In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
Door de vakanties hebben we elkaar lang niet geschreven. Jij had het de laatste keer over de slavernijherdenking. Daar wil ik eigenlijk niet op terugkomen, het is alweer zo lang geleden. Maar toch … Je stond uitgebreid stil bij het intrekken van de uitnodiging aan Kamervoorzitter Bosma, Je had daar wel begrip voor, maar je vond het niet verstandig, schreef je. En dat legde je haarfijn uit.
Ik kon me helemaal vinden in jouw redenering, maar ik realiseerde me ook meteen dat ik er nooit op ‘jouw’ manier in zou kunnen staan. Ik ben – ik schreef het eerder – veel rancuneuzer dan jij. Daar ben ik niet trots op, maar ik kan sommige dingen gewoon niet van me afzetten.
Zo heb ik er altijd grote moeite mee gehad dat een ex-nazi, of die nu bij het Koninklijk Huis hoorde of niet, op 4 mei een krans legde bij het Nationaal Monument op de Dam. Voor Bosma geldt ook zoiets. Zijn in het verleden gedane uitspraken over de slavernij kan ik niet ‘wegdenken’. Hij hééft die uitspraken gedaan, hij heeft ze bovendien nooit teruggenomen, laat staan er spijt over betuigd. Zo’n man met een uitgestreken smoel bij de slavernijherdenking zien staan … ik moet er niet aan denken. Ook al begrijp ik jouw redenering heel goed en vind ik dat je gelijk hebt. Ben ik erg dubbel?
Hoe dan ook, de afgelopen tweeëneenhalve week verkeerde ik ook weer in zo’n soort situatie. Ik schrijf je deze brief op de laatste dag van de Olympische Spelen. Een sportevenement waar ik niet naar heb gekeken. Met ‘niet’ bedoel ik hélemaal niet. De openingsceremonie, alle sportwedstrijden, de sluitingsceremonie, ze kunnen me allemaal gestolen worden. Zoals je weet, zijn er sporten bij waar ik best graag naar kijk. Maar niet als het om de Olympische Spelen gaat.
Die wrok tegen de Spelen – want dat is het – gaat terug tot 1972. Hoewel jij toen nog niet geboren was, komt het jaartal je misschien bekend voor. Het waren de beruchte Spelen in München. In de vroege ochtend van 5 september 1972 overvielen leden van de Palestijnse terreurbeweging Zwarte September de Israëlische delegatie. Twee Israëli’s werden meteen vermoord, negen Israëlische atleten en bobo’s werden gegijzeld. Bij een schotenwisseling tussen de terroristen en de Duitse politie, later die dag, vonden zij (en één Duitse politieagent) de dood.
De schok die deze moordpartij teweegbracht, staat me nog steeds goed bij. Natuurlijk zou dit het einde betekenen van deze Spelen, daar was ik van overtuigd. Het doel van de Olympische Spelen is in de loop van de jaren immers altijd hetzelfde gebleven: Meebouwen aan een vreedzame en betere wereld, jongeren opvoeden in de olympische geest, zonder enige vorm van discriminatie, met wederzijds begrip, vriendschap, solidariteit en fair play. Al deze doelen werden met deze aanslag vermorzeld. Kortom: einde Spelen natuurlijk.
Daar zou je het in ieder geval over moeten hebben toch? En dat kost even tijd. Nou … nee hoor. Het IOC (Internationaal Olympisch Comité) had niet veel tijd nodig. Eén dag later – ja, de volgende dag! – besloot het IOC dat de Spelen door zouden gaan. Elf van je medesporters en officials zijn vermoord, maar je gaat lekker verder met sporten. Heel gewoon. Stond de wereld heel even stil? Nee hoor. Ik zag het op tv, nooit krijg ik dat beeld meer uit m’n geheugen: het hypocriete smoel van IOC-voorzitter Avery Brundage en zijn historische uitspraak ‘The games must go on’. Terwijl ik dit schrijf, lopen de rillingen over m’n rug.
Gelukkig waren er atleten die wel gevoel in hun donder hadden. Het waren er niet veel, des temeer bewondering heb ik voor ze. En hoewel de namen jou niets zeggen, wil ik ze niet ongenoemd laten: hockeyers Flip van Lidth de Jeude en Paul Litjens, worstelaar Bert Kops, atleten Bram Wassenaar, Wilma van Gool en Jos Hermens (die naam ken je misschien, hij is nu de manager van Sifan Hassan). Deze Nederlanders kónden niet verder sporten en gingen naar huis.
Nou, dit is de reden dat ik niet meer naar de Olympische Spelen kijk. Nooit meer? Nee, nooit meer. Nou goed, laat ik één uitzondering maken. Als de Spelen ooit gezamenlijk georganiseerd worden door Israël en de dan echt opgerichte staat Palestina, dan ga ik kijken. Dan kluister ik mezelf van opening tot sluiting aan de tv.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 16 augustus 2024.
donderdag 22 augustus 2024
donderdag 25 juli 2024
Brief van Asjer, 19 juli 2024
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Pap,
Het is wat met dat nieuwe kabinet. We hebben er natuurlijk al even aan kunnen wennen dat de PVV nu het centrum van de macht binnen is gekomen, Martin Bosma is al enige tijd Kamervoorzitter en gaf ons daarmee misschien een klein voorproefje. Ook Bosma is enigszins controversieel, zijn eerdere uitspraken over het slavernijverleden brachten de organisatoren van de jaarlijkse slavernijherdenking op 1 juli ertoe om de uitnodiging aan Bosma in zijn functie als voorzitter van de Tweede Kamer in te trekken.
Als Joden weten we hoe belangrijk herdenkingen kunnen zijn. En kunnen we ons ook goed voorstellen hoe het is om - zoals bij de slavernijherdenking het geval is - jaren strijd te moeten leveren voor de erkenning van leed uit het verleden. Ik kan mij om diezelfde reden ook wel inleven in de gevoelens rondom de persoon van Bosma bij die herdenking. Wat zouden wij doen als de Kamervoorzitter of premier in het verleden gezegd zou hebben ‘knettergek te worden’ van al die aandacht voor de Sjoa. Zou die persoon nog welkom zijn bij de Nationale Holocaustherdenking in het Wertheimpark? Ik betwijfel het.
Persoonlijk ben ik blij met al die aandacht voor het slavernijverleden de laatste jaren. De excuses van de premier en de koning (nogmaals, wij Joden weten hoe belangrijk zulke excuses kunnen zijn) het afgelopen herdenkingsjaar, het museum dat momenteel ontwikkeld wordt. Allemaal voorbeelden van die toegenomen aandacht. Daarmee lijkt er ook iets te zijn veranderd in de publieke opinie: waar het besef over het slavernijverleden eerst marginaal was en de gemiddelde Nederlander er niet veel belang aan hechtte, lijkt de meerderheid van de mensen er inmiddels van overtuigd dat die aandacht wel belangrijk is. Dat wij als Nederlandse samenleving het slavernijverleden onder ogen moeten zien en het leed van de nazaten van tot slaaf gemaakten moeten erkennen.
Die verandering in de publieke opinie moeten we niet onderschatten. Wat Bosma ook mag roepen, hij is in de minderheid. De excuses worden niet teruggedraaid, het museum zal er gewoon komen. De meerderheid van de Nederlanders vindt dat allemaal doodnormaal en terecht. In feite hebben Bosma en diegenen die zijn standpunt deelden, verloren en moeten zij nu een manier vinden om zich een houding te geven in de nieuwe realiteit waarin dat slavernijverleden wél de aandacht krijgt die het verdient.
En in die nieuwe realiteit is het aan de meerderheid om daar een beetje mee te helpen. In een democratie is het aan de meerderheid om ook ruimte te geven aan een minderheidsopinie, ook als die de meerderheid tegenstaat. Statements als het niet uitnodigen van de Kamervoorzitter kan ik begrijpen in een context waarin je bewustwording teweeg wilt brengen. Die periode is echter, gelukkig, voorbij. En het is voor degenen die jarenlang de strijd voor de erkenning van het slavernijverleden hebben moeten vechten misschien ook even wennen dat de strijd gewonnen is, en er nu wellicht een andere houding past.
Een houding waarbij wij juist moeten proberen om degenen die altijd aan de andere kant van het debat stonden, te helpen een plek in en berusting met de nieuwe realiteit te vinden. En dat doe je niet door die mensen op afstand te houden maar juist door ze dichtbij te houden en te betrekken. Bosma is niet alleen een symbool van de Tweede Kamer vanuit zijn functie als voorzitter, maar ook symbool voor al die Nederlanders die nog niet de stap hebben gemaakt naar de nieuwe realiteit. Bosma bij de herdenking weghouden is daarom een gemiste kans geweest. Hoe mooi zou het zijn als al die sceptische Nederlanders op het nieuws hadden kunnen zien dat één van de grootste tegenstanders van de aandacht voor het slavernijverleden nu deelneemt aan de herdenking en er zelfs namens het parlement een krans legt? Verandering gaat in kleine stapjes, en deze stap had ik graag willen zien. Wie weet kan het volgend jaar wel zover komen.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 19 juli 2024.
Lieve Pap,
Het is wat met dat nieuwe kabinet. We hebben er natuurlijk al even aan kunnen wennen dat de PVV nu het centrum van de macht binnen is gekomen, Martin Bosma is al enige tijd Kamervoorzitter en gaf ons daarmee misschien een klein voorproefje. Ook Bosma is enigszins controversieel, zijn eerdere uitspraken over het slavernijverleden brachten de organisatoren van de jaarlijkse slavernijherdenking op 1 juli ertoe om de uitnodiging aan Bosma in zijn functie als voorzitter van de Tweede Kamer in te trekken.
Als Joden weten we hoe belangrijk herdenkingen kunnen zijn. En kunnen we ons ook goed voorstellen hoe het is om - zoals bij de slavernijherdenking het geval is - jaren strijd te moeten leveren voor de erkenning van leed uit het verleden. Ik kan mij om diezelfde reden ook wel inleven in de gevoelens rondom de persoon van Bosma bij die herdenking. Wat zouden wij doen als de Kamervoorzitter of premier in het verleden gezegd zou hebben ‘knettergek te worden’ van al die aandacht voor de Sjoa. Zou die persoon nog welkom zijn bij de Nationale Holocaustherdenking in het Wertheimpark? Ik betwijfel het.
Persoonlijk ben ik blij met al die aandacht voor het slavernijverleden de laatste jaren. De excuses van de premier en de koning (nogmaals, wij Joden weten hoe belangrijk zulke excuses kunnen zijn) het afgelopen herdenkingsjaar, het museum dat momenteel ontwikkeld wordt. Allemaal voorbeelden van die toegenomen aandacht. Daarmee lijkt er ook iets te zijn veranderd in de publieke opinie: waar het besef over het slavernijverleden eerst marginaal was en de gemiddelde Nederlander er niet veel belang aan hechtte, lijkt de meerderheid van de mensen er inmiddels van overtuigd dat die aandacht wel belangrijk is. Dat wij als Nederlandse samenleving het slavernijverleden onder ogen moeten zien en het leed van de nazaten van tot slaaf gemaakten moeten erkennen.
Die verandering in de publieke opinie moeten we niet onderschatten. Wat Bosma ook mag roepen, hij is in de minderheid. De excuses worden niet teruggedraaid, het museum zal er gewoon komen. De meerderheid van de Nederlanders vindt dat allemaal doodnormaal en terecht. In feite hebben Bosma en diegenen die zijn standpunt deelden, verloren en moeten zij nu een manier vinden om zich een houding te geven in de nieuwe realiteit waarin dat slavernijverleden wél de aandacht krijgt die het verdient.
En in die nieuwe realiteit is het aan de meerderheid om daar een beetje mee te helpen. In een democratie is het aan de meerderheid om ook ruimte te geven aan een minderheidsopinie, ook als die de meerderheid tegenstaat. Statements als het niet uitnodigen van de Kamervoorzitter kan ik begrijpen in een context waarin je bewustwording teweeg wilt brengen. Die periode is echter, gelukkig, voorbij. En het is voor degenen die jarenlang de strijd voor de erkenning van het slavernijverleden hebben moeten vechten misschien ook even wennen dat de strijd gewonnen is, en er nu wellicht een andere houding past.
Een houding waarbij wij juist moeten proberen om degenen die altijd aan de andere kant van het debat stonden, te helpen een plek in en berusting met de nieuwe realiteit te vinden. En dat doe je niet door die mensen op afstand te houden maar juist door ze dichtbij te houden en te betrekken. Bosma is niet alleen een symbool van de Tweede Kamer vanuit zijn functie als voorzitter, maar ook symbool voor al die Nederlanders die nog niet de stap hebben gemaakt naar de nieuwe realiteit. Bosma bij de herdenking weghouden is daarom een gemiste kans geweest. Hoe mooi zou het zijn als al die sceptische Nederlanders op het nieuws hadden kunnen zien dat één van de grootste tegenstanders van de aandacht voor het slavernijverleden nu deelneemt aan de herdenking en er zelfs namens het parlement een krans legt? Verandering gaat in kleine stapjes, en deze stap had ik graag willen zien. Wie weet kan het volgend jaar wel zover komen.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 19 juli 2024.
donderdag 11 juli 2024
Brief aan Asjer, 5 juli 2024
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
“Tijd is een raar concept.” Het is één van de gevleugelde uitdrukkingen van je moeder en ik kan me er wel in vinden. Toen jij begin januari voor een half jaar naar New York vertrok, keek ik daar enorm tegenop: een half jaar is best lang, vond ik. Nu je bijna weer terugkomt, voelt dat heel anders. Dat half jaar ging eigenlijk best snel voorbij. Nou ja, hoe dan ook: dit is de laatste brief die ik naar jouw New Yorkse adres stuur.
In je brief van twee weken geleden zei je dat we eigenlijk niet meer over Israël moesten schrijven, want “er zijn nog zoveel andere dingen waar we het over kunnen hebben.” Ik ben het helemaal met je eens. Des te opmerkelijker dat ik, toen ik achter m’n computer kroop, automatisch begon te schrijven over de zorgen die ik – en ik niet alleen – heb over Hezbollah, over de ontwikkelingen in het noorden van Israël ... Ik heb alles gewist.
Over het vreemde concept ‘tijd’ gesproken. Gisteren moest ik terugdenken aan 16 juni 2017, voor mij een belangrijke datum. Het is de dag dat ik de Andreaspenning van de stad Amsterdam kreeg uitgereikt. Ga ik mezelf nu een beetje veren in m’n toeches steken? Nee, ik wil het met je hebben over de man die de onderscheiding, met een heel aardige speech, aan mij uitreikte. Eberhard van der Laan, de in oktober 2017 overleden burgemeester van Amsterdam, was toen al ernstig ziek. Hij kon die penning niet uitreiken. In zijn plaats kwam locoburgemeester Eric van der Burg, die ik inmiddels in mijn hart heb gesloten.
“Kunsjt,” zul je zeggen, “na het uitreiken van die penning.” Nee, dat is niet de reden, in ieder geval niet de belangrijkste reden. Van der Burg heb ik met name hoog zitten als politicus. Ja, je leest het goed. En nee, ik ben niet van m’n politieke geloof gevallen. De VVD is nog steeds niet mijn partij, maar Van der Burg is wel ‘mijn man’.
Op het moment dat ik dit schrijf, is hij nog nét staatssecretaris voor asiel en migratie. Over een paar dagen zit een PVV’er op zijn stoel. Haar naam ken je, maar die wil ik niet eens noemen of schrijven. Een paar dagen geleden las ik een interview met Van der Burg in Het Parool. Ik was opnieuw van hem onder de indruk, niet alleen van hem als politicus, maar ook als mens.
Van der Burg is een echte liberaal. Als je in termen van links-rechts spreekt, staat hij helemaal links in zijn partij. Dat brengt hem natuurlijk al wat dichterbij. Als politicus durft hij zijn emoties te tonen, hij huilde toen duidelijk werd dat het nieuwe coalitieakkoord er zou komen. En hij neemt geen blad voor de mond. Toen hem in 2016 – hij was toen nog wethouder in Amsterdam – werd gevraagd of hij het een goed idee vond dat de PVV in de gemeenteraad kwam, antwoordde hij: “Racisten in de Raad, dat is geen verrijking voor Amsterdam.” Van die uitspraak kun je vinden wat je wilt, maar het is in ieder geval recht voor z’n raap.
De afgelopen tweeëneenhalf jaar was Van der Burg de bevlogen staatssecretaris voor asiel en migratie. Ik geef het je te doen, bepaald niet de makkelijkste portefeuille. Hij heeft gevochten, hij heeft met alles dat hij in zich had geprobeerd te voorkomen dat asielzoekers (gewoon: mensen) in Ter Apel in het gras moeten slapen. Hij is de man van de zogenoemde spreidingswet, die hij erdoor heeft gekregen. En dan, met het oog op een nieuwe coalitie, wordt die wet onderuitgehaald. Door wie? Door zijn eigen politiek leider én vriendin, in ieder geval politiek vriendin.
Voor mij is het onbegrijpelijk dat je daarna nog met zo’n vriendin door één deur kunt. Maar ja, enige rancune is mij dan ook niet vreemd. Dat geldt niet voor Eric van der Burg. Hij blijft zijn partijleider steunen, hij wil haar zelfs helpen ooit premier van Nederland te worden.
Voor mij hoeft dat niet. Ik zie liever hém als premier, ook al weet ik dat hij zegt dat hij die ambitie absoluut niet heeft. Mocht dat ooit veranderen, mocht hij ooit lijsttrekker worden, dan stem ik op een VVD’er, dan stem ik op Eric van der Burg.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 5 juli 2024.
Lieve Asjer,
“Tijd is een raar concept.” Het is één van de gevleugelde uitdrukkingen van je moeder en ik kan me er wel in vinden. Toen jij begin januari voor een half jaar naar New York vertrok, keek ik daar enorm tegenop: een half jaar is best lang, vond ik. Nu je bijna weer terugkomt, voelt dat heel anders. Dat half jaar ging eigenlijk best snel voorbij. Nou ja, hoe dan ook: dit is de laatste brief die ik naar jouw New Yorkse adres stuur.
In je brief van twee weken geleden zei je dat we eigenlijk niet meer over Israël moesten schrijven, want “er zijn nog zoveel andere dingen waar we het over kunnen hebben.” Ik ben het helemaal met je eens. Des te opmerkelijker dat ik, toen ik achter m’n computer kroop, automatisch begon te schrijven over de zorgen die ik – en ik niet alleen – heb over Hezbollah, over de ontwikkelingen in het noorden van Israël ... Ik heb alles gewist.
Over het vreemde concept ‘tijd’ gesproken. Gisteren moest ik terugdenken aan 16 juni 2017, voor mij een belangrijke datum. Het is de dag dat ik de Andreaspenning van de stad Amsterdam kreeg uitgereikt. Ga ik mezelf nu een beetje veren in m’n toeches steken? Nee, ik wil het met je hebben over de man die de onderscheiding, met een heel aardige speech, aan mij uitreikte. Eberhard van der Laan, de in oktober 2017 overleden burgemeester van Amsterdam, was toen al ernstig ziek. Hij kon die penning niet uitreiken. In zijn plaats kwam locoburgemeester Eric van der Burg, die ik inmiddels in mijn hart heb gesloten.
“Kunsjt,” zul je zeggen, “na het uitreiken van die penning.” Nee, dat is niet de reden, in ieder geval niet de belangrijkste reden. Van der Burg heb ik met name hoog zitten als politicus. Ja, je leest het goed. En nee, ik ben niet van m’n politieke geloof gevallen. De VVD is nog steeds niet mijn partij, maar Van der Burg is wel ‘mijn man’.
Op het moment dat ik dit schrijf, is hij nog nét staatssecretaris voor asiel en migratie. Over een paar dagen zit een PVV’er op zijn stoel. Haar naam ken je, maar die wil ik niet eens noemen of schrijven. Een paar dagen geleden las ik een interview met Van der Burg in Het Parool. Ik was opnieuw van hem onder de indruk, niet alleen van hem als politicus, maar ook als mens.
Van der Burg is een echte liberaal. Als je in termen van links-rechts spreekt, staat hij helemaal links in zijn partij. Dat brengt hem natuurlijk al wat dichterbij. Als politicus durft hij zijn emoties te tonen, hij huilde toen duidelijk werd dat het nieuwe coalitieakkoord er zou komen. En hij neemt geen blad voor de mond. Toen hem in 2016 – hij was toen nog wethouder in Amsterdam – werd gevraagd of hij het een goed idee vond dat de PVV in de gemeenteraad kwam, antwoordde hij: “Racisten in de Raad, dat is geen verrijking voor Amsterdam.” Van die uitspraak kun je vinden wat je wilt, maar het is in ieder geval recht voor z’n raap.
De afgelopen tweeëneenhalf jaar was Van der Burg de bevlogen staatssecretaris voor asiel en migratie. Ik geef het je te doen, bepaald niet de makkelijkste portefeuille. Hij heeft gevochten, hij heeft met alles dat hij in zich had geprobeerd te voorkomen dat asielzoekers (gewoon: mensen) in Ter Apel in het gras moeten slapen. Hij is de man van de zogenoemde spreidingswet, die hij erdoor heeft gekregen. En dan, met het oog op een nieuwe coalitie, wordt die wet onderuitgehaald. Door wie? Door zijn eigen politiek leider én vriendin, in ieder geval politiek vriendin.
Voor mij is het onbegrijpelijk dat je daarna nog met zo’n vriendin door één deur kunt. Maar ja, enige rancune is mij dan ook niet vreemd. Dat geldt niet voor Eric van der Burg. Hij blijft zijn partijleider steunen, hij wil haar zelfs helpen ooit premier van Nederland te worden.
Voor mij hoeft dat niet. Ik zie liever hém als premier, ook al weet ik dat hij zegt dat hij die ambitie absoluut niet heeft. Mocht dat ooit veranderen, mocht hij ooit lijsttrekker worden, dan stem ik op een VVD’er, dan stem ik op Eric van der Burg.
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 5 juli 2024.
vrijdag 28 juni 2024
Brief van Asjer, 21 juni 2024
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Pap,
Eigenlijk wil ik het niet meer over Israël hebben. Het stemt weinig optimistisch en er zijn nog zoveel andere dingen waar we het over kunnen hebben in onze correspondentie. Maar voor jou zal ik mij er nog één keer aan wagen.
De situatie in Israël zorgt voor zoveel splijtzwammen. Binnen de Nederlandse samenleving, in de Joodse gemeenschap. Maar ook in mijzelf. Terwijl ik dit schrijf, zijn we een week verder sinds de bevrijding van de vier gijzelaars. Enkele dagen geleden zag ik een filmpje - gefilmd vanuit het oogpunt van één van de commando’s die deelnemen aan de bevrijdingsactie - van het moment dat zij de kamer bereiken waar drie van de gijzelaars zich bevonden. Het leek wel een scène uit een film. Commando’s stormen de kamer binnen, vinden daar de drie mannen en spreken met ze in het Ivriet. ‘We zijn gekomen om jullie te redden, blijf rustig.’ De gijzelaars moeten zich op dat moment gerealiseerd hebben dat ze gered werden. Dat ze niet zijn vergeten, niet worden achtergelaten. Ik moest denken aan de eerste keer dat ik naar een film over operatie Entebbe keek. Toen, net als nu, merkte ik dat ik onwillekeurig een gevoel van blijdschap en opwinding ervaarde. Trots misschien ook wel.
Wie de Joodse geschiedenis kent, weet dat Joden voor het grootste deel van die geschiedenis zijn overgeleverd aan de grillen van anderen, dat Joden ongestraft vernederd en beschimpt konden worden, of erger. De wetenschap dat we in een tijd leven waarbij mensen niet zomaar meer Joden kunnen gijzelen, hen kunnen mishandelen en vernederen zonder dat er andere Joden zijn die de militaire macht hebben en die zullen inzetten om daar iets aan te doen – dat voelt goed. Goed met een rauw randje. Omdat ik mij tegelijkertijd besef dat deze actie met een prijs komt. De dood van de Israëlische commandant die omkwam bij de actie, maar natuurlijk ook de verwoesting van levens aan Palestijnse zijde. Honderden, als we de berichtgeving moeten geloven. En al zitten daar natuurlijk Hamas-strijders tussen, er zijn ongetwijfeld ook onschuldigen bij de actie omgekomen. “Mai chazit de-dama didach sumak tefei - wie zegt dat jouw bloed roder is dan het zijne” vraagt de Talmoed. De waarde van levens zijn niet aan elkaar af te meten, de levens van de onschuldige Palestijnen die omkwamen bij de actie zijn niet minder waard dan die van de gijzelaars. Dat zegt de rede. En toch ontkom ik er niet aan om instinctief de redding belangrijker te vinden dan het voorkomen van die slachtoffers. Dat gevoel, het niet kunnen ontsnappen aan die tweestrijd tussen rede en instinct, zorgt voor die interne gespletenheid.
Diezelfde gespletenheid voel ik wanneer je vertelt over je vriendin C. die meent dat Israël een tijdelijk project is. Om maar weer de (Joodse) geschiedenis erbij te pakken: als in het verleden behaalde resultaten een garantie zijn voor de toekomst dan is Joodse onafhankelijkheid tijdelijk en heeft de moderne staat Israël dus een einddatum. Ik zou willen dat Israël als democratische én Joodse staat blijft bestaan, maar zie ook steeds meer hoe onder invloed van religieuze fanatici het land afglijdt naar een samenleving waarin die combinatie niet meer mogelijk zal zijn. Ik blijf geloven dat het niet te laat is om het tij te keren, maar als we de huidige extremistische stemmen in Israël de vrije loop laten, dan vrees ik dat vriendin C. nog wel eens gelijk zou kunnen krijgen.
Joodse politieke autonomie zorgt voor een soort weerbaarheid die zonder die autonomie niet zou bestaan. Maar voor het voortbestaan van het jodendom is geen politieke autonomie nodig, daar ben ik van overtuigd. Joodse cultuur heeft altijd gefloreerd in de diaspora. Tijdens Sjawoe’ot volgde ik een lern-sessie die daarover ging. Het was één van de meer dan twintig opties die ik om 10 uur ’s avonds kon kiezen in het Meyerson JCC op Manhattan tijdens hun Tikoen Leil. En die sessies van een uur gingen door tot 4 uur ’s ochtends, met elke ronde weer andere sessies. Vele honderden mensen waren erop afgekomen, de rij stond toen ik aankwam van Amsterdam Avenue, waar het JCC zich bevindt, helemaal tot aan de hoek om bij Broadway. Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Het was gaaf om bij zo’n gigantisch Joods evenement aanwezig te zijn. En het was ook fijn dat de enige gespletenheid die ik die nacht ervaarde, ging over of ik wel de juiste lezingen had gekozen om bij te wonen.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 21 juni 2024.
Lieve Pap,
Eigenlijk wil ik het niet meer over Israël hebben. Het stemt weinig optimistisch en er zijn nog zoveel andere dingen waar we het over kunnen hebben in onze correspondentie. Maar voor jou zal ik mij er nog één keer aan wagen.
De situatie in Israël zorgt voor zoveel splijtzwammen. Binnen de Nederlandse samenleving, in de Joodse gemeenschap. Maar ook in mijzelf. Terwijl ik dit schrijf, zijn we een week verder sinds de bevrijding van de vier gijzelaars. Enkele dagen geleden zag ik een filmpje - gefilmd vanuit het oogpunt van één van de commando’s die deelnemen aan de bevrijdingsactie - van het moment dat zij de kamer bereiken waar drie van de gijzelaars zich bevonden. Het leek wel een scène uit een film. Commando’s stormen de kamer binnen, vinden daar de drie mannen en spreken met ze in het Ivriet. ‘We zijn gekomen om jullie te redden, blijf rustig.’ De gijzelaars moeten zich op dat moment gerealiseerd hebben dat ze gered werden. Dat ze niet zijn vergeten, niet worden achtergelaten. Ik moest denken aan de eerste keer dat ik naar een film over operatie Entebbe keek. Toen, net als nu, merkte ik dat ik onwillekeurig een gevoel van blijdschap en opwinding ervaarde. Trots misschien ook wel.
Wie de Joodse geschiedenis kent, weet dat Joden voor het grootste deel van die geschiedenis zijn overgeleverd aan de grillen van anderen, dat Joden ongestraft vernederd en beschimpt konden worden, of erger. De wetenschap dat we in een tijd leven waarbij mensen niet zomaar meer Joden kunnen gijzelen, hen kunnen mishandelen en vernederen zonder dat er andere Joden zijn die de militaire macht hebben en die zullen inzetten om daar iets aan te doen – dat voelt goed. Goed met een rauw randje. Omdat ik mij tegelijkertijd besef dat deze actie met een prijs komt. De dood van de Israëlische commandant die omkwam bij de actie, maar natuurlijk ook de verwoesting van levens aan Palestijnse zijde. Honderden, als we de berichtgeving moeten geloven. En al zitten daar natuurlijk Hamas-strijders tussen, er zijn ongetwijfeld ook onschuldigen bij de actie omgekomen. “Mai chazit de-dama didach sumak tefei - wie zegt dat jouw bloed roder is dan het zijne” vraagt de Talmoed. De waarde van levens zijn niet aan elkaar af te meten, de levens van de onschuldige Palestijnen die omkwamen bij de actie zijn niet minder waard dan die van de gijzelaars. Dat zegt de rede. En toch ontkom ik er niet aan om instinctief de redding belangrijker te vinden dan het voorkomen van die slachtoffers. Dat gevoel, het niet kunnen ontsnappen aan die tweestrijd tussen rede en instinct, zorgt voor die interne gespletenheid.
Diezelfde gespletenheid voel ik wanneer je vertelt over je vriendin C. die meent dat Israël een tijdelijk project is. Om maar weer de (Joodse) geschiedenis erbij te pakken: als in het verleden behaalde resultaten een garantie zijn voor de toekomst dan is Joodse onafhankelijkheid tijdelijk en heeft de moderne staat Israël dus een einddatum. Ik zou willen dat Israël als democratische én Joodse staat blijft bestaan, maar zie ook steeds meer hoe onder invloed van religieuze fanatici het land afglijdt naar een samenleving waarin die combinatie niet meer mogelijk zal zijn. Ik blijf geloven dat het niet te laat is om het tij te keren, maar als we de huidige extremistische stemmen in Israël de vrije loop laten, dan vrees ik dat vriendin C. nog wel eens gelijk zou kunnen krijgen.
Joodse politieke autonomie zorgt voor een soort weerbaarheid die zonder die autonomie niet zou bestaan. Maar voor het voortbestaan van het jodendom is geen politieke autonomie nodig, daar ben ik van overtuigd. Joodse cultuur heeft altijd gefloreerd in de diaspora. Tijdens Sjawoe’ot volgde ik een lern-sessie die daarover ging. Het was één van de meer dan twintig opties die ik om 10 uur ’s avonds kon kiezen in het Meyerson JCC op Manhattan tijdens hun Tikoen Leil. En die sessies van een uur gingen door tot 4 uur ’s ochtends, met elke ronde weer andere sessies. Vele honderden mensen waren erop afgekomen, de rij stond toen ik aankwam van Amsterdam Avenue, waar het JCC zich bevindt, helemaal tot aan de hoek om bij Broadway. Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Het was gaaf om bij zo’n gigantisch Joods evenement aanwezig te zijn. En het was ook fijn dat de enige gespletenheid die ik die nacht ervaarde, ging over of ik wel de juiste lezingen had gekozen om bij te wonen.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 21 juni 2024.
donderdag 13 juni 2024
Brief aan Asjer, 7 juni 2024
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
Zouden we écht globetrotters aan het worden zijn? Een paar weken geleden liepen we nog samen door New York en nu schrijf ik je deze brief vanuit Montagnac, Zuid-Frankrijk, waar we zoals ieder jaar bij mijn gastvrije, niet-biologische zus M. zijn neergestreken. Dat reizen bevalt me overigens goed 😊.
Ik heb het gevoel dat we hier even ontsnappen aan alle ellende. Dat gevoel is sterker dan tijdens andere vakanties. Het lijkt wel of we net iets meer afstand kunnen nemen van de actualiteit. Natuurlijk volg ik ook hier het nieuws op de voet, dat is niet anders dan thuis. Maar het leven hier op het Franse platteland, de gesprekken met mensen – of eigenlijk het ontbreken van gesprekken – daarin zit het verschil. Thuis lijkt er de laatste tijd niet aan te ontkomen: wie ik ook spreek, in wat voor omgeving ook, het gesprek gaat steevast over Israël/Gaza of over de veranderde leefomstandigheden van ons, Joden, in een steeds vijandelijker wereld. In Frankrijk heb ik nog niet één keer zo’n gesprek gevoerd.
Een voorbeeld. Deze week waren we uitgenodigd voor een diner bij vrienden van M. Ik droeg, zoals elke dag, een geel lintje op m’n kleding. Als extra statement had ik ook m’n legerplaatje met de tekst Bring them home – now! omgedaan. Daar kan je niet omheen, dacht ik. Maar niemand besteedde er aandacht aan, niemand vroeg ‘wat heb je daar op je kleding’. Van M. hoorde ik dat deze zelfde vrienden af en toe wel aan haar vragen hoe ik tegen de situatie in Israël aankijk. Opmerkelijk hè. Nou ja, misschien is het beter als ze mijn standpunt niet kennen … Daar staat tegenover dat de halal slager mij even vriendelijk begroette als altijd, ook al moet hij de magen david die ik draag, opgemerkt hebben. Dat doet me wel weer goed.
Aan de ene kant is het wel lekker om iets meer afstand te hebben tot de waan van de dag, aan de andere kant mis ik de mogelijkheid om mijn gedachten aan die van anderen te scherpen. En ja, dan mis ik Leo en zijn helicopterview eens te meer. Leo stond ambivalent tegenover Israël, hij maakte zich zorgen over de politieke ontwikkelingen, over de kloof tussen bevolkingsgroepen, de burgerrechten et cetera. Over antisemitisme in Nederland maakte hij zich juist minder zorgen dan de gemiddelde Nederlandse Jood. Onze meningen liepen niet ver uiteen. Hoe zou Leo nu over dit alles gedacht hebben? Zou er voor hem iets, of misschien zelfs veel veranderd zijn?
Voor mijzelf is dat zeker het geval. Ik merk dat het steeds luidere discours dat maar één doel lijkt te hebben: een einde maken aan de staat Israël, althans aan de Joodse staat Israël, meer en meer onder mijn huid gaat zitten. Of het nu om die uitdrukking over de rivier en de zee gaat, over het framen van Israël als koloniaal project, of over het misbruiken van de term zionisme, het doel lijkt iedere keer het ontmantelen van Israël als Joodse staat. En daar kan ik steeds minder goed mee omgaan.
Even terug naar Amstelveen. Toen ik de dag voor ons vertrek een paar laatste boodschappen aan het doen was, kwam ik op de Rembrandtweg C. tegen, een oude vriendin die ik al een tijdje niet gezien had. Natuurlijk hadden we het over Israël, over zionisme en de toestanden om ons heen. Maar ze maakte ook een opmerking die in mijn hoofd is blijven hangen, een opmerking waarop ik nog steeds aan het kauwen ben. “Ik zie Israël,” zei ze, “als een tijdelijk project, een project met een einddatum.” Ik schrok ervan. C. staat midden in de (orthodox-)Joodse gemeenschap, ik ken haar als zionist en nu vertelt zij me dat ze er niet van uitgaat dat Israël er altijd zal zijn …
Schrik is niet mijn enige emotie na dat gesprek met C. Ik merk dat ik me er ook tegen verzet. Ik wil niet alleen dat Israël blijft bestaan, ik wil dat het blijft bestaan als Joodse staat. Of eigenlijk als staat voor Joden. En dan natuurlijk een staat waarin niet-Joodse inwoners gelijk behandeld worden en gelijke rechten hebben.
Mijn gevoel zegt me dat jij wel het één en ander aan te merken zult hebben op mijn standpunt. Ik lees je antwoord wel …
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 7 juni 2024.
Lieve Asjer,
Zouden we écht globetrotters aan het worden zijn? Een paar weken geleden liepen we nog samen door New York en nu schrijf ik je deze brief vanuit Montagnac, Zuid-Frankrijk, waar we zoals ieder jaar bij mijn gastvrije, niet-biologische zus M. zijn neergestreken. Dat reizen bevalt me overigens goed 😊.
Ik heb het gevoel dat we hier even ontsnappen aan alle ellende. Dat gevoel is sterker dan tijdens andere vakanties. Het lijkt wel of we net iets meer afstand kunnen nemen van de actualiteit. Natuurlijk volg ik ook hier het nieuws op de voet, dat is niet anders dan thuis. Maar het leven hier op het Franse platteland, de gesprekken met mensen – of eigenlijk het ontbreken van gesprekken – daarin zit het verschil. Thuis lijkt er de laatste tijd niet aan te ontkomen: wie ik ook spreek, in wat voor omgeving ook, het gesprek gaat steevast over Israël/Gaza of over de veranderde leefomstandigheden van ons, Joden, in een steeds vijandelijker wereld. In Frankrijk heb ik nog niet één keer zo’n gesprek gevoerd.
Een voorbeeld. Deze week waren we uitgenodigd voor een diner bij vrienden van M. Ik droeg, zoals elke dag, een geel lintje op m’n kleding. Als extra statement had ik ook m’n legerplaatje met de tekst Bring them home – now! omgedaan. Daar kan je niet omheen, dacht ik. Maar niemand besteedde er aandacht aan, niemand vroeg ‘wat heb je daar op je kleding’. Van M. hoorde ik dat deze zelfde vrienden af en toe wel aan haar vragen hoe ik tegen de situatie in Israël aankijk. Opmerkelijk hè. Nou ja, misschien is het beter als ze mijn standpunt niet kennen … Daar staat tegenover dat de halal slager mij even vriendelijk begroette als altijd, ook al moet hij de magen david die ik draag, opgemerkt hebben. Dat doet me wel weer goed.
Aan de ene kant is het wel lekker om iets meer afstand te hebben tot de waan van de dag, aan de andere kant mis ik de mogelijkheid om mijn gedachten aan die van anderen te scherpen. En ja, dan mis ik Leo en zijn helicopterview eens te meer. Leo stond ambivalent tegenover Israël, hij maakte zich zorgen over de politieke ontwikkelingen, over de kloof tussen bevolkingsgroepen, de burgerrechten et cetera. Over antisemitisme in Nederland maakte hij zich juist minder zorgen dan de gemiddelde Nederlandse Jood. Onze meningen liepen niet ver uiteen. Hoe zou Leo nu over dit alles gedacht hebben? Zou er voor hem iets, of misschien zelfs veel veranderd zijn?
Voor mijzelf is dat zeker het geval. Ik merk dat het steeds luidere discours dat maar één doel lijkt te hebben: een einde maken aan de staat Israël, althans aan de Joodse staat Israël, meer en meer onder mijn huid gaat zitten. Of het nu om die uitdrukking over de rivier en de zee gaat, over het framen van Israël als koloniaal project, of over het misbruiken van de term zionisme, het doel lijkt iedere keer het ontmantelen van Israël als Joodse staat. En daar kan ik steeds minder goed mee omgaan.
Even terug naar Amstelveen. Toen ik de dag voor ons vertrek een paar laatste boodschappen aan het doen was, kwam ik op de Rembrandtweg C. tegen, een oude vriendin die ik al een tijdje niet gezien had. Natuurlijk hadden we het over Israël, over zionisme en de toestanden om ons heen. Maar ze maakte ook een opmerking die in mijn hoofd is blijven hangen, een opmerking waarop ik nog steeds aan het kauwen ben. “Ik zie Israël,” zei ze, “als een tijdelijk project, een project met een einddatum.” Ik schrok ervan. C. staat midden in de (orthodox-)Joodse gemeenschap, ik ken haar als zionist en nu vertelt zij me dat ze er niet van uitgaat dat Israël er altijd zal zijn …
Schrik is niet mijn enige emotie na dat gesprek met C. Ik merk dat ik me er ook tegen verzet. Ik wil niet alleen dat Israël blijft bestaan, ik wil dat het blijft bestaan als Joodse staat. Of eigenlijk als staat voor Joden. En dan natuurlijk een staat waarin niet-Joodse inwoners gelijk behandeld worden en gelijke rechten hebben.
Mijn gevoel zegt me dat jij wel het één en ander aan te merken zult hebben op mijn standpunt. Ik lees je antwoord wel …
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 7 juni 2024.
donderdag 30 mei 2024
Brief van Asjer, 24 mei 2024
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Pap,
Weet je nog dat ik in de zomer van 2014 in Israël verbleef, toen ik een oelpan volgde aan de universiteit van Haifa? Het was de zomer van operatie ‘Tsoek Etan’, een van de eerdere conflicten in Gaza. Onvergelijkbaar met de huidige situatie – het huidige conflict is vele malen gewelddadiger en kent veel meer slachtoffers. Maar ook toen maakte wat er gebeurde in Gaza een hoop los in Nederland. Er waren protesten, en bij een van die protesten in Den Haag werd ‘dood aan de Joden’ gescandeerd. Ik weet nog heel goed dat jij mij oppikte van Schiphol toen ik terugkwam uit Israël, kort na die demonstratie. “Misschien had je beter daar kunnen blijven,” zei je toen we in de auto zaten. Op een enigszins cynische toon en niet helemaal serieus voor zover ik mij herinner – maar de opmerking sprak boekdelen.
Terugkijkend naar dat moment verbaas ik mij erover hoe weinig ik blijkbaar meekreeg van de stemming in Nederland die zomer. Het duurde tot dat moment op Schiphol om te beseffen hoe men in Nederland die zomer had beleefd. Hoe anders is dat nu tien jaar later. Via sociale media, gesprekken met vrienden en collega’s, Whatsapp, nieuws en opinies, meen ik goed te kunnen volgen wat de Joodse gemeenschap in Nederland doormaakt. Vooral de laatste weken lijkt er een kookpunt bereikt te zijn met de studentenprotesten, het verbreken van de banden met Betsalel door de kunstacademie in Den Haag en het cancelen van een concert van het Jerusalem Quartet in het Concertgebouw.
Het is vreemd om deze periode van een afstand te ervaren. Maar eerlijk gezegd voelt het ergens ook als een opluchting. Niet dat er in de VS niets gebeurt. Ik schreef je eerder over de protesten aan Columbia die vlak naast het instituut waar ik studeer plaatsvonden. Maar toch heb ik het idee dat dergelijke incidenten – want dat zijn het volgens mij nog steeds – hier op een andere manier beleefd worden.
Ik schrik van de berichten uit Nederland. Niet zozeer van die incidenten, maar van het effect ervan op Nederlandse Joden. Ik schrik van de vergelijkingen die mensen maken met de jaren ‘30. Ik schrik ervan wanneer de vraag gesteld wordt of Joden nog wel een toekomst hebben in Nederland. En ik schrik van de alomvattende manier waarop deze onderwerpen het leven van alledag lijken te zijn gaan bepalen. Als een dichte mist die je volledig omringt en het zicht op de wereld ontneemt .
Die mist ervaar ik in New York minder. Antisemitische incidenten zijn hier ook het gesprek van de dag, maar domineren niet op dezelfde manier het Joodse leven. De vanzelfsprekendheid van het Joodse leven hier, zoals jij die in je vorige brief beschreef, lijkt te zorgen voor een soort van lichtheid. Voor de mogelijkheid om alle sores soms ook even aan de kant te schuiven en het denken niet te laten domineren. Soms zou ik willen dat ik wat van die lichtheid zou kunnen opsturen naar Nederland.
Ik krijg de laatste tijd vaak de vraag of ik niet in New York zou willen blijven. Mijn antwoord is steevast nee, ik kom terug naar Nederland. En dat antwoord blijft onveranderd. Maar de laatste weken kijk ik wel steeds meer op tegen een terugkeer naar Nederland omdat ik niet weet hoelang ik het in die mist zal uithouden. Ik zou willen dat ik een manier wist om die mist wat te doen laten oplossen, maar die heb ik niet paraat. Maak je geen zorgen hoor, ik kom dus gewoon terug. In de hoop en verwachting dat er genoeg mensen zijn die net als ik geen twijfels hebben over de toekomst van Joden in Nederland.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 24 mei 2024.
Lieve Pap,
Weet je nog dat ik in de zomer van 2014 in Israël verbleef, toen ik een oelpan volgde aan de universiteit van Haifa? Het was de zomer van operatie ‘Tsoek Etan’, een van de eerdere conflicten in Gaza. Onvergelijkbaar met de huidige situatie – het huidige conflict is vele malen gewelddadiger en kent veel meer slachtoffers. Maar ook toen maakte wat er gebeurde in Gaza een hoop los in Nederland. Er waren protesten, en bij een van die protesten in Den Haag werd ‘dood aan de Joden’ gescandeerd. Ik weet nog heel goed dat jij mij oppikte van Schiphol toen ik terugkwam uit Israël, kort na die demonstratie. “Misschien had je beter daar kunnen blijven,” zei je toen we in de auto zaten. Op een enigszins cynische toon en niet helemaal serieus voor zover ik mij herinner – maar de opmerking sprak boekdelen.
Terugkijkend naar dat moment verbaas ik mij erover hoe weinig ik blijkbaar meekreeg van de stemming in Nederland die zomer. Het duurde tot dat moment op Schiphol om te beseffen hoe men in Nederland die zomer had beleefd. Hoe anders is dat nu tien jaar later. Via sociale media, gesprekken met vrienden en collega’s, Whatsapp, nieuws en opinies, meen ik goed te kunnen volgen wat de Joodse gemeenschap in Nederland doormaakt. Vooral de laatste weken lijkt er een kookpunt bereikt te zijn met de studentenprotesten, het verbreken van de banden met Betsalel door de kunstacademie in Den Haag en het cancelen van een concert van het Jerusalem Quartet in het Concertgebouw.
Het is vreemd om deze periode van een afstand te ervaren. Maar eerlijk gezegd voelt het ergens ook als een opluchting. Niet dat er in de VS niets gebeurt. Ik schreef je eerder over de protesten aan Columbia die vlak naast het instituut waar ik studeer plaatsvonden. Maar toch heb ik het idee dat dergelijke incidenten – want dat zijn het volgens mij nog steeds – hier op een andere manier beleefd worden.
Ik schrik van de berichten uit Nederland. Niet zozeer van die incidenten, maar van het effect ervan op Nederlandse Joden. Ik schrik van de vergelijkingen die mensen maken met de jaren ‘30. Ik schrik ervan wanneer de vraag gesteld wordt of Joden nog wel een toekomst hebben in Nederland. En ik schrik van de alomvattende manier waarop deze onderwerpen het leven van alledag lijken te zijn gaan bepalen. Als een dichte mist die je volledig omringt en het zicht op de wereld ontneemt .
Die mist ervaar ik in New York minder. Antisemitische incidenten zijn hier ook het gesprek van de dag, maar domineren niet op dezelfde manier het Joodse leven. De vanzelfsprekendheid van het Joodse leven hier, zoals jij die in je vorige brief beschreef, lijkt te zorgen voor een soort van lichtheid. Voor de mogelijkheid om alle sores soms ook even aan de kant te schuiven en het denken niet te laten domineren. Soms zou ik willen dat ik wat van die lichtheid zou kunnen opsturen naar Nederland.
Ik krijg de laatste tijd vaak de vraag of ik niet in New York zou willen blijven. Mijn antwoord is steevast nee, ik kom terug naar Nederland. En dat antwoord blijft onveranderd. Maar de laatste weken kijk ik wel steeds meer op tegen een terugkeer naar Nederland omdat ik niet weet hoelang ik het in die mist zal uithouden. Ik zou willen dat ik een manier wist om die mist wat te doen laten oplossen, maar die heb ik niet paraat. Maak je geen zorgen hoor, ik kom dus gewoon terug. In de hoop en verwachting dat er genoeg mensen zijn die net als ik geen twijfels hebben over de toekomst van Joden in Nederland.
Liefs,
Asjer
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 24 mei 2024.
vrijdag 17 mei 2024
Brief aan Asjer, 10 mei 2024
In navolging van vader Max en dochter Natascha van Weezel, die – eerst op de Jonetwebsite en later in dagblad Trouw – een correspondentie met elkaar voerden, zijn mijn zoon Asjer en ik een briefwisseling gestart. Onze brieven zijn te lezen in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad). Na een week plaats ik ze door in dit blog.
Lieve Asjer,
Het is alweer aardig wat jaren geleden dat ik meer uren werkte dan goed is voor een mens. Werkweken van 60 à 70 uur waren standaard. Jij was nog een jochie, maar je kunt je dat ongetwijfeld nog herinneren. Voor mij is het moeilijk om op die tijd terug te kijken: als werk zoveel tijd in beslag neemt, blijft er gewoon te weinig over voor een gezond gezinsleven. Ik heb in jullie jongste jaren veel van jou en je zus gemist, dat doet vaak nog pijn. De liefde van mijn leven – ja, je moeder – had destijds een briljant idee. Ze vond dat ik om-en-om met één van de kids een reisje moest maken, zodat ik een paar dagen intensief met jullie kon optrekken.
Waarom ik hier nu aan denk? Ik zag in mijn foto’s dat het deze week op de kop af vijftien jaar geleden is dat wij met z’n tweeën door New York liepen. En nu, als ik jou deze brief schrijf, ben ik net terug van een kort reisje naar New York om jou op te zoeken. De rollen zijn omgedraaid: toen, begin mei 2009, nam ik jou mee, ook al mocht jij bepalen wat we gingen bekijken en waar we gingen eten. Nu liep ik als het ware met jou mee, na drie-en-een-halve maand ken jij een aantal delen van de stad al heel aardig.
Ik zei het je al voor ik terugvloog: ik heb een fantastische tijd gehad, ik heb ervan genoten. En, ook al moest jij uiteraard colleges volgen, we hebben veel samen kunnen doen, vooral veel ‘Joodse’ dingen die ons beiden interesseren. Boro Park en Crown Heights, waar we Chabad Headquarters bezochten en zelfs een rondleiding kregen, de Lower East Side, waar de sjoel in Eldridge Street (nu een museum) op mij veel indruk maakte en zo kan ik nog wel even doorgaan. Oh ja, dat ik mocht rondkijken op Jewish Theological Seminary, waar jij nu studeert, vond ik ook super. Wat een prachtig gebouw!
Net zoals vijftien jaar geleden hebben we geluncht bij Katz’s Deli. Niets veranderd daar. Maar op culinair gebied heb je me ook verrast. The Pickle Guys vond ik geweldig. En de frickles (gefrituurde augurken) bij een smashburger ga ik ook niet gauw vergeten. Wat minder enthousiast was ik over de ‘pancake with crispy chicken and maple syrup’. Wij aten ‘m - uiteraard - zonder bacon, maar zelfs mét zo’n hartige toevoeging lijkt dit me niets.
Als ik de vraag moet beantwoorden waar ik die paar dagen het meest van heb genoten, dan hoef ik niet lang na te denken. Samen met jou een paar dagen New York onveilig maken, daar kwam ik voor en dat was heerlijk. Wat mij verder het meest aansprak, was het Joodse leven in New York in het algemeen. De Joodse wijken in Brooklyn zijn natuurlijk bekend, maar dat ook Riverdale, waar jij nu tijdelijk woont, een wijk die vrij noordelijk in de Bronx ligt, zó Joods is, dat verraste me. In positieve zin uiteraard. Het is gewoon heerlijk om zoveel jodendom om je heen te zien. Kosjere supermarkten, kosjere diners en coffeeshops, een overduidelijk Joodse kapper, sjoels en sjoeltjes, de mezoeza naast vrijwel iedere deur in jouw flatgebouw … de vanzelfsprekendheid van het Joodse leven, het is een verademing. Neem de door Tablet Magazine georganiseerde Pesach Experience, waar vroom en vrij door elkaar liepen, een geinige en originele en voor mijn gevoel typisch Amerikaans-Joodse activiteit.
New York is een beetje zoals Israël. Natuurlijk zijn Joden ook in New York een minderheid, maar dat merk je niet zo. Voor mijn gevoel ben je als Jood in New York ‘niets bijzonders’ en voelen Joden zich ook minder onveilig. Zo zag ik, vergeleken met de Nederlandse situatie, stukken minder beveiliging bij Joodse gebouwen.
Als je dan terug bent in Nederland, waar bijvoorbeeld niet één kosjere slager meer is, ervaar je het grote verschil meteen. Dat zit ‘m natuurlijk in de aantallen. Meer dan 1,5 miljoen Joden in New York tegenover die veertig- à vijftigduizend in heel Nederland. Maar het zit niet alleen in de aantallen, het Joodse leven hier heeft een oppepper nodig. Schiet alsjeblieft een beetje op met je studie!
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 10 mei 2024.
Lieve Asjer,
Het is alweer aardig wat jaren geleden dat ik meer uren werkte dan goed is voor een mens. Werkweken van 60 à 70 uur waren standaard. Jij was nog een jochie, maar je kunt je dat ongetwijfeld nog herinneren. Voor mij is het moeilijk om op die tijd terug te kijken: als werk zoveel tijd in beslag neemt, blijft er gewoon te weinig over voor een gezond gezinsleven. Ik heb in jullie jongste jaren veel van jou en je zus gemist, dat doet vaak nog pijn. De liefde van mijn leven – ja, je moeder – had destijds een briljant idee. Ze vond dat ik om-en-om met één van de kids een reisje moest maken, zodat ik een paar dagen intensief met jullie kon optrekken.
Waarom ik hier nu aan denk? Ik zag in mijn foto’s dat het deze week op de kop af vijftien jaar geleden is dat wij met z’n tweeën door New York liepen. En nu, als ik jou deze brief schrijf, ben ik net terug van een kort reisje naar New York om jou op te zoeken. De rollen zijn omgedraaid: toen, begin mei 2009, nam ik jou mee, ook al mocht jij bepalen wat we gingen bekijken en waar we gingen eten. Nu liep ik als het ware met jou mee, na drie-en-een-halve maand ken jij een aantal delen van de stad al heel aardig.
Ik zei het je al voor ik terugvloog: ik heb een fantastische tijd gehad, ik heb ervan genoten. En, ook al moest jij uiteraard colleges volgen, we hebben veel samen kunnen doen, vooral veel ‘Joodse’ dingen die ons beiden interesseren. Boro Park en Crown Heights, waar we Chabad Headquarters bezochten en zelfs een rondleiding kregen, de Lower East Side, waar de sjoel in Eldridge Street (nu een museum) op mij veel indruk maakte en zo kan ik nog wel even doorgaan. Oh ja, dat ik mocht rondkijken op Jewish Theological Seminary, waar jij nu studeert, vond ik ook super. Wat een prachtig gebouw!
Net zoals vijftien jaar geleden hebben we geluncht bij Katz’s Deli. Niets veranderd daar. Maar op culinair gebied heb je me ook verrast. The Pickle Guys vond ik geweldig. En de frickles (gefrituurde augurken) bij een smashburger ga ik ook niet gauw vergeten. Wat minder enthousiast was ik over de ‘pancake with crispy chicken and maple syrup’. Wij aten ‘m - uiteraard - zonder bacon, maar zelfs mét zo’n hartige toevoeging lijkt dit me niets.
Als ik de vraag moet beantwoorden waar ik die paar dagen het meest van heb genoten, dan hoef ik niet lang na te denken. Samen met jou een paar dagen New York onveilig maken, daar kwam ik voor en dat was heerlijk. Wat mij verder het meest aansprak, was het Joodse leven in New York in het algemeen. De Joodse wijken in Brooklyn zijn natuurlijk bekend, maar dat ook Riverdale, waar jij nu tijdelijk woont, een wijk die vrij noordelijk in de Bronx ligt, zó Joods is, dat verraste me. In positieve zin uiteraard. Het is gewoon heerlijk om zoveel jodendom om je heen te zien. Kosjere supermarkten, kosjere diners en coffeeshops, een overduidelijk Joodse kapper, sjoels en sjoeltjes, de mezoeza naast vrijwel iedere deur in jouw flatgebouw … de vanzelfsprekendheid van het Joodse leven, het is een verademing. Neem de door Tablet Magazine georganiseerde Pesach Experience, waar vroom en vrij door elkaar liepen, een geinige en originele en voor mijn gevoel typisch Amerikaans-Joodse activiteit.
New York is een beetje zoals Israël. Natuurlijk zijn Joden ook in New York een minderheid, maar dat merk je niet zo. Voor mijn gevoel ben je als Jood in New York ‘niets bijzonders’ en voelen Joden zich ook minder onveilig. Zo zag ik, vergeleken met de Nederlandse situatie, stukken minder beveiliging bij Joodse gebouwen.
Als je dan terug bent in Nederland, waar bijvoorbeeld niet één kosjere slager meer is, ervaar je het grote verschil meteen. Dat zit ‘m natuurlijk in de aantallen. Meer dan 1,5 miljoen Joden in New York tegenover die veertig- à vijftigduizend in heel Nederland. Maar het zit niet alleen in de aantallen, het Joodse leven hier heeft een oppepper nodig. Schiet alsjeblieft een beetje op met je studie!
Je liefhebbende vader,
Michel
Deze brief verscheen eerder als column in het NIW (Nieuw Israëlietisch Weekblad) van 10 mei 2024.
Abonneren op:
Posts (Atom)