretha overleeft Auschwitz, waar ze in het beruchte Blok 10, het Experimentenblok, injecties kreeg om haar onvruchtbaar te maken. Na de bevrijding komt ze terug in Amsterdam. Ze gaat naar huis, althans dat dacht ze. Een vreemde man deed open. Hij woonde daar nu. Ze mocht een tijdje bij de benedenburen intrekken. Gretha heeft het poëziealbum van haar jongere zusje gevonden. In dat album schreven onder anderen negentien vriendinnetjes een versje. In december 1945 schrijft ook Gretha iets in het album. Geen versje, maar een soort nawoord, met een belofte:
“Lieve Alie.
Tot mijn groot verdriet is dit het einde van je album, van een groot noodlot. Je bent wel dood, maar nooit en nimmer zal ik jou vergeten, jij blijft steeds in mijn hart. Zoolang ik leef zal ik dat album bewaren …”
En die belofte heeft Gretha gehouden. Ze zorgde er zelfs voor dat het album na haar dood in goede handen kwam. Ze liet het na aan een goede vriend, Claudia’s vader. En zo kwam het in handen van Claudia, die er meteen door gegrepen was. Zij ging op zoek naar alle negentien vriendinnetjes, van wie slechts zes de oorlog overleefden. Alle verhalen, in dertien gevallen via nabestaanden, heeft zij weten te achterhalen. In 2011 begon zij met haar onderzoek. Acht jaar lang verzette ze bergen werk. Het laatste meisje, van wie ze alleen wist dat ze de oorlog had overleefd, heeft ze pas in mei van dit jaar opgespoord.
Met de schat aan gegevens en verhalen die Claudia Carli wist te verzamelen, werkte ze mee aan diverse projecten, zoals ‘Oorlog in mijn Buurt’ en ‘Open Joodse Huizen’. Projecten die werden gepresenteerd in de Derde Daltonschool, het gebouw van de vroegere Herman Elteschool.
En ze schreef een boek, grotendeels in romanvorm, Zoo lang ik hoop te leven, naar een zin uit het tekstje dat Alie Lopes Dias zelf in haar poëziealbum schreef. Ik mocht het manuscript meelezen en heb dat gedaan met tranen in mijn ogen. Het boek ontroerde mij, en niet alleen vanwege de ‘aanwezigheid’ van mijn moeder.
Maar wat was nu Claudia Carli’s drijfveer? Waarom is ze hier met zoveel energie in gedoken? Het antwoord is te vinden in haar voorwoord:
… Toen ik het album voor het eerst zag werd ik het meest geraakt door die belofte van Gretha … Na haar overlijden besefte ik dat er niemand meer was om het verhaal van Gretha en haar zusje te vertellen. Ik wilde al die verhalen kennen, ik wilde uitzoeken hoe Alie’s leven eruit zag en wie de vriendinnetjes waren die in haar album hadden geschreven. Ik was gefascineerd door hun mooie meisjeshandschriftjes en de lieve, ontroerende en soms grappige versjes voor Alie …”
Zoo lang ik hoop te leven ligt vanaf volgende week in de boekhandel. Een koopadvies hoef ik niet meer te geven, denk ik, mijn enthousiasme over dit boek zal nu wel duidelijk zijn. U kunt Claudia Carli zelf over haar onderzoek en haar boek horen vertellen, woensdagavond 25 september, bij Crescas. En in het voorjaar van 2020 komt er een (kinder)tentoonstelling, De lege klas, in het Stadsarchief van Amsterdam. Een tentoonstelling over de schoolklas van Alie Lopes Dias z"l.
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 13 september 2019.
zondag 18 augustus 2019
Tel Aviv on Fire
Een vervelend incident in de eerste klas van Rosj Pina zorgde voor een abrupt einde aan mijn Joodse-schoolcarrière. Mijn ouders besloten dat ik zou verkassen. Ik kwam terecht op de Boumanschool, een openbare lagere school waar ze een ander rooster hanteerden. Vanaf nu had ik niet vijf, maar zes dagen per week les, woensdag- en zaterdagmiddag vrij.
In diezelfde tijd deed het fenomeen televisie zijn intrede. De allereerste landelijke uitzending vond plaats op 2 oktober 1951. Dertien jaar lang was er één zender, Nederland 1. Het aantal uitzendingen op die ene zender groeide gestaag en dat gold ook voor het aantal tv’s in Nederlandse huiskamers. Die eerste uitzending in 1951 werd bekeken op 500 ‘televisie-ontvangsttoestellen’. Een tv was in de beginjaren niet goedkoop, lang niet iedereen kon zich zo’n apparaat veroorloven. Mijn ouders ook niet.
Televisiemakers hielden al snel rekening met de jeugd. Op de schoolvrije woensdag- en zaterdagmiddag werden kinderprogramma’s uitgezonden. In De Pijp, de Amsterdamse volksbuurt waar ik opgroeide, waren wij niet het enige gezin zonder televisie. Gelukkig konden wij, kinderen, met enige regelmaat terecht bij de familie Hoogstraten aan het Sarphatipark, bij wie wij naar de kinderprogramma’s mochten kijken.
Ook de bioscopen hielden rekening met het gangbare schoolrooster en programmeerden op woensdag- en zaterdagmiddag kinderfilms. Als ik me goed herinner, kostte een kaartje een kwartje, wat nog wel op te brengen was. In De Pijp hadden we keus uit twee bioscopen. Vlakbij de hoek met de Ferdinand Bolstraat zat het Ceintuurtheater, ook wel het Stinkertje genoemd. Dichtbij de andere hoek, met de Van der Helststraat, zat Rialto. Het Stinkertje bestaat niet meer, in het pand met de fraaie Art Deco-gevel zit nu één of andere opgepimpte koffietent. Rialto is tot op de dag van vandaag een filmtheater.
Ik ben een verklaard liefhebber van films, vooral van documentaires. Met mijn Cinevillepas op zak ga ik met enige regelmaat naar de bioscoop en om de een of andere reden kom ik nog steeds vaak in Rialto terecht. Misschien speelt jeugdsentiment mee, maar ik houd het erop dat de programmering van Rialto goed bij mijn voorkeuren past.
Deze week zag ik er Tel Aviv On Fire, een Palestijnse film, door de distributeur aangekondigd als een ‘luchtige komedie over het Arabisch-Israëlisch conflict’. Een verkeerde typering, vind ik: ‘het conflict’ staat in deze film juist niet centraal. Het speelt wel steeds mee, er wordt veelvuldig aan gerefereerd, maar het is niet het leitmotiv van de film. Tel Aviv on Fire is eerder een romantische komedie, die overigens met veel humor is gemaakt.
De film speelt zich af in de eerste jaren na de Zesdaagse Oorlog. Salem, de hoofdpersoon, is productieassistent op de set van een Palestijnse tv-serie, de soap Tel Aviv on Fire. Hij woont in Oost-Jeruzalem, de opnamen vinden plaats in Ramallah. Dagelijks moet hij daarom het checkpoint passeren waar Assi (een rol van Yaniv Biton) als hoogste militair de scepter zwaait. Op een dag wordt een deel van het script in Salem’s auto gevonden, wat hem verdacht maakt. Bij de ondervraging door Assi maakt Salem zichzelf belangrijker dan hij is, hij vertelt dat hij de schrijver van de serie is. Assi is onder de indruk, zijn vrouw en moeder zijn grote fans van de serie. Door toedoen van Salem’s oom, de producent van de serie, veranderen Salem’s taken vrij plotseling: hij mag nu echt meeschrijven aan het script. Dat stelt hem wel voor een probleem: hij is geen script writer, hij heeft nooit eerder geschreven. Salem sluit een deal met Assi: in ruil voor echt goede Palestijnse choemoes helpt Assi met het schrijven van het script. Uiteindelijk brengt dit Salem in problemen: de door Assi bedachte ontknoping valt niet in goede aarde bij de Palestijnse investeerders.
Tel Aviv on Fire is geen topfilm, maar het is zeker geen niemendalletje. Regisseur Sameh Zoabi weet een schurend gevoel op te roepen. Het is prettig om eens te kunnen lachen om de altijd gespannen Israëlisch-Palestijnse verhoudingen, tegelijkertijd laat Zoabi de absurditeit van de dagelijkse omstandigheden zijn werk doen.
Een film in mijn favo-bioscoop Rialto, daarna om de hoek een biertje en tenslotte een lekkere pizza, kortom het goede leven. Op weg naar huis en de volgende ochtend speelde de film nog steeds door mijn hoofd. Hij maakte dus toch indruk …
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 16 augustus 2019.
In diezelfde tijd deed het fenomeen televisie zijn intrede. De allereerste landelijke uitzending vond plaats op 2 oktober 1951. Dertien jaar lang was er één zender, Nederland 1. Het aantal uitzendingen op die ene zender groeide gestaag en dat gold ook voor het aantal tv’s in Nederlandse huiskamers. Die eerste uitzending in 1951 werd bekeken op 500 ‘televisie-ontvangsttoestellen’. Een tv was in de beginjaren niet goedkoop, lang niet iedereen kon zich zo’n apparaat veroorloven. Mijn ouders ook niet.
Televisiemakers hielden al snel rekening met de jeugd. Op de schoolvrije woensdag- en zaterdagmiddag werden kinderprogramma’s uitgezonden. In De Pijp, de Amsterdamse volksbuurt waar ik opgroeide, waren wij niet het enige gezin zonder televisie. Gelukkig konden wij, kinderen, met enige regelmaat terecht bij de familie Hoogstraten aan het Sarphatipark, bij wie wij naar de kinderprogramma’s mochten kijken.
Ook de bioscopen hielden rekening met het gangbare schoolrooster en programmeerden op woensdag- en zaterdagmiddag kinderfilms. Als ik me goed herinner, kostte een kaartje een kwartje, wat nog wel op te brengen was. In De Pijp hadden we keus uit twee bioscopen. Vlakbij de hoek met de Ferdinand Bolstraat zat het Ceintuurtheater, ook wel het Stinkertje genoemd. Dichtbij de andere hoek, met de Van der Helststraat, zat Rialto. Het Stinkertje bestaat niet meer, in het pand met de fraaie Art Deco-gevel zit nu één of andere opgepimpte koffietent. Rialto is tot op de dag van vandaag een filmtheater.
Ik ben een verklaard liefhebber van films, vooral van documentaires. Met mijn Cinevillepas op zak ga ik met enige regelmaat naar de bioscoop en om de een of andere reden kom ik nog steeds vaak in Rialto terecht. Misschien speelt jeugdsentiment mee, maar ik houd het erop dat de programmering van Rialto goed bij mijn voorkeuren past.
Deze week zag ik er Tel Aviv On Fire, een Palestijnse film, door de distributeur aangekondigd als een ‘luchtige komedie over het Arabisch-Israëlisch conflict’. Een verkeerde typering, vind ik: ‘het conflict’ staat in deze film juist niet centraal. Het speelt wel steeds mee, er wordt veelvuldig aan gerefereerd, maar het is niet het leitmotiv van de film. Tel Aviv on Fire is eerder een romantische komedie, die overigens met veel humor is gemaakt.
De film speelt zich af in de eerste jaren na de Zesdaagse Oorlog. Salem, de hoofdpersoon, is productieassistent op de set van een Palestijnse tv-serie, de soap Tel Aviv on Fire. Hij woont in Oost-Jeruzalem, de opnamen vinden plaats in Ramallah. Dagelijks moet hij daarom het checkpoint passeren waar Assi (een rol van Yaniv Biton) als hoogste militair de scepter zwaait. Op een dag wordt een deel van het script in Salem’s auto gevonden, wat hem verdacht maakt. Bij de ondervraging door Assi maakt Salem zichzelf belangrijker dan hij is, hij vertelt dat hij de schrijver van de serie is. Assi is onder de indruk, zijn vrouw en moeder zijn grote fans van de serie. Door toedoen van Salem’s oom, de producent van de serie, veranderen Salem’s taken vrij plotseling: hij mag nu echt meeschrijven aan het script. Dat stelt hem wel voor een probleem: hij is geen script writer, hij heeft nooit eerder geschreven. Salem sluit een deal met Assi: in ruil voor echt goede Palestijnse choemoes helpt Assi met het schrijven van het script. Uiteindelijk brengt dit Salem in problemen: de door Assi bedachte ontknoping valt niet in goede aarde bij de Palestijnse investeerders.
Tel Aviv on Fire is geen topfilm, maar het is zeker geen niemendalletje. Regisseur Sameh Zoabi weet een schurend gevoel op te roepen. Het is prettig om eens te kunnen lachen om de altijd gespannen Israëlisch-Palestijnse verhoudingen, tegelijkertijd laat Zoabi de absurditeit van de dagelijkse omstandigheden zijn werk doen.
Een film in mijn favo-bioscoop Rialto, daarna om de hoek een biertje en tenslotte een lekkere pizza, kortom het goede leven. Op weg naar huis en de volgende ochtend speelde de film nog steeds door mijn hoofd. Hij maakte dus toch indruk …
Deze tekst verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 16 augustus 2019.
Abonneren op:
Posts (Atom)